Falen

0F8D59A5-1742-48EA-825C-36625FA2072F

“Mama? Ik voel me dat ik ben gefaald…”

Ik kijk hem aan en mijn hart krijgt een tikje. Teneergeslagen zit hij op zijn Tripp Trapp stoel.

Ach, hoe goed ken ik dít gevoel. En ook dat het niet uitmaakt wat iedereen zegt. Hoeveel complimenten hij ook krijgt over hoe ver hij kwam, hoe bijzonder dat is voor zijn leeftijd en gebrek aan ervaring of hoeveel talent men hem toedicht.

Want dit is wat hij zichzelf met zijn 9 jaar vertelt: “Ik. Ben. Gefaald.”

En hoewel ik weet dat geen enkele stem scheller, dringender of dwingender is dan die van jezelf, wil ik het toch proberen. Want ik gun hem iets zo heel anders. Dus ik vraag hem: “Hoe komt het dat jij zo streng bent voor jezelf, lieverd?”

“Ik gelóófde erin, mam. Ik dacht ècht dat ik door was. Maar ik bén niet door. Dus ik kan mezelf helemaal niet geloven.” Schoudertjes hangen, koppie ook.

Kleine baas met grote worsteling.

“Ben je teleurgesteld over jezelf? Dat je het niet bij het goede eind had?”

“Ja, want als ik beter had nagedacht, had ik nog méér mijn best gedaan!”

“Kón je dan nog meer je best doen dan je al deed?”

Stilte. Staart voor zich uit.

“Liefje, heb je gegeven wat je had voor dat moment?”

“Ja, eigenlijk wel. Maar het was dus niet genóeg!!” Gefrustreerde wanhoop van top tot teen.

“En kon jij precies weten wat echt wel of niet genoeg was? Ik bedoel, kén jij degene die de beslissing maakte en dus hoe hij kijkt?”

“Neehee!! Dat wéét jij toch? Die was in Amérika die man! Hij kreeg onze dansfilmpjes en díe moest hij bekijken en dan beslissen.”

“En deed jij je best?”

“JA!”

“Dus kun jij jezelf dan iets verwijten daarin?”

Hij kijkt me aan, zoekt, fronst, vat niet. Dan ineens spert hij zijn ogen open:

“Eigenlijk niet. Toch, mam?”

“Nee. Zéker niet, zelfs. Maar je kunt wel ongelooflijk balen en even keihard gillen, schelden en teleurgesteld zijn over de beslissing. Dát wel.”

Hij grim-grijnst, gooit z’n hoofd naar achter voor een heel hard en langgerekt scheldwoord dat ze volgens mij 3 straten verderop kunnen horen. Ik besluit even mee te doen. Ik baal tenslotte óók voor hem.

Met ogen waar het vuur uitknalt, kijken we elkaar even later aan: “Zo, dat was lekker hè, vent? Voel je je nu iets beter?”

….

“Morgen, denk ik.”

Maar ik zie een figuurtje waar de spirit weer inzit, een recht ruggetje en glans in de ogen. En daar wordt mijn hart dan weer warm van.

Eerst presteren, dan beloning

IMG_3940

Kleinste grote vriend mag naar een casting. Ze zoeken een androgyn-ogend jongetje dat van dansen houdt. Ik vind hem helemaal niet androgyn maar hij mag toch komen, omdat alles aan hem danst en hij een fruitig snuitje heeft. Denk ik.

Daar gaan we dan, na een week lang alle scenario’s aangehoord te hebben die hij in zijn hoofd heeft over hoe zo’n ‘cáh-sting’ gaat. Van volle zalen met zeker 2000 andere deelnemertjes, gewoon meedoen omdat het “écht heel leuk is, toch mam? Ja hoor, vent”, tot de spanning van de gedachte aan helemaal- alleen-op-een-groot-podium-terwijl-iedereen-kijkt. Op naar hartje Amsterdam!

Na een totale chaos van afgesloten grachten en van alle kanten hard op ons inrijdend fietsverkeer, moeten we achteruit terug over het bruggetje van een klein centrumgrachtje, zwetend vanuit elke porie terwijl hij uit de auto hangt om sorry naar iedereen te roepen, sla ik met ogen dicht een kruisje alvorens gas te geven. Verwilderd arriveren we bij een grachtenpandje met klein souterrain, waar in studentikoos aandoende banken 1 ander jongetje onderuitgezakt ligt te wachten.

“Er komt zó iemand, hoor.” Minzaam sussend heeft de moeder van dit ook niet zo androgyne jongetje direct door dat wij beginners zijn. Wij ploffen neer, giechelen samen, drinken en eten van wat ik heb meegenomen (wat nogal wat is, want straks zitten we hier tenslotte úren tussen die 2000 anderen..)
Het verveelde jongetje wil ook drinken en laat dit zijn moeder weten. Zonder op te kijken van haar telefoon sist ze: “Eerst presteren, dan beloning.”

Wij verslikken ons in onze koek en worden ietsje stiller.

De coördinator van het geheel verschijnt, schudt ons vrolijk de hand en maakt een foto. Een nieuw kind met moeder komt binnen, prototype androgyn jongetje, -eindelijk iemand die het echt begrepen heeft-. Het onderuitgezakte ventje wordt opgehaald door een andere vrolijkerd met grote bos dansend krulhaar en verdwijnt achter de deur waar het allemaal gebeurt.

Kleine baas observeert en absorbeert, in opperste staat van spanning, verrukking en verbazing; dit lijkt in helemaal niets op een theater maar vooral op de gang van zaken bij een huisarts!

Ondertussen maak ik vrienden in de wachtbank door het wel-androgyne jongetje te complimenteren met zijn vooruitstrevende kapsel (deels kaal, deels knot). Zijn moeder corrigeert me; Hij blijkt een Zij. ‘Oh, mijn excuus.’ “Nou, geeft niet hoor. Zeg, jouw zoon is wel erg kleín, hè?”..

Dan wordt mijn kennelijk heel kleine vriend opgehaald, we geven elkaar een boks en hij danst met Danshaar mee naar binnen. Succes aapje, geniet er maar van!

Een kwartier later staat hij stralend weer voor me: “Mama, het ging heel goed want het was echt superleuk! Zij *wijst naar Danshaar* vroeg mij allemaal dingen, ik moest dan in de camera kijken en antwoorden. En toen de muziek kwam, danste zij heel grappig óók!” Danshaar jubelt met hem mee: “Wat een lust voor oor en oog, deze danser!” Voor danser kan zijn dag niet meer stuk en voor mij stiekem ook niet.

En zo staan we na 30 minuten weer buiten op de gracht, met volle tas, – maag én – gemoed van avontuur en ervaring.
“Vond je het spannend?”
“Ja, heel erg! Maar ik vond het ook heel leuk!”
“Ik vind het geweldig en ontzettend knap dat het jou lukt om het op zo’n spannend moment ook echt te Dóen!” .
“Nou mam, maar dit was Hét Moment. Ik wist; als ik het wil laten zien, dan Moet het dus NU!! Dús …”

Ja. Dús …

Bewonderend: “En nu? Eerst presteren, dan beloning?”
Grote grijns: “Haha ja, een mega-ijs graag!”

Freeze, froze, frozen: als je de ene voet niet meer voor de andere krijgt

image

Franse Alpen + kinderen = avontuur-activiteiten, I like! In mijn enthousiasme vergeet ik dat ik minder houd van gapende dieptes. Balancerend boven een ravijn slaat de angst en daarmee een freeze toe: HELP! Hoe, in hemelsnaam, krijg ik mijn controle terug?

Daar sta ik dan, halverwege een 40 meter lange staalkabel die gespannen is over een ravijn van minimaal evenzoveel meter diep. Een woest bergbeekje stroomt hard onderdoor in die genadeloze diepte. Mij extra benadrukkend dat ik ergens ben waar ik niet wil zijn.

Een zekering is nog geen vérzekering

Natuurlijk ben ik gezekerd, via twee stevige staalkabels aan weerszijden van mij. Niets aan het handje, zou je denken. Maar ik krijg, na de eerste 15 meter al wiebelend vooruit geschuifeld te zijn, ineens de ene voet niet meer voor de andere. Stokstijf stil met gekruiste benen en een totale verstijving in mijn lijf en hoofd.

Gewiebel en geduw

Wat niet helpt, is de jolige wiebelaar zo’n 20 meter vóór mij, die de kabels voor mijn gevoel een meter doet uitslaan en de hijgende adem van mijn 7-jarige in mijn nek. Hij gaat ook over deze kabel. Natuurlijk; hij doet het allemaal en alles met een noodgang. Ongeduldig geremd in zijn snelheid, vraagt hij zich af waarom zijn moeder zo tergend langzaam gaat en vooral waarom híj of all people de pech heeft achter haar te zitten.

Stoere moeder

“Mahammm!! Schiet eens op, mam! Mamáááá, mag ik al? Wáárom sta jij de hele tijd stil? Je staat trouwens heel raar met je BIL naar achter…. Nou, ik GA hoor!! Pfffffff, jij bent toch zo stoer?!” Zijn misgenoegen druipt ervanaf en ik vind mijn eigen kind onberedeneerd een ontzettende naarling.

Grond voelen

Mijn hele leven al vind ik dieptes eng. Zolang ik een vorm van vaste grond onder mijn voeten heb, is er niet veel aan de hand, slechts af en toe een weeïg gevoel in mijn maag dat mij nooit heeft belemmerd. Niet bij het afdalen van hoge en steile skipistes of het beklauteren van bergwanden, niet tijdens het bezoeken van culturele hoogstandjes zoals de toren van Pisa of de Duomo in Milaan. Zelfs niet bij het omhoogklimmen via best hoge ladders. Maar dít…?!

Freeze: figuurlijk bevroren

Ik draai mijn bovenlijf stijfjes en voorzichtig 90 graden in de richting vanwaar ik kwam, om het briesende baasje achter mij tot kalmte te manen:

“Zeg vriend, heb jij wel door hoe stoer ik inderdaad ben? Ik sta hier, midden op dit touw, terwijl ik E-NOR-ME hoogtevrees heb! Maar ik stá hier wel, ja?! … NEE, NIET bewegen!”

Gesnuif valt mij ten deel, alsmede een driftige ruk aan de zijkabels. Rotjoch!! Totale paniek verlamt mijn armen, mijn benen en mijn hoofd. Een klassieke Freeze: Ik.Kan.Dit.Niet. Ik houd mijn adem in en beweeg niet meer.

Overleven is ademhalen

Toch zal ik wel moeten; het is dát of hier op dit nare draadje blijven staan. Ik moet de controle over mezelf terugkrijgen en die freeze uit mijn hersenpan weren: “Je kunt het, je weet het, denk na; hoe moet dat ook al weer?” Door deze afleiding begint in mijn bevroren brein iets te dagen over ademhalen en blijven leven. De vernauwing van mijn bewustzijn verbreedt zich en in de ruimte die ontstaat, vervang ik de gedachte “Ik.Kan.Dit.Niet” door “Rustig en diep ademhalen”.

In godsnaam; gá!

Met deze poging tot ontspanning glijdt iets van de verkramping van me af en langzaam komt wat gevoel terug in mijn ledematen. Ik kan de ene voet voor de andere schuiven en de overkant komt dichterbij! Het gaat langzaam maar ik klaag niet: als ik in godsnaam maar ga.

De acrobaat vóór mij is allang weg en de driftige drukker achter mij block ik: “Hij is er niet, hij is er niet, hij is er niet!” En verdomd, ook dat werkt: voor even ís hij er niet.

De boom is mijn moeder

Met een woeste kreet van opluchting werp ik mezelf tegen de boom die het einde van de overtocht markeert en klamp me eraan vast alsof het mijn moeder is. Ik ben gered. Ik.Kon.Het.Toch!

PS mijn zoon is bij aankomst, 0,1 seconde na mij en met één blik op mijn gezicht, ook trots op mij. Hij vertelt aan iedereen dat het weliswaar leek alsof ik een bangebroek-met-bil-raar-naar-achteren was, maar dat ik feitelijk stoer ben gebleken. En dat is hem geraden, want hij hing zéker aan een draadje.

 

(Dit verhaal is van vorig jaar en ook gepubliceerd via urbanchicks.nl .

Als je GOED kijkt, ZIE je het ..

IMG_3284.JPGWe fietsen samen terug van zijn speelafspraak. Als altijd ga ik net wat harder en kijk daarom met regelmaat even achterom. Haartjes in de wind, opgewekt gezichtje. Aanzettend op zijn trappers omdat hij als altijd iets te vertellen heeft.

“Mama, wist jij dat L. heel muzikaal is? Hij kan pianospelen en zit op zangles. Hij kan echt Heel. Mooi. zingen!”

‘Tjee, wat leuk zeg. Nee, ik had geen idee!’

“Ik wist dat eerst ook niet! Maar hij zingt Mooi van Marco Borsato -ken jij dat, mam?- en dat klínkt ook echt heel mooi. En hij heeft mij net Shape of You op de piano geleerd.

‘Wat geweldig vent, jouw lievelings. Ga je dat straks voor mij spelen?.’

….

Zet weer aan en komt dichterbij

“Ja, oke. Weet je, mam, aan L. zie je zo eigenlijk niet dat hij iets bijzonders kan. Maar toch zíe je het.”

‘Hoe bedoel je dat precies, wat zie ik dan aan L.?’

“Nou gewoon, als je naar hem kijkt, zíe je het. Door hoe hij zijn hoofd houdt en hoe hij kijkt en loopt. Daardoor zie je dat hij iets bij zich heeft, iets dat hij heel goed kan. Ik zie dat. Ik zie dat altijd aan anderen.”

‘Wat een prachtige eigenschap vind ik dat. Dus als jij naar iemand kijkt, zie jij meer dan wat je letterlijk ziet?’

… hij is al pratend weer wat achterop geraakt en spant zich extra in om dichterbij te komen. Het ontroert me, ik rem wat af en herhaal mijn vraag.

“Ja. Of nee. Want ik zie het eigenlijk wél letterlijk. Het is er, maar je moet wel echt GOED kijken! Als je écht goed kijkt, zie je aan iedereen dat ie wat kan.

‘Weet je, lief mannetje, ik denk dat jij gelijk hebt. En weet je wat nog meer? Als ik naar jou kijk, zie ik zóveel  dat ik niets meer kan zeggen en alleen maar een traantje in mijn ogen krijg van geluk.’

….

Achter mij gaat de zon nog warmer schijnen.

 

Mindset

words

Bij een dergelijke vondst (zie foto) gaan eerst mijn wenkbrauwen omhoog, dan grinnik ik voor me uit en tenslotte vraag ik mij drie dingen af:

1) wie van de drie is de eloquente kunstenaar?

2) is dit normaal of heb ik een pervers kind (of wellicht twee of drie, afhankelijk van het antwoord op 1)?

3) en tot slot; is dit een lucky shot of is de weg naar heel vreemde sites gevonden toen ik even niet keek?

Wij communiceren vrijelijk met elkaar dus ik kijk niet snel raar op maar bij echt grove uitlatingen spreek ik de dader toch wel even vermanend toe. Ik heb inmiddels door dat Middelste van 10 van alles weet -wat hij nog niet had hoeven weten- dankzij een oudere zus, vroegrijpe vriendjes en films waar ook ik met hen naar kijk. De jongste draaft in deze slipstream mee en kraait er het een na het ander uit zonder ook maar enig besef van wat het betekent. Alleen soms verrast hij mij doordat hij het donders goed blijkt te weten ineens.

Het is in dat opzicht niet te vermijden en ook helemaal niet erg vind ik; laat ze in seksueel opzicht maar wijs zijn, zolang ze er ook enigszins wijs mee omgaan. Ze vernemen tenslotte ook dat kinderen zomaar verdwijnen en niet meer teruggevonden worden of wel maar dan dood, mensen elkaar afslachten in de naam van een of andere god en dat de wereld een blije plek is maar ook een donkere kant heeft waar bedrog, misdaad en intolerantie hoogtij vieren. Waar men voor beloond wordt ook nog, afhankelijk van de omstandigheden.

Liever leer ik ze door die onbegrijpelijk mix van paradoxale mindsets heen, hun eigen ideeën te vormen. Over wat okay is en wat niet. Wat door de beugel kan volgens henzelf en wat niet.

Om even terug te komen op de drie vragen die ik me stel. Op 1) weet ik het antwoord niet en zal ik ook nog even niet weten. De jolige bende is voor drie weken buiten mijn gezichtsveld. Maar ik ben geneigd mezelf ermee gerust te stellen dat 2) dit soort onderbroekenlol natuurlijk normaal is voor kleine kinderen en 3) het gewoon een lucky shot is en we daarmee uitkomen op 1) Jongste.

Deze conclusie is geruststellend en logisch. Het mannetje heeft voor de stokoude iPod die hij vond, en die nog bleek te werken, ook een wachtwoord ingesteld dat een directe verwijzing is naar zijn -hopelijk tijdelijke- fascinatie met het lijf, wat er uitkomt en wat er zoal aanhangt. Daar stonden we in de winkel waar ze het apparaat zouden nakijken en dus het wachtwoord nodig hadden. Met rode wangetjes van het zich betrapt voelen fluisterde hij het voor zich uit:

‘p..pz.k’.