Over crackers en irritante ouders

E93B7AA5-A605-47B7-A7DB-D2BF1510E7B5.jpeg

In het donker dek ik de tafel voor het ontbijt. Ik heb geen haast, hoef niet al te vroeg ergens heen dus doe dit op mijn gemakje, terwijl één puber in de badkamer scharrelt en de ander ergens ‘burpees’ ligt te doen. Kleinste hoeft pas over een half uur op te staan. Huiselijke vrede die ineens zeldzaam lijkt en waar ik heel blij van word.

Aangekomen bij het brood blijkt r nog slechts een halfje van het niet-verse soort te zijn. F*ck!, had ik gisteren moeten halen. Vergeten. Mijn hersens scannen de mogelijkheden:

  • Me snel aankleden en naar de bakker. Nee, geen zin in want dit betekent haast en komt neer op verbreken van mijn gevoel van vrede.
  • Puberdochter zo in één streep naar de bakker sturen. Nee. Dat betekent voorts een half uur chagrijn van het ergste soort. Met grootse zekerheid ligt mijn gevoel van vrede dan aan diggelen.
  • Puberzoon uit zijn burpee rukken en naar de bakker sturen. Zie hierboven.
  • Jongste eerder wakker maken en naar de bakker sturen. Ach nee. hij hoest heel erg en doet altijd al alles en ook nog best vrolijk, als ik hem dat vraag. Vind ik zielig. Vrede etcetera.
  • Ze doen het er maar mee, ik smeer extra lekkere bammetjes en voeg ter aanvulling wat alternatieven toe. Topplan! Dilemma opgelost. Knappe jongen die dan nog aan mijn hoofd komt zeuren.

Als jongste aan tafel zit, inspecteert hij zijn lunchbakje: “Dank je mam, voor mijn lunch. Maar ik mag alleen niet dat pakje crackers meenemen.”

Alert en met iets hogere stem: “Hoezo mag dat niet, wat is dát nou weer voor een onzin?!” *mooi dat ik mijn aanvulling niet zonder slag of stoot opgeef en al zeker mijn gevoel voor vrede niet…!*

“Nou, we mogen geen snoep of koek tussen de middag.”

Opgelucht assertief en strijdbaar wapper ik met mijn armen: “Aha, ok, ik snap het. Maar dit is geen koek, dit is hártig. Met een beetje zout. Net als een boterham met kaas dus. Gewoon lekker meenemen, laat ze mij maar bellen als er problemen zijn..!”

Hij gniffelt want weet nu al wie dat dan zou winnen, vredelievend als ik ben.

Als puberzoon even later vertrekt, vertel ik hem wat snoevend over het cracker-dilemma.

“Oh ja, ik weet nog dat ik dan op Fruítdag altijd braaf mijn fruitje bij me had maar heel veel kinderen gewoon koek of snoep. En daar zeiden ze nooit iets van, volgens mij. Maar ja, dat is voor een leraar ook wel lastig: het tegen een kind zeggen is lullig want dan voelt het kind zich rot en die ouders reageren vaak super irritant.”

“Hm? Ah ja, hmhm, jaa, héél irritant vaak, die ouders inderdaad. Beláchelijk …”

 

Al lachende zegt de zot zijn mening; want wie lacht is vrij

image

Tegen zoon van 13: “Hee vent, ik wil nog even terugkomen op gister. Ik zei tegen jou dat ik niet wil dat je me aankijkt alsof ik een boze heks ben. Jij gaf aan dat jíj dit niet denkt maar dat dit mijn eigen idee is. En je had gelijk. Ik vond mezelf op dat moment inderdaad onaardig. En omdat ik dat zèlf vond, dacht ik dat jij het ook vond.”

Een klein lachje op z’n gezicht, ogen kijken mij lief aan: “Ja mam, dat zei ik toch. Maar het geeft niet, hoor.”

Later vertel ik dit verhaal aan een meisje van 11. En moet lachen als ik vertel hoe mij liefjes de les gelezen werd.
“Dat is wel goed dat jij daar gewoon om kan lachen.” Ik zie een mengeling van een vraag en een lach op haar gezicht.

Met een knipoog maar tegelijkertijd ook serieus flap ik eruit: “Weet je, de dag dat je stopt met lachen om jezelf, is de dag dat je volgens mij beter vast in je kist kunt gaan liggen om te wachten op die eerste schep aarde.”

Een vertwijfelde blik. Ik meende het maar het was waarschijnlijk net iets teveel van het goede.

Als zij even later over leuke en niet-leuke leerkrachten vertelt en ik zeg dat ik overwogen heb juf voor pubers te worden, zegt ze: “Ik denk dat jij wel zo’n leuke juf zou zijn. Alleen dan wel ook een die moet lachen om zichzelf terwijl de kinderen het niet snappen.”

 

Right. Touché. 😄