Van nature

Middelste, zelf C-speler, is gevraagd mee te spelen bij B1. Terwijl hij me dit vertelt kan hij zijn trots niet verbloemen. Terecht.

Op het moment van vertrek echter, is daar ineens vertwijfeling, hij blijft op de drempel staan, wel-niet-wel-niet, voeten weigeren dienst: “Ik wil denk ik niet …”.

Herken je dat? Ineens die twijfel of je het wel kunt. En dan het idee opvatten dat het beter is om niet te gaan, zodat niemand ziet dat jij helemaal niet goed genoeg bent.

Ondermijnende zelftwijfel met als ultiem jammerlijke uiting de zelfsabotage.

Het heeft weinig zin hem nu aan te moedigen met dwingend ‘motivational’ zinnen als: “Jawel joh, jij kunt het!! Ze hebben jóu toch maar mooi gevraagd?!” Het stemmetje in z’n eigen hoofd is voor nu even harder en scherper. Beter is het stil te zijn, te wachten op wat van hem uit nu komt en daarop liefdevol te reageren met een klein duwtje. Gentle nudging, zogezegd.

Dan komt zijn kleine broertje erbij die geboren is onder het gelukkige gesternte van iemand die per definitie ervan uitgaat dat het hem lukt. Kennelijk heeft hij de hele scène vanachter zijn ontbijtbord met interesse gevolgd en weet precies wat hem te doen staat: “Weet je wat het is? Je moet er niet zo over nadenken. Je moet het gewoon DOEN!”

Irritant maar effectief wakker geschud door het in zijn ogen kleine, stink-eigenwijze etterbakje, draait hij zich snuivend om, stapt naar buiten en trekt de voordeur met ‘n klap achter zich dicht.

Hm. Tsja. Goed.

Hij kan ervan vinden wat hij wil, maar díe drempel is in ieder geval geslecht.

😎

Slang

Bij binnenkomst in mijn keuken na 3 dagen weg, sla ik steil achterover van de geur. Het blijkt de afwasmachine te zijn die de wasbeurt niet heeft afgemaakt en dat ook niet meer van plan is.

Hoewel ik noodgedwongen al een aantal jaar veel klusjes zelf klaar waarvan ik niet wist dat ik ze kon, zie ik dat nu een witgoed-pro nodig is.

Zo gezegd, zo gebeld. Ik heb geluk, ze kunnen meteen komen. Al snel ziet het duo, hoofdman en stagiaire, dat een slang is vergaan en vervangen moet. Het klinkt logisch en toch zie ík, die nog nooit zo ver een afwasmachine heeft ingekeken, ook andere mogelijkheden en leg ze hoofdman voor. Stoïcijns doorwerkend aan zijn eigen diagnose zoemt en knikt hij op de juiste momenten.

Ik herken wat hij doet, laat me niet afschepen, dring nog wat aan. Hoofdman kijkt over zijn schouder eerst mij vriendelijk knikkend en dan zijn stagiaire aan. Die begrijpt de cue en neemt de slang-klus over.

Hoofdman neemt me apart en legt vriendelijk doch niet mis te verstaan uit dat hij mijn poging snapt en waardeert maar dat hij het bij het rechte eind heeft.

Sputterend geloof ik hem maar half.

Ineens zoemt mijn apparaat weer soepel en wat sullig om mezelf lachend vraag ik hem of hij vaker dit soort eigenwijs gedoe treft.

“Mevrouw, wat ík al werkende tref, daar zou ú een boek over kunnen schrijven!”

Over het begin van het einde

“Tenzij je in god en de hemel enzo gelooft, snap ik niet waarom we dood moeten gaan. Ik kan me er niets bij voorstellen. Hoe gáát dat dan?! Dan bén je er dus ineens niet meer, ofzo?!”

‘Ik begrijp geloof ik precies wat je bedoelt, vent. Toen ik klein was heb ik een keer keihard gehuild toen ik ineens besefte dat we allemaal doodgaan. Ook ík dus. En ik vond dat heel erg eng en belachelijk en kon dat net als jij niet bevatten.’

“En weet je wat ik óók zo stom vind? Dat alles wel gewoon doorgaat. Terwijl ik dóód ben en niet meer meedoe. Met níks! Waarom moet je DOOD??!”

Ach dat mannetje, radeloos pissig over dit gegeven. Misschien is het tijd voor wat good old Wijsheid:

‘Weet je, het gaat er allemaal om wat je doet met de tijd die je wél hebt, want het is de enige echte zekerheid die je hebt als je wordt geboren. Namelijk dat je op een dag zult sterven. Alles gaat dus om wat jij doet met wat daar tussen zit.’

….

Het probleem met Wijsheid echter, is dat je het vaak pas snapt, als het zo ver is. In dit geval als je zelf een ouwe sok begint te worden of iets dusdanig heftigs hebt meegemaakt, dat de urgentie van het leven zich als vanzelf aan je openbaart.

Beide is hier niet het geval en ik word ogenblikkelijk afgestraft:

“JÁÁ, LEUK HOOR, mam! Dit is dus precies het ENIGE wat ik NIET wilde weten!!!”

n Kleine tussenevaluatie

16 jaar geleden was ik vandaag precies 1 dag moeder. En had ik op de roze wolk van bevallingsadrenaline, de totale verwondering en pure liefde die mij permanent overspoelden als ik naar dat kleine poppetje keek, geen flauw benul wat mij in deze nieuwe hoedanigheid te wachten stond. En al helemaal niet hoe ik het zou vinden, voelen, beleven, ervaren.

God nee. Van toeten noch blazen. En dat was misschien maar goed ook.

Dit jubileum, deze Sweet Sixteen, vind ik wel een mooi moment voor een kleine reflectie. Want de tijd ging met ups en downs. De jaren, maanden, weken, zelfs dágen gingen met ups en downs. Niks sweets aan vaak.

Tjeesis. Móeder zijn. Niet alleen een nieuwe rol, het geeft een geheel nieuwe dimensie maar ook definitie aan het leven. Een definitie die voor mij ook wel eens strak voelde, té strak als ik heel eerlijk ben. Want waar bleef ik, Alexa!? Mens met een eígen leven en eigen wensen en behoeftes. Die niet alléén maar wil (ont)zorgen, regelen, achter vodden aanzitten, zich onvoorwaardelijk dienstbaar opstellen.

Af en toe heb ik me flink verzet, en nog; kont tegen de krib en met gestrekt been erin. Iemand met een ego als het mijne vind dat ‘onvoorwaardelijke’ weliswaar volstrekt logisch maar wil er stiekem wel óók erkenning voor krijgen. En niet slechts 1 keer per jaar. Om maar iets te noemen.

Het lijkt soms een beetje op een grote grap. Zo’n ‘You’ve been pranked!!’. Zoals het gegeven dat je na jaren van totale afhankelijkheid ineens overbodig blijkt. Tenminste, dat dènken die types bij wie tijdens hun puberschap de meer rationele hersenfuncties een-voor-een uitschakelen. Sta jij daar met je goede bedoelingen: “Yo mam, ga even aan de kant, je staat in de weg. Neehee, je hoeft niets meer te doen voor mij, ik kan alles zelf!”

-Behalve dan als er een sok kwijt is, een boek, een telefoon, sportspullen, een fietslampje. Of als er gegeten moet worden (24/7), ruzietjes zijn, de oppasklus hélemaal vergeten blijkt, per ongeluk teveel aan biertjes geroken is, te weinig geslapen is maar wel gewoon het eerste uur school, etcetera..-

Zonder scrupules en alsof het de gewoonste zaak van wereld is. Helemaal woest word ik er soms van. En voel me dan matig gewaardeerd: “Zoek het uit, ik ga mijn eigen leven wel weer leiden. Eikels. Ik pak mijn koffertje en ben weg. Naar iets warms, leuks, rustigs en waar andere mensen iets voor míj doen én ook nog aardig zijn!”

Tegelijkertijd, als ze dan allemaal opgekrast zijn naar waar ze heen moesten, realiseer ik me dat ik heel veel van het leven én van mezelf pas ben gaan zien, snappen en ook waarderen, door het simpele feit dat ik moeder ben van drie van die spruitjes met zeer scherpe spiegels. Of je er even in wil kijken, mama!

Moeder: dat woord is vast niet zomaar gekozen. Het geeft niet alleen moed maar vraagt het ook. In die spiegels kijken en iets doen aan de dingen die niet zo mooi terugkaatsen … je moet het elke keer maar weer durven aangaan. En dat doe je. Althans; ík doe dat.

All in all is voor nu de -Thank God- tevreden stemmende conclusie dat, ondanks mijn angst dat ik delen van mezelf kwijt zou raken, het intens en intensief beleven van het moederschap mij juist en vooral een completer mens heeft gemaakt.

Completer en beter. Niet gek.

Nabrander: ik vind denk ik niets zoeters dan die niet-veranderende blik van bewondering en diepe indruk op die koppies als, terwijl zij al in paniek raken en nog vóór ze hun zin: “Mààmmm, wáár is mijn …” af hebben gemaakt, jij reeds aan komt lopen met sok, boek, hockeyrok of telefoon.

Diezelfde blik waarmee die weerloze hummeltjes je aankeken vanaf het moment dat ze intuïtief wisten dat jíj degene was die hen het leven gaf en degene is die ervoor zorgt dat ze in leven blijven.

Ze wisten het. Toen en nu deep down nog steeds.

Díe blik. Goud! 😉

De pose

De pose

Daar gaat ze. Met haar klasgenoten stapt ze via de druilerige regen in de bus die hen naar Schiphol zal brengen. Op naar Rome voor de leukste 1,5 week van haar hele schooltijd.

Ik zwaai en het lijkt gisteren dat ik in die bus stapte. Alleen bracht deze ons niet naar Schiphol maar in één streep naar de Italiaanse hoofdstad. De busreis was daarmee indringend onderdeel van de trip zelf.

Want daar waar ons nu als ouders en leerlingen in de aanloop naar deze Romereis nogal dreigend een zero tolerance beleid is afgekondigd waar het drank en ‘jonco’s’ betreft, herinner ik me (waarschijnlijk ietwat geromantiseerd maar toch) dat met die bus van ons, nog voor we goed en wel de landsgrens over waren, al een noodstop gemaakt moest worden zodat de eerste groot-innemers het teveel even langs de snelweg konden deponeren.

Zoals de kinderen nu langs de douane nog geen waterflesje gesmokkeld krijgen, was de hoeveel sterk bij ons achter in die bus behoorlijk imponerend.

Ik overdrijf. Natuurlijk. Een beetje. Maar niet eens zo heel erg.

Overigens was onze #dailyoutfit in die tijd kennelijk níet zo heel verschillend van nu. Afgelopen weekend keken we door mijn Romereis-foto’s van 30 jaar geleden en de ene vreemd-bol blousende top na de andere tot onder de oksel opgetrokken en in de middel ingesnoerde jeans werd goedgekeurd door de modebewuste 15-jarigen van nu. Gekke zonnebrilletjes, scharrige VANS-achtige gympjes, cowboylaarzen en sportjackies die lijken op de coole exemplaren van nu. Wat wil je ook. Vintage is in, begreep ik.

Terwijl ik naar de mij aandoenlijk aandoende foto’s keek, zag ik vooral een stel keurige, terecht met zichzelf gepreoccuppeerde tieners, ‘cool poserend en zich bewust van het bijzondere moment.

Ineens realiseer ik me: wat voelde ik me al een hele pief in die tijd. Op de goede momenten dan. Op de mindere, die er nogal vaak waren, allesbehalve. Maar dát konden we niet laten blijken, natuurlijk. Dus wat was de reflex? Kin nog ietsje verder omhoog, snaveltje nog net wat spitser en scherper. Maar als je goed keek, zag je de schoudertjes wat omhoog gaan boven een ruggetje dat juist wat inzakte.

De pose. Verscheurd van binnen, stoer en onaantastbaar van buiten.

Zo exáct hetzelfde als bij die leuke, lieve oudste van mij. Die ik wel kan schieten (wat ik ook doe) als ze precies ditzelfde laat zien en horen…

Een flits van schuld trekt door me heen. Ik prent me dit beeld van mezelf destijds in en het gevoel wat erbij hoorde en ik neem me voor: als zij straks terug is en ze schiet als zo vaak even in die kin-omhoog-ogen-koelgeloken-tong-scherp-pose, doe ik alleen nog maar mijn armen open.

Voor een grote, troostende en helende knuffel. Óók voor mijzelf.

Over crackers en irritante ouders

E93B7AA5-A605-47B7-A7DB-D2BF1510E7B5.jpeg

In het donker dek ik de tafel voor het ontbijt. Ik heb geen haast, hoef niet al te vroeg ergens heen dus doe dit op mijn gemakje, terwijl één puber in de badkamer scharrelt en de ander ergens ‘burpees’ ligt te doen. Kleinste hoeft pas over een half uur op te staan. Huiselijke vrede die ineens zeldzaam lijkt en waar ik heel blij van word.

Aangekomen bij het brood blijkt r nog slechts een halfje van het niet-verse soort te zijn. F*ck!, had ik gisteren moeten halen. Vergeten. Mijn hersens scannen de mogelijkheden:

  • Me snel aankleden en naar de bakker. Nee, geen zin in want dit betekent haast en komt neer op verbreken van mijn gevoel van vrede.
  • Puberdochter zo in één streep naar de bakker sturen. Nee. Dat betekent voorts een half uur chagrijn van het ergste soort. Met grootse zekerheid ligt mijn gevoel van vrede dan aan diggelen.
  • Puberzoon uit zijn burpee rukken en naar de bakker sturen. Zie hierboven.
  • Jongste eerder wakker maken en naar de bakker sturen. Ach nee. hij hoest heel erg en doet altijd al alles en ook nog best vrolijk, als ik hem dat vraag. Vind ik zielig. Vrede etcetera.
  • Ze doen het er maar mee, ik smeer extra lekkere bammetjes en voeg ter aanvulling wat alternatieven toe. Topplan! Dilemma opgelost. Knappe jongen die dan nog aan mijn hoofd komt zeuren.

Als jongste aan tafel zit, inspecteert hij zijn lunchbakje: “Dank je mam, voor mijn lunch. Maar ik mag alleen niet dat pakje crackers meenemen.”

Alert en met iets hogere stem: “Hoezo mag dat niet, wat is dát nou weer voor een onzin?!” *mooi dat ik mijn aanvulling niet zonder slag of stoot opgeef en al zeker mijn gevoel voor vrede niet…!*

“Nou, we mogen geen snoep of koek tussen de middag.”

Opgelucht assertief en strijdbaar wapper ik met mijn armen: “Aha, ok, ik snap het. Maar dit is geen koek, dit is hártig. Met een beetje zout. Net als een boterham met kaas dus. Gewoon lekker meenemen, laat ze mij maar bellen als er problemen zijn..!”

Hij gniffelt want weet nu al wie dat dan zou winnen, vredelievend als ik ben.

Als puberzoon even later vertrekt, vertel ik hem wat snoevend over het cracker-dilemma.

“Oh ja, ik weet nog dat ik dan op Fruítdag altijd braaf mijn fruitje bij me had maar heel veel kinderen gewoon koek of snoep. En daar zeiden ze nooit iets van, volgens mij. Maar ja, dat is voor een leraar ook wel lastig: het tegen een kind zeggen is lullig want dan voelt het kind zich rot en die ouders reageren vaak super irritant.”

“Hm? Ah ja, hmhm, jaa, héél irritant vaak, die ouders inderdaad. Beláchelijk …”

 

Eerst presteren, dan beloning

IMG_3940

Kleinste grote vriend mag naar een casting. Ze zoeken een androgyn-ogend jongetje dat van dansen houdt. Ik vind hem helemaal niet androgyn maar hij mag toch komen, omdat alles aan hem danst en hij een fruitig snuitje heeft. Denk ik.

Daar gaan we dan, na een week lang alle scenario’s aangehoord te hebben die hij in zijn hoofd heeft over hoe zo’n ‘cáh-sting’ gaat. Van volle zalen met zeker 2000 andere deelnemertjes, gewoon meedoen omdat het “écht heel leuk is, toch mam? Ja hoor, vent”, tot de spanning van de gedachte aan helemaal- alleen-op-een-groot-podium-terwijl-iedereen-kijkt. Op naar hartje Amsterdam!

Na een totale chaos van afgesloten grachten en van alle kanten hard op ons inrijdend fietsverkeer, moeten we achteruit terug over het bruggetje van een klein centrumgrachtje, zwetend vanuit elke porie. En terwijl hij uit de auto hangt om sorry naar iedereen te roepen, sla ik met ogen dicht een kruisje alvorens gas te geven. Verwilderd arriveren we bij een grachtenpandje met klein souterrain, waar in studentikoos aandoende banken 1 ander jongetje onderuitgezakt ligt te wachten.

“Er komt zó iemand, hoor.” Minzaam sussend heeft de moeder van dit ook niet zo androgyne jongetje direct door dat wij beginners zijn. Wij ploffen neer, giechelen samen, drinken en eten van wat ik heb meegenomen (wat nogal wat is, want straks zitten we hier tenslotte úren tussen die 2000 anderen..)
Het verveelde jongetje wil ook drinken en laat dit zijn moeder weten. Zonder op te kijken van haar telefoon sist ze: “Eerst presteren, dan beloning.”

Wij verslikken ons in onze koek en worden ietsje stiller.

De coördinator van het geheel verschijnt, schudt ons vrolijk de hand en maakt een foto. Een nieuw kind met moeder komt binnen, prototype androgyn jongetje, -eindelijk iemand die het echt begrepen heeft-. Het onderuitgezakte ventje wordt opgehaald door een andere vrolijkerd met grote bos dansend krulhaar en verdwijnt achter de deur waar het allemaal gebeurt.

Kleine baas observeert en absorbeert, in opperste staat van spanning, verrukking en verbazing; dit lijkt in helemaal niets op een theater maar vooral op de gang van zaken bij een huisarts!

Ondertussen maak ik vrienden in de wachtbank door het wel-androgyne jongetje te complimenteren met zijn vooruitstrevende kapsel (deels kaal, deels knot). Zijn moeder corrigeert me; Hij blijkt een Zij. ‘Oh, mijn excuus.’ “Nou, geeft niet hoor. Zeg, jouw zoon is wel erg kleín, hè?”..

Dan wordt mijn kennelijk heel kleine vriend opgehaald, we geven elkaar een boks en hij danst met Danshaar mee naar binnen. Succes aapje, geniet er maar van!

Een kwartier later staat hij stralend weer voor me: “Mama, het ging heel goed want het was echt superleuk! Zij *wijst naar Danshaar* vroeg mij allemaal dingen, ik moest dan in de camera kijken en antwoorden. En toen de muziek kwam, danste zij heel grappig óók!” Danshaar jubelt met hem mee: “Wat een lust voor oor en oog, deze danser!” Voor danser kan zijn dag niet meer stuk en voor mij stiekem ook niet.

En zo staan we na 30 minuten weer buiten op de gracht, met volle tas, – maag én – gemoed van avontuur en ervaring.
“Vond je het spannend?”
“Ja, heel erg! Maar ik vond het ook heel leuk!”
“Ik vind het geweldig en ontzettend knap dat het jou lukt om het op zo’n spannend moment ook echt te Dóen!” .
“Nou mam, maar dit was Hét Moment. Ik wist; als ik het wil laten zien, dan Moet het dus NU!! Dús …”

Ja. Dús …

Bewonderend: “En nu? Eerst presteren, dan beloning?”
Grote grijns: “Haha ja, een mega-ijs graag!”