Ik kan dat omdat ik het wíl

meliteren-kunnen-willen-spruitjes-spiegels-mamablog

“Eerst vond ik het saai maar nu wil ik wel met jou mee doen met ‘méli-téren’, mama. Omdat ik hoorde dat ik dan kan leren om energie te verplaatsen. Dat wil ik! Want als ik heel moe ben, bijvoorbeeld als ik met jou mee móet boodschappen doen ook al heb ik daar helemaal geen zin in, dan kan ik bij andere mensen energie weghalen en naar mij verplaatsen. Dan ben ik tenminste nooit meer moe!” *Geeft een paar karatetrappen in de lucht*

En verdraaid, vanavond zit hij naast me. In het begin draaiend en zuchtend. Maar dan houdt hij, die normaal nog geen 3 seconden in één houding kan zitten, het 15 hele knappe minuten vol. Vrijwel stil en in relatieve rust.

Wanneer ik hem hier na het de-tijd-is-om-belletje bewonderend mee complimenteer, kijkt hij me recht aan: “Dat kan ik, mama, omdat ik het wíl.”

Wat een wonderlijk mooi lesje krijg ik, op deze ogenschijnlijk heel gewone zondagavond.

“Is hij nou mijn stief-váder?” en andere enge vragen bij een nieuwe liefde

IMG_9909

En toen was er nieuwe liefde in mijn leven. Heerlijk maar ook spannend. Beiden komen we met kinderen, exen, ouders en andere aanverwanten. It’s a first voor ons en ook voor hen. En dat maakt dat af en toe enge vragen worden gesteld.

Vragen waarbij mijn mond wel opengaat maar er slechts vage woorden of niet-determineerbare klanken uitkomen. Antwoorden waar niet zo heel veel touw aan vast te knopen valt.

Help!

Waarom vind ik het enge vragen? Omdat ze me eraan herinneren hoe het eerder ook misging en niet alleen ik maar ook anderen daar heel verdrietig van waren. Omdat ik merk dat er derden zijn die niets met onze liefde te maken hebben en wel onlosmakelijk zijn verbonden met onze relatie. Omdat het prima is dat je eígen kinderen soms zien, horen en dus weten dat jij een boze moederheks kunt zijn, maar heel zielig voor andermans kinderen.

En overall omdat het hartstikke kwetsbaar voelt: het managen van andermans verwachtingen wanneer je ze juist zelf probeert níet te hebben en het dealen met andermans angsten als je die van jezelf nog tracht het hoofd te bieden. Ja, wat mij betreft ernstig enge vragen dus:

Mama, wanneer gaan jullie trouwen?

Mijn jongste van 7 mist iemand in een 1-ouder gezin. Slechts één groot mens in huis past niet in zijn utopische plaatje van hoe het ’t beste toeven is. Natuurlijk wil hij dat papa en mama gewoon gezellig samen in hetzelfde huis wonen maar als dat niet kan, dan is de tweede beste oplossing een andere leuke volwassene. Dus wat hem betreft geldt: niet te lang dralen, the more the merrier, vooruit met de geit. Praktische bezwaren doet hij sowieso niet aan en dat zijn moeder enkele mentaal-psychische ‘beertjes’ op haar weg treft, is niet iets om met hem te bespreken. Dus blijf ik hangen in een “Eehmm, tsjaa, nou, haha”-achtig non-antwoord. Ik kom ermee weg maar weet niet voor hoelang dat zal zijn.

Hou je wel het belang van de kinderen goed in de gaten?

Deze vraag is mijn achilleshiel pur sang. Want als ik íets doe in het hele proces van moeder-zijn, scheiden en nieuwe relaties hebben, is het mezelf schuldig voelen naar de kinderen en hen op de eerste plaats zetten. Ik moet eerder uitkijken dat ik mijzelf hierin niet voorbijloop of vergeet, dan dat ik niet über-zorgvuldig handel in het belang van mijn kinderen. Ja, óók als ik verliefd ben. Iedereen die mijn verhalen leest of kent, weet dat en de vraagsteller van deze vraag zou het zéker moeten weten. Het is goed bedoeld en ook vanuit zorg voor het kroost gesteld, desalniettemin ga ik er lichtjes van in steigerstand.

Het is er toch niet wéér een die direct wegvliegt?

Sinds ik hiervan ben bijgekomen, zie ik in dat de vraag voortkomt uit lieve betrokkenheid. De relaties die ik tot nu had, waren lang genoeg om mijn ouders ervan op de hoogte te stellen. Maar hen kennis laten maken met desbetreffende “beau”, daar kwam het niet van. Nu wel. Maar mijn ouders hechten zich ook aan mensen. Een ‘nieuwe’ ontmoeten, betekent voor hen dus dat zij zich weer open zullen stellen en daarmee ook het risico lopen van afscheid nemen. Maar ja, ik doe niet meer aan garanties waar het de zaken van het hart betreft. Dat heb ik geleerd. Dus mijn antwoord is: “Vandaag is het goed. En morgen vast ook.”

Blijft je bij ons slapen?

Natuurlijk blijf ik bij hem slapen. Maar nog niet als zijn kinderen thuis zijn. Het idee van 24/7 meedraaien in een gezin dat niet het mijne is of opstaan en dan met een soort vogelverschrikkershoofd de rest van het huishouden de stuipen op het lijf jagen: ik ben daar niet aan toe! Mijn zelfbewustzijn zou overuren draaien. Ik heb nog even tijd nodig en het ongecompliceerde van ‘just the two of us’. Heel moeilijk om uit te leggen aan kinderen die mij met open armen ontvangen. Het ligt aan mij lieve schatten, alleen aan mij!

Is hij nou mijn stief-váder?

Mijn middelste is degene die het meeste tobt, denkt, voelt en bij anderen stil staat. De blik in zijn ogen zuigt mij mee naar zijn beleving: wat moet hij hier nou écht van vinden? Deze nieuwe man, hoe leuk ook, is die er in plaats van mijn vader? Is hij nu de Man in Huis? En als ik hem leuk vind, pleeg ik dan een vorm van verraad aan mijn papa?

Ik stel hem gerust door te luisteren en te beamen dat er maar één papa is voor hem en dat alles wat hij voelt of denkt goed is. Ondertussen denk ik bij mezelf: ik vind het veel te fijn om alleen te zijn en mijn eigen ding te regelen en doen. Geen afhankelijkheid maar de Vrouw in Huis!

Enge vragen zetten aan tot moedig zijn

Deze vragen dwingen mij naar de toekomst te kijken. Ooit deed ik dat al en kreeg ik het deksel op mijn neus. En nu zie ik wat er gebeurt! Ik ben bang geworden: bang om op te geven wat ik verworven heb, bang om niet geaccepteerd te worden, bang voor -weer- pijn en verdriet. En dus verschans ik me in mijn nieuwe comfortzone en hou ik niet van enge vragen die me daaruit trekken. Maar de andere betrokkenen zetten mij zo terecht aan tot moedig zijn. Voor hen en ook voor mezelf.

Dus, let’s do this. Nieuwe liefde: inderdaad heerlijk en inderdaad heel spannend. Kom maar op met je enge vragen!

 

 

Discipline is ook: stoppen vóórdat je een ongeluk begaat

Avonturier

Het is vakantie. Zij hebben vrij, ik niet. Een ingewikkelde combinatie die de ene dag beter werkt dan de andere. Het einde van de week nadert en we did it maar de rek is er absoluut uit.

Aan mijn voeten onder de tafel waar ik achter mijn laptop vooral in de ochtenduren zit te werken, is een wereld verrezen van helden en boeven, kastelen en kerkers. Een permanent gefluister gaat ermee gepaard en af en toe ineens een harde “Whammm, jij bent dood, zei Thor!” “TRRRRRTTTTTT, Bam, BAM” van machinegeweren en ander wapen arsenaal.

Fijne flow

Ik had het zelf niet verwacht vanwege alle oorlogstuig, maar zijn gespeel heeft een weldadige werking op mijn energie en creativiteit. Waarschijnlijk omdat hij zo in flow is met wat hij doet, dat het mij meeneemt. Ik kan hier eindeloos en heerlijk op werken!

Focus? Net een vent

Als hij maar niets tegen míj zegt. Want dan moet ik schakelen en dat kan ik niet. In ieder geval niet als ik in volle concentratie trainingstrajecten uitwerk, coaching sessies voorbereid of teksten schrijf. Ik weet niet wie ooit geroepen heeft dat vrouwen 6 dingen tegelijk kunnen en of dat echt zo is. Ik behoor in ieder geval niet tot die gelukkige super-soort. Sterker nog, ik ben waarschijnlijk erger dan menig kerel: ik kom pas dan tot het optimale hersenwerk wanneer ik ook echt kan focussen. Het enige voordeel hier is, dat ik me er terdege van bewust ben.

Bro’s will be bro’s

En als nu maar niet zijn grote broer erbij komt, want dan verdwijnt zijn speelflow en verandert de energie van zacht stromend naar die van: wij-zijn-jongens-en-broers-dus-nu-moeten-we-stoeien-maar-weet-je-wat-laten-we-daarbij-Heel-Veel-herrie-maken-en-als-we-dan-toch-bezig-zijn-elkaar-even-in-elkaar-trimmen’.

Kill me

Op zo’n moment is het ogenblikkelijk gedaan met mijn rust en daarmee mogelijkheid te doen wat ik moet doen vanachter mijn computertje. Maar helaas, ik hoor boven al gestommel. Dus ik doe wat voor nu even het beste is: ik stop met werken, Vóórdat ik ertoe gedwongen word en zij geconfronteerd met de mommy from hell waarin ik dan weleens verander. Met het einde van deze werkweek is de kans daarop groot want de rek is er als gezegd uit. Ik doe iedereen een plezier: ik stop.

Teamwork

Op deze manier moeten werken vergt discipline, van ons allemaal. Van mij om zo effectief mogelijk de uren te pakken waarop dit het beste kan. Van hen om zich tegen hun natuur in, in te houden of zich schaars te maken en om niet mijn aandacht te willen. Allemaal even ingewikkeld. En ik ondervind nu dat het ook discipline vergt om tijdig te stoppen; dus vóórdat ik verander in die grote, boze moederheks.

Een avonturier

Het aapje aan mijn voeten heeft direct door dat mijn vibe verschoven is en komt onder de tafel vandaan.

“Mama? Thor wint! Hij heeft het zwaard dat in een vliegtuig kan veranderen en zelf heeft hij de superkracht van de allersterkste!”

“Wat heerlijk liefje, hoe jij die avonturen verzint en maakt. Ik vind het een feest!”

“Já. Daarom word IK dus ook avonturenmaker als ík groot ben…!”

 

Oké. Point taken.

 

 

Vertrouw je me als ik je zeg dat het beter wordt?

Shoot

Zijn papa en mama gaan niet meer samenwonen. Hij weet dat wel maar hij wíl het niet weten. Zo’n moment en gesprek dat alles in mijn buik even samenknijpt van onmacht, omdat ik dit verdriet niet voor hem kan oplossen.

Op zich gaat het goed. Heel goed, er is zelfs ruimte ontstaan voor nieuwe liefdes. Iedereen gaat fijn en harmonieus met elkaar om. Beter in ieder geval dan toen we nog samen waren. Maar uiteindelijk maakt dat in de ogen van de jongste van 7, helemaal niets uit.

Het is in zijn beleving allemaal leuk en aardig maar de gedachte dat zijn ouders bij elkaar moeten wonen, geeft hij niet op. Toen niet. Nu niet. En waarschijnlijk nog heel lang niet.

“Mama? Jij en papa hebben eigenlijk nooit meer ruzie, hè?!”
“Nee, dat klopt baasje. Dat is fijn, vind je niet?”
“Ja. Dan kunnen jullie dus weer bij elkaar gaan wonen!! Toch?”
“Lieverd, ik weet dat dit is hoe jij het wil. Maar dat is niet hoe het gaat.”

Schoudertjes zakken, koppie hangt. Ik neem hem op schoot. Middelste van 11 die het gesprek van een afstandje bekeken en beluisterd heeft, laat zich horen:

“Eigenlijk hè, mam, vind ik het niet meer zo heel erg, nu. Omdat het wel goed gaat zo en fijn voelt. Jullie zijn gewoon als goede vrienden en we gaan zelfs wel eens met elkaar op vakantie. En we kunnen met z’n allen op de verjaardagen zijn.”

Ik glimlach naar hem. Blij met zijn relativering en dat hij zich senang voelt. Echter no can do voor zijn kleine broertje:

“Nou. Maar ík wil gewoon dat er twéé ouders in mijn huis zijn. Niet in elk huis maar één! Bij papa is er dan niemand, want hij werkt. En bij jou ben jij er maar jij zit achter je computer. Ook aan het werk. Of je schrijft. En ik wil dat iemand spelletjes met míj doet! Hadden jullie niet kunnen wachten met scheiden tot ik iets ouder was?!”

Het overspoelt me, dit alles zo tegelijk. Het schuldgevoel. Het onvermogen. Het ik-doe-het-allemaal-niet-goed-genoeg. Het oneerlijke omdat als we nog wel bij elkaar zouden zijn, het niet anders zou zijn: vader aan het werk en moeder ook. Maar leg hém dat maar eens uit.

Hij begint te huilen. Hij wíl gewoon even heel hard huilen. Normaal lopen de tranen vanzelf uit zijn ogen, nu perst hij totdat ze rollen. En dat is helemaal oké, bij mij zit het ook hartstikke klem. Dus huil jij maar, lief mannetje, van binnen huil ik met je mee.

“Kijk mij eens aan, vent. Vertrouw je me als ik je zeg dat ik mijn best doe? En dat het beter wordt? En dat wij allemaal heel veel van jou houden, maakt niet uit wie waar woont?”

Zijn ogen zijn vol maar hij knikt. Godzijdank, hij knikt…

Het gevoel van een kind, hoe irreëel ook: het is er. En moet er mogen zijn; als kind slik je al zoveel weg omdat je je ouders niet wil kwetsen. Ook als de ouders zelf vinden dat ze het goed doen. Dus ik vraag en ik luister. Maar godjezusallemachtig, wat pijnlijk is dat soms.

Hee klein meisje met je blonde krullen

schommel

Wat kijk je verdrietig. En een beetje schichtig en beschaamd.

En wat kan ik me dat goed voorstellen. Zou ik ook hebben als ik jou was geweest. Zo klein, ik denk dat je 6 bent of misschien pas 5, tussen twee best grote mensen die zo hard tegen elkaar staan te schreeuwen op straat.

Zijn zij jouw papa en mama?

Ik zie dat jij mij ziet kijken. Heel even kijk je me recht aan en mag ik de diepte zien van jouw lieve oogjes. Dan net zo snel gaat er een gordijn overheen. Dicht gaan ze en weg kijk jij.

Wat zou ik jou graag een aai over je in de wind dansende krullen-bolletje geven.

Je zet een voorzichtig stapje, twijfelend over of je dichter naar het lawaai toe zal gaan of juist liever wat verder er vanaf. Je staat al een beetje op straat. En, oh jee, je struikelt in je ongemakkelijke beweging over je eigen voetje en komt daardoor verder de straat in gevallen.

Ik zie de auto, geef een waarschuwende roep en maak daarbij een zwaaiende beweging met mijn boodschappentas. Alles valt op de grond. De grote mensen stoppen nu even met schreeuwen en je papa pakt jou gelukkig net op tijd bij je arm. Opgelucht haal ik adem. Wat zal jouw mama blij zijn dat je weer veilig naast haar staat.

Maar ik snap het ook als jij nu niet zo goed begrijpt waarom je papa tegen jóu begint te schreeuwen. En daarbij heel hard aan je armpje trekt. Dat doet vast pijn. Ik denk dat hij misschien erg is geschrokken. En ik denk ook dat hij je direct heel veel kusjes en knuffeltjes geeft. En lieve woordjes als troost. En anders doet je mama dat zeker. Zij is wel ineens weggelopen maar ze komt vast zo terug. Hoop ik.

Eigenlijk wil ik aan je papa vragen of hij stopt met tegen jou te schreeuwen. En jou vertellen dat het allemaal heus goed komt. Maar ik weet niet hoe. Ik denk dat ik bang ben dat je papa tegen mij gaat schreeuwen. Dus ik zeg niets. En dat voelt rot. Ik heb er zelfs een beetje buikpijn van.

Ik raap mijn spullen van de grond en doe ze weer in mijn tas. Ik kijk nog even naar je. Jij kijkt niet meer terug.

Wat hoop ik dat iemand jou vandaag nog gaat vertellen dat er heel veel van jou gehouden wordt. Gewoon omdat jij bent wie je bent. Een lief, klein, blond meisje met huppelende krullen.

En nu wil ik graag naar huis. Naar mijn eigen kinderen. Om hen te vertellen hoe ontzettend veel ik van ze hou. Gewoon. Daarom.

Dag meisje.

 

El condor pasa

ECP

“Slaap lekker, lief mannetje. Nog maar eventjes en dan gaan we op avontuur.’

“Mama? Kom jij nog even hier naast mij liggen? En dan vertel je over toen jullie in Afrika waren. Over die olifanten en die héle vieze wc en de kano die bijna zonk..”

Ik ga naast hem liggen, alweer verkocht door de schittering van griezelend genot. En ik vertel.

Al vertellend dik ik aan dus op het laatst reden wij op de olifanten over de steppe, toegejuicht door de leeuwen. Zonken we maar werden we gered door een lief nijlpaard met een hele grote bek. En was de plee in Afrika nóg viezer dan die toen in de Andes waar ik nu met hen naartoe ga.

Kronkelend van anticipatie en mij 60 keer in de rede vallend met vragen, is het tenslotte genoeg voor mijn kleine vriendje. Vlak voordat hij naar zijn dromenland vertrekt, kijkt hij mij aan met ogen die overlopen van blijdschap.

“Maar mama, weet je? Het allerleukste vind ik dat als we in Peru naar de jungle gaan, dat papa er dan ook is. Dan gaan we met z’n alle-máál!”

Zielstevreden vertrekt hij. En weet ik waar wij het voor doen; het over alle schaduwen heenstappen en ondanks het niet meer samen-zijn, wel nog samen kleine feestjes vieren.

Geluk hoeft niet zo moeilijk te zijn. Het is eigenlijk heel dichtbij.