Aubergine

De thermometer tikt de 40 aan. Wij hebben net een adembenemend kijkje genomen in de Mezquita Cathedral plus tuinen en zoeken nu een koeler plekje om weer op adem te komen.

De toog van de ‘taverna’ biedt die plek.

Een wat knorrige barman, die eigenlijk wil sluiten voor zijn broodnodige siësta, ontdooit als blijkt dat wij niet uitgebreid komen eten maar alleen een copa en een gazpacho Andalúz vragen. Dit staat in slechts een handomdraai klaar.

Rechts van mij zit een nogal corpulente en besnorde man in roze shirt. Hij oogt fris maar als hij tegen ons gaat praten, verdwijnt dat idee al snel door het onverstaanbare gepruttel waarbij zijn adem fluitend ontsnapt door de grote gaten tussen de nog wel aanwezige tanden. Mijn Spaans is behoorlijk op peil maar van hem versta ik vrijwel niets.

Hem maakt dit alles niets uit. Glanzend kijken zijn waterige oogjes langs mij heen naar de lange en breedgeschouderde extranjero die naast mij zit. Verrukt reutelt en pruttelt hij over de warmte, zijn Córdoba en de mooie blauwe ogen van mijn metgezel. Die met zijn hoed en zijn baard-van-een-week inderdaad wel wat wegheeft van Indiana Jones.

Ik buig mijn hoofd en realiseer me dat Cupido deze trotse Cordobez bij onze binnenkomst midden in het hart raakte. Mijn compañero kijkt mij ondertussen met zijn ‘ojos azules’ vragend aan; hij weet nog niet dat hij de hoofdpersoon is in het tussen 3 tanden door gezongen liefdeslied op rechts.

De barman ziet, hoort, verstaat wèl en gaat stoïcijns door met wat hij al aan het doen was voordat wij binnenkwamen.

De situatie duurt voort en voelt steeds ongemakkelijker. Voor mij omdat ik als vertaler word gebruikt maar niets versta en voor Indiana die nu doorheeft dat hij het onbereikbare liefdesobject van deze gepassioneerde goeierd is.

Dan ineens vat de door Cupido getroffene moed, klokt zijn laatste van inmiddels vele copa’s weg, rolt van zijn barkruk, grabbelt zijn aubergine mee en komt tussen ons in staan. Na een laatste, nu rechtstreeks aan Blue Eyes gerichte aria, waggelt hij zielsgelukkig de deur uit.

In zijn rug hoor ik hem denken (want nu versta ik hem ineens perfect): “Madre Dios, vandaag pakte het naar de markt gestuurd worden voor die ene aubergine toch maar mooi verdomd goed uit..”.

Hashtag NoFilter

“Ik wil graag weten hoe ik overkom. Want als ik binnenkom, wie zíet men dan? En als ik met iemand in gesprek ben, hoe percipieert die ander mij?

Want ik merk de laatste tijd dat gesprekken niet gaan zoals ik wil; het voelt stroever, ik heb minder grip. Al een paar keer nu was ik aan het einde van een gesprek zo ver dat ik dacht: “Zo, nu kunnen we er een klap op geven!”, was zeker dat die ander daar ook was en dan toch … niets. Ga ik met lege handen naar huis en een vraagteken boven mijn hoofd. 

En dat laatste vind ik misschien nog wel het ergste. Want welke signalen mis ik? Waar neem ik de verkeerde afslag? En wat doe ik zelf dan niet goed, dat ik de onderhandeling niet naar verwachting afrond?”

Tja. Lastige vragen, zeker als iemand gewend is vanuit zijn beleving de controle te hebben over situaties. En er van uitgaat dat hij de richting bepaalt.

We plannen onze gesprekken in en gaan aan de slag. Ik lees zijn gezichtstaal en neem hem mee in wat hij non-verbaal doet: alle microbewegingen van zijn oogleden en wenkbrauwen, het slikken, het vele knipperen en het naar boven wegdraaien van de ogen bij het denken en praten tegelijk. Ook zijn posture, de manier waarop hij zijn lijf draagt en wat dit alles doet in het contact met die ander.

Wat ik zie, is dat hij veelvuldig uit het contact gaat. Met zichzelf en daarmee dus ook in de interactie. Hij neemt fysiek afstand, door tijdens het gesprek zijn hoofd wat naar achteren te hellen waardoor zijn kin de lucht in gaat. En als hij echt op dreef is, sluit hij zijn ogen vaak voor langere tijd terwijl hij praat, waardoor hij het contact ook letterlijk onderbreekt. Dan is het hele concept van verbinding maken en het elkaar echt verstaan, inderdaad erg lastig.

Het effect van zijn non verbale uitingen is dat er een bepaalde ongrijpbaarheid en afstandelijkheid van hem uitgaat. Logischerwijs ontstaat bij een gesprekspartner dan de vraag en twijfel: “Hoeveel investeert hij nu echt: wat en hoeveel van zichzelf legt hij hierin en waarom zou ik dan willen investeren in deze relatie?”

Ik beluister zijn narratief op woordkeuze en toon en zet dit af tegen wat ik zie. Ik check wat ik kan opmaken over wie hij is, wat zijn gedragreflexen zijn en wat hij zelf nodig heeft. Ik vraag. Heel veel. En luister goed naar wat hij vertelt.

Op basis van waar hij allemaal mee komt, begeleid ik hem tijdens onze gesprekken in een aantal visualisaties, ademhalingsoefeningen en specifieke mentale oefeningen waar hij zichzelf straks mee kan voorbereiden en die hem helpen in de juiste ‘stand’ te gaan staan. Namelijk die stand waarmee hij optimaal present is in iedere interactie.

Hij leert wat er gebeurt als hij in zijn reflexgedrag schiet en wat de impact daarvan kan zijn op degene(n) met wie hij praat, Welke boodschappen hij uitzendt en in welke mate die af en toe incongruent zijn met wat hij zegt maar zéker met wat hij over wil brengen: namelijk het vertrouwen wekken, open en benaderbaar zijn en het waard zijn om in te investeren. Ook op persoonlijk niveau.

Een paar dagen na ons laatste gesprek krijg ik een opgetogen telefoontje: “Ik heb zojuist een droomopdracht binnengehaald! Dank je wel.”

Wat precies maakt dat het hem nu wel lukte; lag dat allemaal aan onze gesprekken?

Lastig zo even te stellen. Dat zou ik ook niet zomaar doen, want de allerbelangrijkste factor van succes is degene met wie ik werk zelf. Altijd.

Wat ik wel weet is dat na onze gesprekken mijn opdrachtgever zichzelf zo goed verstond dat het hem in staat stelde zichzelf ook zo over te brengen.

En precies dat is waar ik het voor doe.

Basis

“Waar haal jij je inspiratie uit, Alexa?”

Om eerlijk te zijn, veel van mijn inspiratie komt voort uit het dagelijks leven. Omdat het dagelijks leven ons onze werkelijke basis toont. Onze basis zoals wij die ten diepste ervaren. Vaak onbewust.

De manier waarop we staan en ons lichaam dragen, onze reflexen, de impulsen en regulaties die we met ons gezicht laten zien, ons binnen en buiten, de wijze waarop we wel of niet tot (inter)acties overgaan. Totaal fascinerend.

Maar mijn puurste, rijkste en meest diepgevoelde inspiratie komt van degenen die het allerdichtst bij mij staan. Het hart van mijn dagelijks leven.

Door de manier waarop zij helemaal zichzelf schijnen te zijn, ongeacht het gegeven dat ze dezelfde achtergrond hebben, opvoeding en sociale omgeving.

Ik bewonder hun unieke natuur waarin zoveel voor mij te herkennen valt maar ook nog zoveel meer te ontdekken en leren.

Neem nou deze baas. Hij kiest ‘de barre’ als vriend (en vijand). Dapper en de doorzetter die hij is, zal het hem binnenkort zeker lukken om zijn voet op de bovenste stang te leggen.

Onvermoeibaar en niet gestoord door anderen, gaat hij door. Soms met koele berekening en vooraf bedachte strategie. Vaak ook gewoon, zó. Af en toe woest en ziedend om dat het niet snél genoeg gaat. Maar door gaat hij want opgeven zit er niet bij.

Ik weet dat omdat ik hem ken.

En daarnaast zie ik het in zijn ogen en zijn rechte schouders.

❤️

Knop

Regelmatig lees ik over hoe kinderen van gescheiden ouders moeten (ont)wennen op wisseldagen; als zij van vader naar moeder gaan en andersom. En dat dit inhoudt dat die kinderen op zo’n dag meer in zichzelf gekeerd zijn, afstandelijker. Ook naar andere betrokkenen, zoals de nieuwe liefdes die er misschien zijn.

Ik heb daar nog nooit iets van gemerkt bij mijn kinderen maar vraag het me nu ineens af: hebben zij daar soms ook last van? Ik besluit het ze maar gewoon te vragen.

“Hee lieverds, hebben jullie op de dagen dat je van papa naar mij gaat of andersom, last van ‘moeten wennen’ of een gevoel dat het moeilijk is om ineens bij de andere ouder te zijn. En dat je je daardoor even wat stiller voelt of merkt dat je even niet weet waar je staat? Ik denk dat het voelt alsof je van binnen je armen stevig om jezelf heen slaat.”

3 paar ogen kijkt mij aan van boven hun borden: “Huh?”, “Euh..”, “?”

“Mam! Wat bedóel je?”

“Ik lees en hoor dat best vaak: dat het voor kinderen lastig is als ze van de ene ouder naar de andere gaan, van het ene huis naar het andere. Misschien zelfs van het ene leven naar het andere leven. Ik vroeg me dus af, aangezien jullie ook steeds moeten wisselen, of jullie dat herkennen?”

Even is het stil. Drie hoofdjes denken, drie lijfjes voelen.

Oudste: “Nee, daar heb ik helemaal geen last van. Het is bij jullie precies hetzelfde; even fijn.”

Middelste: “Ehm… nee. Totaal niet herkenbaar. Het huís is wel anders, maar het vóelt niet anders.”

Jongste: “Nee hoor, mijn leven gaat altijd door. Gewoon hetzelfde.”

Ik voel opluchting, mijn angst is toch altijd dat ik de dieper gelegen, echt wezenlijke dingen bij hen mis: “Daar ben ik blij om zeg, dat is fijn voor jullie.”

“Maar mam, hebben echt veel kinderen dat wel? Ik snap niet waarom?! Dat vind ik zielig voor die kinderen.”

“Ik weet ook niet precies waarom dat is, ik ken het niet vanuit mijn eigen situatie maar kan me er wel iets bij voorstellen. Kun je bedenken waardoor het zou komen?”

Middelste: “Ik ken een jongen die dat heeft, hij heeft me dat verteld. Hij zei dat het kwam omdat zijn ouders niet goed met elkaar omgaan en niet aardig over elkaar praten. Daardoor weet hij niet wat nou waar is en wat hij kan geloven. Hij zei dat hij daarom twee knoppen in zijn hoofd heeft: één voor bij zijn vader en één voor bij zijn moeder. Ik vroeg welke knop dan zijn echte was. Toen zei hij dat hij zijn eigen knop kwijt is.”

We zijn er stil van, ik weet niet wat ik moet zeggen, voel me enigszins verslagen en kijk naar beneden, in mijn bord. Als ik weer opkijk zie ik drie paar peinzende ogen. Dan spreekt jongste voor de hele set:

“Ik vind het ook heel fijn voor ons dat wij onze eigen knop gewoon hebben…”

Van nature

Middelste, zelf C-speler, is gevraagd mee te spelen bij B1. Terwijl hij me dit vertelt kan hij zijn trots niet verbloemen. Terecht.

Op het moment van vertrek echter, is daar ineens vertwijfeling, hij blijft op de drempel staan, wel-niet-wel-niet, voeten weigeren dienst: “Ik wil denk ik niet …”.

Herken je dat? Ineens die twijfel of je het wel kunt. En dan het idee opvatten dat het beter is om niet te gaan, zodat niemand ziet dat jij helemaal niet goed genoeg bent.

Ondermijnende zelftwijfel met als ultiem jammerlijke uiting de zelfsabotage.

Het heeft weinig zin hem nu aan te moedigen met dwingend ‘motivational’ zinnen als: “Jawel joh, jij kunt het!! Ze hebben jóu toch maar mooi gevraagd?!” Het stemmetje in z’n eigen hoofd is voor nu even harder en scherper. Beter is het stil te zijn, te wachten op wat van hem uit nu komt en daarop liefdevol te reageren met een klein duwtje. Gentle nudging, zogezegd.

Dan komt zijn kleine broertje erbij die geboren is onder het gelukkige gesternte van iemand die per definitie ervan uitgaat dat het hem lukt. Kennelijk heeft hij de hele scène vanachter zijn ontbijtbord met interesse gevolgd en weet precies wat hem te doen staat: “Weet je wat het is? Je moet er niet zo over nadenken. Je moet het gewoon DOEN!”

Irritant maar effectief wakker geschud door het in zijn ogen kleine, stink-eigenwijze etterbakje, draait hij zich snuivend om, stapt naar buiten en trekt de voordeur met ‘n klap achter zich dicht.

Hm. Tsja. Goed.

Hij kan ervan vinden wat hij wil, maar díe drempel is in ieder geval geslecht.

😎

Verpletterend

Zondag

Moederdag

09.17 uur

Ik hoor de deur naast mij zachtjes opengaan. Mijn oudste, m’n lieve lieve dochter, staat op en hoe dromerig en wazig of in ieder geval niet erg alert ík haar soms ook vind, zij heeft de lead in alles wat mijn drietal samen onderneemt en besluit.

Altijd.

De twee broers kunnen hoog springen en laag, ze kunnen de illusie hebben van inspraak; áls het al zo is, dan is deze zeer beperkt.

Zij beslist.

Vandaag maken ze samen mijn ontbijt, op een vooraf strak geregisseerd tijdstip, waarbij rekening gehouden is met:

– mijn altijd sowieso wakker zijn rond half 7 (“dat is best wel irritant, mam”) en dus op een gegeven moment knorrend maagje

– het feit dat middelste naar zijn WingChun training moet en

– hun aller mogelijkheid tot íets van uitslapen.

Meer dan terecht ook dat laatste, vond ik toeschietelijk toen ze mij gisteren op de hoogte brachten van hun planning.

Voordat ze naar beneden gaan, komen ze ineens met z’n drieën mijn kamer in: “Happy Momsday, mam!”

Jongste als altijd voorop als geboren stralend middelpunt en showmaster, daarna Oudste die haar broertje dit meestal gunt omdat ze weet dat als het er op aankomt, zij hem met 1 blik en woord naar achteren kan dwingen en als laatste Middelste, die altijd even wacht op welke ruimte voor hem overblijft. Niet omdat hij zielig is maar omdat hij heel veel rekening met een ander houdt. Teveel soms, wat mij betreft, en zie daar nog een klein taakje voor deze moeder.

Ik neem de 3 paar uitgestrekte armen gulzig in ontvangst en druk al die mooie, warme, mij zo ongelooflijk lieve lijven tegen mij aan. Ik snuif hun zoete geuren op die ik uit duizenden zou herkennen en neem met grote teugen alles op wat ik voel en krijg. Wat een geluk, deze enorme hoeveelheid mens bij elkaar wat nog maar nauwelijks tussen mijn armen past. Mijn grootste cadeau.

Overmand door liefde en om mezelf te bewijzen dat het heus nog wel makkelijk past, druk ik ze nog wat steviger tegen mijn borst en adem hen nog eens extra diep in terwijl ik bijna verdrink in mijn gevoel.

…..

“Mám…. Ik word geplet … auw …. mam … ik krijg geen adem …”

…..

Oh. Ja. Nee.

Met een zucht laat ik los.

Opge-lucht en met een aai over mijn vogelnest laten ze me achter.

“We roepen je zo, mam. Voor jouw ontbijt.” En weg zijn ze.

❤️

#happymomsday

T.M.I.

“WIJ RIJDEN MET JOUOUOU MEEEEE!!!”

Aankomend op het schoolplein, zijn de meeste ouders al met hun lading 7de-groepers op weg naar hun auto. Ik ben er, denk ik, stipt op tijd maar dat blijkt ternauwernood te zijn.

Afijn.

Een aantal tien- en elfjarigen rent op mij af. Mijn eigen kind rijdt niet met mij mee maar met zijn vader. Wij hebben ons per ongeluk allebei opgegeven. Komt prima uit, er zijn nu precies genoeg plekken om dit natuur-uitje door te kunnen laten gaan.

Mijn lading bestaat uit drie vriendjes van mijn zoon, enthousiaste en prepuberale mannen. “Kom maar mee, heren, dat daar is mijn auto, die blauwe!”

JEEEEEE, MAG HET DÁK NAAR BENEDEN?! JAHOEOEOEOE, DIT IS DE COOLSTE AUTO, WIJ ZITTEN IN DE COO-HOOL-STUHHHH!”

Toegegeven, het ís ook heerlijk: dak naar beneden, wapperende haren. Ik doe het niet vaak genoeg, vind het al snel te koud door de wind of veel te bloody warm in de bakkende zon. Ergo, ik ben een zeurpiet. Hup, open dat dak! Al zoevend moet ik lachen om het drietal dat luid joelend, zwaaiend naar anderen en genietend achterin zit.

“JA, HAHAHA, DAT WIST JE NOG NIET MAAR WIJ KUNNEN HÉÉL WILD DOEN!!”

“Not to worry, vriend, dat was mij direct al volstrekt duidelijk. Júllie doen wild en ik ben streng, dus: ogenblikkelijk op je billen gaan zitten en níet gaan staan terwijl ik rij, alsjeblieft. Zitten en je riem om. Lawaai maken is prima, levensgevaarlijk stunten doe je maar bij je eigen moeder in de auto.”

Lachend gaat de bende zitten en even later wordt het stiller. Met af en toe wat gegiechel. Dan ineens hard gegiechel en ik hoor een van hen zeggen: “Hoe harder een vrouw kreunt, hoe groter het genot bij alle betrokkenen (behalve de buren).”.

Naast mij slaat mijn bijrijder alsnog bijna overboord van lamlendig-makende slappe lach terwijl zijn wangen helderrood kleuren. Achter mij nu keihard gegiechel: “Zorg dat je slim sekst. En je kunt niet genoeg seksen, dus doe het zo vaak als je kunt en doe dan vooral veel wilde spelletjes met elkaar. Hou je sokken aan voor een gegarandeerd orgasme.

“WHAHAHAHAHAHAHAHAHAHAAAHHH!!”

Naast mij heeft het niet meer. Paars aangelopen houdt hij het midden tussen schaamte, opgewonden pre-puberale stoutigheid en pure pret, en hangt inmiddels half over het portier-zonder-raam naar buiten. Ik heb moeite mijn ogen op de weg en de boel in de auto in het gareel te houden. Wat ís dit zeg, waar hebben die types het over!?!

Triomfantelijk wappert degene achter mij een blad in mijn gezicht: “Dit ligt in jóuw auto! En ík lees er gewoon uit voor!”

Met geoefende hand trek ik razendsnel het blad uit zijn handen en scan in een oogopslag het voorblad. Oh jee, de Quest met een artikel over 10 Wetenschappelijke Tips om Slim te Seksen. Sommige ervan kende ik ook nog niet: bak een taart en draag sokken!?

Ineens gaat nog een lampje branden, vandáár dat mijn eigen mannen laatst zo helemaal stil waren tijdens een lange autorit.

“Mogen we dat blad nu weer terug?”

“Nee jongens, genoeg geleerd over seks weer voor vandaag. Ik ben bang dat jullie ouders mij anders zullen kielhalen vanwege de ‘TMI’.”

Teleurgestelde geluiden achter mij maar naast mij gebeurt iets anders; terwijl ik het woord ‘seks’ uitspreek, sterft mijn naaste bijrijder happend naar adem definitief van ellende.

Ik leg mijn hand geruststellend op zijn rug en maan de achterbank: “Heren, jullie vriend heeft mond-op-mond beademing van iemand nodig, ik ben bang dat de spanning hem teveel is geworden… Wie van jullie wil dat doen, ik moet namelijk echt goed op de weg letten.”

In de achteruitkijkspiegel zie ik twee paar groot geworden ogen zoeken naar de mijne: Meent ze dit? Gaat het niet goed met hem? En moeten wíj hem nu mond-op-mond- beademen…?!?!”

Ik kijk ze even quasi-ernstig aan en geef ze dan een knipoog. Beide sluiten hun ogen van opluchting en zakken achterover. Naast mij komt langzaam bij en overeind.

De overige twee minuten tot de parkeerplaats van het natuuruitje voltrekken zich in voor mij fijne en door hen ingehouden stilte.

Als we zijn uitgestapt, valt het een andere ouder op dat mijn ladinkje zulke heerlijk rode wangen heeft: “Echt fijn hoor, zo’n cabrio, krijgen ze meteen kleur van op die bleke toetjes.”

“Hm-hm..”

Heerlijk inderdaad, top-begin van dit Natuur-uitje.