Het lot van de jongste bediende

image

Het is avond maar nog warm: ‘Kom mam, we gaan even vissen!’

Alle drie hebben ze een hengel maar alleen die van de jongste is op en top in orde. “Ik vind vissen echt leuk, mama! Alleen het állerleukste is het gooien en iets vangen.” En hij zwiept zijn armpjes naar achter voor een reuzenzwaai.

Middelste houdt hem middenin zijn beweging tegen: “Nee man, dat moet anders!”, en hij probeert de hengel over te pakken om het ‘goed’ voor te doen. Meer dan geïrriteerd verzet mijn jongste zich.

Wat volgt is geruk en getrek en ik vrees voor deze nu-nog-picobello-hengel. Middelste ziet dit ook in, hij laat het los en gaan. Snuivend werpt Jongste zijn hengel alsnog op zíjn manier uit. Ik applaudisseer; het is een werkelijk prachtige worp.

Ineens trekt een schaduw over zijn gezichtje. Gedemotiveerd haalt hij de lijn weer binnen en zakt in kleermakerszit op de planken.

“Wat is er, vent?”

Hij zucht en laat zijn schouders en koppie wat hangen:

“Soms snapt níemand hoeveel ik al kan.”

Change your game; verjaag je innerlijke reptiel

image

Mijn wereld keert naar binnen: waarneming versmalt, hersens werken trager, hartslag versnelt en ademhaling komt niet verder dan mijn keel. Ik krijg het warm en koud tegelijk en hang tussen twee reptiel-impulsen: wegwezen of charge and kill?!

Ziehier de reactie die ik bij mezelf waarnam toen ik werd geconfronteerd met een stress trigger. Naderhand was ik verbaasd over het verwoestende effect dat een ogenschijnlijk klein incident op mij had.

Van mijn sokkel geslagen

Het incident? Een appje over iets wat ik gezegd zou hebben en wat daar de consequentie van zou kunnen zijn. Doe normaal, dat is te onbeduidend om bij stil te staan! Ja, dat zou je zeggen. Maar voor mij kennelijk niet. Want het was onwaar, raakte aan mensen die mij lief zijn en ik kon me er niet tegen verdedigen. Teveel voor mijn brein om aan te kunnen dus mijn inwendige alarm ging op rood: gevaar!

Het brein en de werkende lagen

Ooit leerde ik iets over de werking van de hersenen in 3 met elkaar communicerende lagen. In een notendop: vanuit het reptielenbrein worden de meest basale functies aangestuurd waarmee wij (over)leven. Ook huizen daar onze primaire impulsen flight, fight en freeze. Deze impulsen ervaren we in situaties waarbij we in overlevingsgedrag schieten. In ons zoogdierenbrein zitten de emoties en het geheugen dat ermee is verbonden. Daar omheen ligt de ratio die ons helpt bij het nadenken, verbanden leggen, keuzes maken en reflecteren.

In goede onderlinge samenwerking maken deze 3 breinlagen dat wij ‘normaal’ doen.

Gereduceerd tot reptiel

Maar als hevige stress om de hoek komt kijken, blokkeert de zuurstofstroom naar je ratio. Het relativerende deel van je brein werkt hierdoor onvoldoende. Jouw negatieve emoties en overlevingsgedrag nemen het over met fight-, flight- of freeze-acties. Simpel gezegd kom je in een staat van disfunctioneren terecht; het reptiel is nu de baas.

Koppeling herinnering-emotie-gedrag

Overlevingsgedrag ontstaat in je vroege jaren en heeft een duidelijke functie. Je maakt dingen mee die jouw primaire impulsen prikkelen en daar emoties met een negatieve lading aan koppelen. Het brein onderscheidt echter geen ‘toen’ en ‘nu’, zij vindt alles één pot nat. In je leven komen daardoor steeds situaties voorbij die voor het brein diezelfde lading hebben, met diezelfde reacties tot gevolg. Een kleine, onbeduidende trigger kan dus enorme emoties aanspreken en daaraan gekoppeld onevenredig primair (in dit geval: woest) gedrag uitlokken. In het ‘nu’ zonder functie dus meestal ongewenst en ineffectief.

Wat kun je doen?

Op een moment van grote stress ben je strakgespannen als een boog en is al jouw aandacht gericht op het overleven. De kunst is om de aandacht te verleggen, waardoor het systeem kan herstellen. Als dat lukt, kun je weer helder denken en doen. De weg hier naartoe loopt via de ademhaling en het ontspannen van je spieren.

Adem in, adem uit

Rustig en diep ademhalen brengt die broodnodige zuurstofstroom weer op gang. En omdat ons brein zich graag laat afleiden door plaatjes, helpt het extra om de weg van je adem te visualiseren: door de neus, keel en borst naar je buik waar het een rondje maakt en vervolgens langs dezelfde weg weer terug vloeit.

Kom in beweging

Als je systeem klaarstaat om een dreun uit te delen of hard weg te rennen, moet die spanning eraf. Dat kan op een simpele manier, namelijk door je spieren even extra aan te spannen: knijp ergens heel hard in of zet je even helemaal schrap. De ontspanning volgt vanzelf, zo werkt ons lichaam nou eenmaal. Daarom is sporten ook zo goed. En seks. En schrijven.

Bewuste toepassing

Hallelujah, dát klinkt makkelijk! Het herstel zit dus gewoon in het bewust gebruik maken van wat er al is: je adem en je spieren?! Ja, dat klopt. En als jij je daar eenmaal echt van bewust bent – dus niet omdat je dit nu gelezen hebt, maar na heel veel oefenen en toepassen en dan nóg eens (en nog eens) – zal dit een gamechanger voor jou zijn! Ik beloof het je.

Dat appje dus?

Midden in mijn stressreactie als gevolg van dat stomme appje, terwijl ik niet in staat was te bewegen, mijn mond kurkdroog voelde en ik zag dat de kinderen tegen me praatten maar ik me niet kon focussen op wat zij zeiden, realiseerde ik me wat er aan de hand was: mijn reptiel zwaaide de scepter! Dus ik deed wat ik heb geleerd: ik haalde een paar keer heel diep adem, stond op en maakte een aantal kniebuigingen (je moet toch wat terwijl drie kinderen je aanstaren) en keerde als vanzelf terug.

“Wat doe je mam?”

“Oh, niets bijzonders liefje, ik verjaag even een vervelend beest …”.

Het verhaal van de voetstappen

verhaal-voetstappen-dichtbij-zout

Als draden lopen ze langs de kustlijn, de voetstappen in het zand. Verhalen vertellend over degenen die ze daar achterlieten, voet voor voet hun stappen zettend op weg naar …. tsja, naar waar het ook is dat ze heengaan.

Want dat vertellen ze nu net niet, die voetstappen. De weg die ze lopen en hoe, kun je zien. Maar waar ze op een dag zullen stoppen blijft het grote geheim. Gelukkig maar.

Voor mij zijn ze mijn redding vandaag. Mijn visuele houvast aan de werkelijke, de meest basale realiteit. Die van de zee. Het strand. De zoute wind die mijn zonnebril beslaat en de woeste luchten waarin wolken en zon elkaar afwisselen. Die van mijn eigen adem en mijn eigen stap na stap.

Ik was het bijna kwijt, mijn adem. Kopje onder in die wereld die sinds kort onderdeel uitmaakt van mijn leven en mij verandert, omdat het anders is. Die wereld van helemaal online. In contact en gesprek met mensen die ik niet ken. Een wereld waarin ik niet weet wat nou precies echt is en van wie.

Het begon speels. Onder-zoekend. Leuke input voor blogs en ondertussen contact en aandacht. Allerlei media, van Facebook tot E-dating en van Twitter tot Instagram. Maar nu, nu het bloggen echt een onderdeel van mijn identiteit is, word ik geregeerd door diezelfde media. Want ook het bloggen gaat, in the end, om de cijfers. Het gaat om sharing, RT’s, comments en likes. Het gaat om gezien en gelezen worden. En jij bent één van de velen in een heel grote, volle zee.

Het maakt een kant in mij los die niet mijn beste is. De kant van de competitor, degene die de beste wil zijn, van zichzelf móet zijn. Die het absoluut geweldig vindt voor een ander als diegene succes heeft en tegelijkertijd het knagende geluid hoort in haar achterhoofd: ‘Waarom zij wel en jij niet?” Mijn grootste vijand die ik nog moet leren liefhebben. Ik durf er mijn adem niet op in te houden. Dat gebeurt vanzelf wel als, versterkt door de zuigende werking van de sociale media, het ademen mij vergaat.

Tot vandaag. Totdat ik de voetstappen zag van hen die mij voorgingen, de paden die zij trokken langs het strand.

Schoenen, schoentjes, gympen en laarzen afgewisseld door blote voeten en ontroerend kleine kindervoetjes. Teentjes die ooit hoorden bij een voet, alweer meegenomen door het water. De opvallend keurige voeten van een stoere kiter, die zijn hielen diep in het zand moest zetten om de ongeduldige kite te bedwingen, op weg naar die jubelende zegetocht over de golven en door de lucht.

Zoveel vertellen die stappen je, als jij dat wilt. Ze vertellen je of zij samen waren of alleen. Voorovergebogen zoekend of op de tenen hup, vooruit. Over een kwieke, lichtvoetige tred of een meer slepende gang. Over de drang om veilig te zijn en daarom ver van het water te lopen of juist rakelings erlangs, om net op tijd weg te springen of soms net te laat dus verder met een nat pootje.

En terwijl ik mijn eigen voeten neerzet, vind ik mijn adem terug en ook mijn gezonde gedachten. Mijn optimistische blik en liefdevolle oog. Achter mij aan verschijnt voor de toeschouwer die het zien wil, míjn verhaal van vandaag; van zwaarder naar licht.

Want het bloggen begon als liefde. Liefde voor mijn kinderen, liefde voor mezelf en voor het schrijven. Door vanuit een waarachtig gevoel iets te creëren en zo aan hen die mij lief zijn iets achter te laten. Door ze mee te nemen langs de gangen van mijn hoofd en mijn hart. En ook door met liefde iets over te dragen aan hen die mij willen lezen.

Ja, precies zó wil ik dat het bloggen voor mij blijft.

I.M. Madiba

Hij overleed op 5 december 2013. Elk jaar sta ik er even bij stil. Ook nu. Voorál nu. Te midden van al het toenemende lawaai en beweging vind ik zijn nagedachtenis een baken van rust en menselijkheid. Madiba, bijnaam in zijn clan van Thembu-koningen: wat mij betreft een échte leider en een voorbeeld voor velen.

van dichtbij

madiba 3

‘Mama, wie is die meneer? Hij heeft een lief gezicht want hij lacht en kijkt heel aardig.’

“Dat is Nelson Mandela, Diekie. Hij was ook een lieve meneer, denk ik. En hij was in ieder geval een heel bijzondere meneer. Hij is overleden.”

‘Ja, want ik zie dat hij al heel oud is. Waaróm is hij dan een bijzondere meneer?’

“Nou, hij heeft heel lang in de gevangenis moeten zitten, omdat hij vond dat alle mensen gelijk zijn en vrij moeten kunnen leven en dat niemand beter is dan de ander. En toen ze hem eindelijk vrij lieten, gaf hij de boze mannen een hand in plaats van een klap.”

‘Écht!!?? Was hij dan niet héél boos op die mannen?’

“Ik denk dat hij dat zeker wel is geweest maar toen hij vrij was vond hij het veel belangrijker om dat te vieren en heel veel andere mensen daarmee…

View original post 24 woorden meer

Wabi Sabi

 

wabi-sabi

Na een drukke werkweek met 2 doorwaakte nachten, trek ik zaterdagochtend nog zonder koffie of ontbijt achter de kiezen en half slapend maar gehaast want laat, de deur achter me dicht om mijn jongste naar zijn als altijd idioot vroege voetbalwedstrijd te brengen. Ik draai de deur op slot maar de sleutel doet niets. Gaat niet naar links en ook niet naar rechts. Ergens achter in mijn duffe brein daagt iets.

F*CK!!!!!! De sleutel aan de binnenkant zit er nog in.

Zeer slecht nieuws want alles zit potdicht, het is tenslotte stervenskoud. Ik kom dit huis niet meer in. In ieder geval niet zonder een raam of deur te mollen. Foeterend op mezelf vraag ik vriendelijk doch enigszins dwingend of mijn zoontje snel zijn fiets pakt. We dreigen inmiddels serieus te laat te komen. 

Onderweg blijf ik woest tegen mezelf mopperen. Over stom, dom, sukkel en dat soort verheffende zaken.

Mijn kleine vriend fietst snel maar bedachtzaam mee. Even probeert hij mij te verlichten met de mededeling dat het eigenlijk zijn schuld ook is want hij heeft er óók niet aan gedacht, etcetera.

 Vertederd en tegelijkertijd me bewust van dit précaire moment, kijk ik hem aan en verzeker hem dat dit zijn taak noch verantwoordelijkheid is. Opgelucht pedaalt hij door.

 

Op de voetbalclub aangekomen geef ik hem een zetje richting teamgenootjes. Als hij bijna bij hen is, kijkt hij nog even naar mij om. Ik realiseer me hoe hij mij moet zien: licht verwilderd, bleekjes van slaap en bij gebrek aan een werkende hersenpan, met een lege blik in opgezette ogen. Ik verstop me achter de luiken die even helemaal dicht gaan.

 

Hij draait zich op zijn hielen om en komt op een drafje terug. Heel dichtbij komt hij staan met zijn gezicht naar mij opgeheven. Hij boort zijn heldere ogen in de mijne en laat me in volle openheid zien wie hij is. En terwijl ik daar met open mond in wegzak, zegt hij zacht maar heel bewust: “Mama? Vraag.Om.Hulp.”

 

Dan draait hij zich weer om en draaft naar team en kleedkamer.

 

Verbluft blijf ik achter. Niet eerder was ik mij zó bewust van de mate van schoonheid die ook in een waardeloze situatie kan zitten.

Hoop, geloof en vertrouwen? Grote woorden moet je waarmaken!

img_1601

 

Al vaker heb ik me vanuit mijn rol als moeder machteloos gevoeld. Over onze scheiding bijvoorbeeld want groot verdriet, gemis, onveiligheid. Over financiële engigheden, waarin ik zelf wel het geloof heb en houd maar hen een begrijpelijk antwoord schuldig blijf. Die balans tussen het moeilijke ‘wat deel je wel en wat deel je niet’.

Of over dingen buiten mij en ons om, die tegelijkertijd wel gewoon een deel van onze realiteit uitmaken. Zoals terreurdaden die vragen en angst oproepen die ik niet kan beantwoorden of oplossen. Haatgedrag en zuur-negatief ingestelde mensen die overal en zo luidruchtig aanwezig zijn, die ik het liefst stil wil laten zijn alleen kan ik er letterlijk noch figuurlijk bij.

Maar wel héél machteloos voelde ik me vorige week toen ik met 4 prachtige meiden in de auto zat. Slim, leuk, gevat en 13 jaar jong. Hun héle leven nog aan hun voeten en de toekomst in eigen hand. Zo is mijn beeld bij frisse 13-jarigen tenminste.

En zij? Zij blijken een behoorlijk somber beeld van hun toekomst te hebben. Omdat ze zich zorgen maken over hoe wij deze aarde voor hen en alle generaties na hen achterlaten. Ze vinden dat de mensen die nu aan het roer staan te weinig denken aan hoe het straks voor hén dan moet. Zodanig dat ze eigenlijk niet weten of het wel een goed idee is om kinderen te krijgen in een ecologisch en ideologisch mijnenveld.

13 jaar. Joh! Ik dacht toen ik zo oud was aan niet veel anders dan aan mijn vriendinnen, mogelijke vriendjes, school en sport. Blissfully ignorant.

Onze kinderen hebben dit voorrecht niet. Zij worden via de social media en co permanent gevoed, voor- en ingelicht. Vanuit alle kanten en realiteiten, en niet alleen diegene die wíj willen dat ze zien.

Natuurlijk heeft dit voordelen en daarnaast minimaal zoveel nadelen. Een wereldwijsheid die niet hoopvol maar cynisch maakt. Verwarring want wat en wie kun je nou geloven? En een reeds afgebladderd vertrouwen in dat voor hen óók goed wordt gezorgd door de grijze, geblondeerde of bepruikte dakduiven die hiervoor aan de lat staan. Ego-gedreven types die in de ogen van 13-jarigen geen moedige beslissingen durven nemen, zich lafjes verstoppen, anderen de schuld geven en in ieder geval vooral goed voor zichzelf zorgen.

Naast dit jeugdig cynisme ving ik gelukkig ook vechtlust en creatieve ideeën op waarmee zij er iets aan willen doen. Dat stemt mij gerust dus ik hou het vertrouwen dat zij dit kunnen. Ik kíes voor dat geloof.

Maar toch.

Ik gun ze zo enorm hun zorgeloosheid en de dromen die daarbij horen. Dromen van hartjes en luchtkastelen onder helderblauwe hemels. Hemels zonder loodgrijze wolken.

Zelf kan ik hen liefdevol helpen op microniveau. Maar mijn god, wat hoop ik dat de dames en heren die over het macroniveau gaan, niet vergeten dat het geloof in een goede toekomst begint met het hebben van Hoop!

Want wij halen die 100 nog wel, in betrekkelijke veiligheid en frisse lucht. Dus mogen zij van 13 dat vertrouwen alsjeblieft óók hebben?

Als ik hier niet meer woon

image

“Mama? Wat doe jij ook alweer eigenlijk voor werk?”

“Ja, dat is een goede vraag! Ik probeer het makkelijk te zeggen: soms moeten mensen of bedrijven dingen anders doen of beter en dan help ik hen daarbij.”

’n Starende blik. Hij knikt wat halfhartig, ik zie dat hij het niet echt begrijpt. Logisch, want het is totaal niet concreet. Wat is in hemelsnaam een bedrijf voor een 8-jarige? Dus ik probeer het nog eens:

“Ik doe een beetje hetzelfde wat jouw voetbaltrainer en -coach doen, maar dan met mensen die ergens met elkaar aan het werk zijn.

Dit valt beter. Hij knikt nu vol.

“Maar dat schrijven, daar verdien jij toch geen geld mee? Waarom dóe je het dan?!”

“Dat doe ik om twee redenen. De eerste is dat ik schrijven heerlijk vind en zo aan mensen die misschien met mij willen werken, kan laten zien hoe ik naar dingen kijk want dat beschrijf ik in korte verhaaltjes. En de andere, veel belangrijker reden is dat ik wil nalaten hoe ik jullie zie en beleef en hoe trots ik ben op hoe júllie zijn en beleven. Elk verhaaltje vertelt hoeveel ik van jullie hou maar is elke keer weer anders. Dus ook voor later voor jouw kindertjes; net als een foto maar dan in woorden.”

Hoera, dit valt goed. Zijn oogjes glimmen al van voorpret.

“Wanneer mag ik het dan lezen? Als ik uit huis ga? En wat is ‘nalaten’?”

“Ja zoiets, dan krijg je het in een mooi boekje mee, al jouw verhaaltjes. En ‘nalaten’ betekent dat je deze herinneringen hebt, voor als ik er niet meer ben.”

’s Avonds wanneer hij in zijn bedje ligt en ik hem als altijd nog even kriebel en kroel, betrekt ineens zijn gezicht en begint hij zachtjes te huilen:

“Mama, ik wil niet nadenken over dat jij er niet meer bent. Dat kan ik niet, dan wordt mijn hart heel dik en zwaar en krijg ik buikpijn.”

Hij kijkt er zo gepijnigd bij dat ik hem helemaal in de kom van mijn armen stop.

“Ik wil die verhaaltjes gewoon lezen als ik uit huis ga en alleen maar hier niet meer woon omdat jij dan een oud vrouwtje bent. Maar dat ik je altijd kan bellen en dat we dan heel hard kunnen lachen als ik jou voorlees uit wat jij nu hebt geschreven.”

Samen gniffelen we daar vast om.

En zonder dat hij het doorheeft, maakt hij weer zo’n fijn verhaaltje. Die van een lach, een traan en een heleboel liefde.

 

Let op: dit is een vies verhaal!

image

“Volgens mij zijn dat voelsprieten, denk je niet?”, murmel ik met één oog dichtgeknepen en de andere tegen de kijker van zijn nieuwe, zelf bij de Kringloop gevonden en aangeschafte microscoop.

Wild rukt hij het apparaat onder mijn zoekende blik vandaan. Zo, heeft hij meteen nog twee wimpers om straks uitgebreid te onderzoeken.

“Nee joh, mam! Je ziet toch dat het de tánden van de mier zijn! Ze zijn heel groot omdat je door de microscoop kijkt. Die verGROOT de dingen. Daarom kun je ook de céllen zien! Tssssssjgrmpflgg. Jij weet toch wel hoe een microscóóp werkt??!!”

Zojuist heeft hij met chirurgische precisie hoofd en romp van een mier gescheiden met een vlijmscherp mesje dat in de microscoop-doos bijgeleverd is, en het mierenhoofd geplet tussen de twee glazen schaaltjes. Om beurten staren we door de kijker en vertellen elkaar wat we zien.

Wat hier aan vooraf ging

Gisteren in de Kringloop, waar we waren omdat hij en zijn grote broer uitvinders zijn en vernomen hebben dat je bij de Kringloop soms grote partijen ‘kleine-dingetjes-waar-je-coole-schietapparaten-van-kunt-maken’, kunt kopen voor bijna niets, vond hij zijn microscoop. In een grote doos met allerlei toebehoren. Ter plekke besloot hij dat hij naast uitvinder ook onderzoeker was en trok met groot gebaar zijn portemonnee.

Leeg. Vergeten dat hij naast uitvinder en onderzoeker ook big spender en dus platzak was. Of grote broer hem even wilde ‘lenen’. Ruimhartig gniffelend voldeed deze aan zijn verzoek. En zelden heb ik iemand met zo veel voldoening en zin in wat het hem brengen zou, een pakket in ontvangst zien nemen.

Terug naar vanochtend.

Net uit mijn bed wordt een dramatisch in de lucht gestoken voet in mijn gezicht geplant: “Mam, kijk eens! Mijn ontstoken teen loopt leeg!! Het is geel mét rood, dat moet ik onderzoeken! Pak jij snel dat prikkertje en een glaasje uit mijn microscoopdoos, en dan moet je even die pus daarop doen, oké?!”

Verdwaasd en nog niet helemaal wakker, gehoorzaam ik. Het lukt me ternauwernood zijn aanbod af te slaan om mee te kijken. Mijn koffie smaakt mij voor het eerst in lange tijd niet en ik vraag mezelf af hoe hij mij zover heeft gekregen. Maar ik weet het heus wel: dit enthousiaste mannetje past al 8 jaar lang de Tactiek van de Overrompeling op mij toe. Want hij weet dat die werkt.

Als de pus even later niet meer verder te determineren valt en grote zus inmiddels zelf geprikt bloed heeft moeten afstaan maar we geen jodium hebben dus de cellen niet kunnen onderscheiden, gaat hij naar buiten en plukt een pissebed ergens onder vandaan. De bedoeling is het beestje van enige ledematen te ontdoen. Bleek om de neus komt hij 5 minuten later binnen: of ik dat even wil opknappen.

Nee, lieve kleine wetenschapper van me. Deze zag je moeder aankomen en wil ze niet.

Dan dus maar de mier.

 

 

 

 

Schiet.Nou.Eens.Op!

image

“Schiet nou eens òò-hòòppp!!”

Voor de 4e keer mept hij zijn in elkaar gedraaide (d)rol van voetbalsokken door de kamer met een pvc buis die eerst onderdeel van de zelfgemaakte kruisboog was maar nu zonder touw gewoon weer een simpele buis. En voor de 4e keer roep ik dat hij op moet schieten, telkens met een van ergernis harder wordende stem.

Hóe vaak moet ik hem iets zeggen? En wanneer is hij nou eens oud genoeg om zélf te bedenken dat hij zich een kwartier vóórdat hij weg moet naar die training moet omkleden. Wanneer snapt hij nou eens dat hij de boel serieus moet gaan nemen als mijn stem harder wordt en ik de eerste keer ook al niet heel soepeltjes klonk?!

Allerlei dingen komen tegelijkertijd op me af, terwijl het gewone (lees: de kinderagenda) doorgaat. En het is woensdagmiddag dus het gewone is per definitie al druk. In een verwoede poging de boel de baas te worden, begin ik het onverwachte lukraak op te lossen, in de hoop dat de rust dan wederkeert.

Werkt van geen meter natuurlijk: de stress bouwt zich op en straalt af op alles. Dus ik sis voor de 5e keer verbeten tussen op elkaar geklemde tanden: Schiet.Nou.Eens.OP!!, alsof het allemaal zijn schuld is.

Inmiddels zit hij op de grond en sleurt de ellenlange sokken over zijn scheenbeschermers. In alle rust en op geen enkele manier onder de indruk of aangedaan.

“Mama, jij zei een keer dat het niet uitmaakt en dat elk moment goed is om te bedenken dat je álle tijd van de wereld hebt…”.

Whut? Vanuit mijn woeste waas dringen zijn woorden maar voor een deel tot me door.

“Wíe heeft dat tegen jou gezegd?!?”

“‘Jij, mama! Jij zegt dat altijd. En ik doe dat dus nu.” Vrolijk wetende oogjes kijken mij aan.

Ineens weet ik waar hij op doelt, twee lesjes die hij losjes samenvat: “Elk moment is een goed moment om opnieuw te beginnen” en “Als je jezelf vertelt ‘Ik heb alle tijd van de wereld’, blijf je rustig en raak je niet opgefokt door de klok.”

Ach. Luistert hij écht naar die dingen die ik wel eens tegen ze roep; van die inzichten die ik als ouwe sok soms heb en die vooral voor mezelf bedoeld zijn maar die ik toch met íemand moet delen?!

Soms zijn de liefste cadeautjes het beste verstopt.

 

Wij hebben inderdaad geen haast.

 

 

 

 

Over monsters en hun plexus

monster-plexus-karate-spruitjes-spiegels-kinderen

“Mama?”

Hij ligt in zijn bed, moe van een dagje samen op pad. Na twee weken vakantie met zijn vader, nu een tussendoor dagje-met-nacht bij zijn moesje. Grote broer en zus zijn op zeilkamp dus eindelijk kan hij genieten van zijn welverdiende exclusivi-tijd.

‘Ja, lieve Diek?’

“Ik moet je even vertellen dat het wel goed gaat maar dat ik net bang was toen ik naar boven liep. Want ik dacht dat er enge monsters waren in mijn kamer. Dan durf ik bijna niet mijn kamer in want ik kan het ook niet zien als het zo donker is.”

‘Oh dat is heel naar, mannetje. En als je het ganglicht aandoet voordat je naar boven gaat? Dat kan, beneden aan de trap zit ook een knop voor boven.’

“Ja, dat weet ik maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik heb dat altijd, ook bij papa. Als ik lang bij jou ben geweest en weer bij hem thuiskom. Of nu, omdat ik lang bij papa ben geweest en vandaag weer bij jou.”

Terwijl hij me vertelt dat hij iedere keer zijn gevoel van veiligheid moet bevechten, vlamt op borsthoogte de pijnscheut op die ik lang niet meer heb gevoeld en loop ik schrompelig leeg als een lekke ballon. Zóveel dat ik niet weet. Dat lieve baasje, wat moet hij toch dapper zijn.

‘Wat goed van jou dat je me dit kunt vertellen, liefje. Ik zal er voortaan rekening mee houden en met jou mee naar boven lopen. Dan speuren we samen jouw kamer af.  En áls we dan een monster vinden, verslaan we die samen. Weet jij hoe we dat gaan doen?’

“Nee, weet jij dat, mama?”

‘Jij mag het verzinnen!’

“Oké, dan weet ik het. We roepen “BOEOE” en als het monster schrikt, sla ik hem keihard op zijn kern, de plexus heet dat. Of zoiets. Dat heb ik bij karate geleerd.”

Terwijl ik inwendig brul om zijn eigenwijze ‘plexus’, doet hij het even voor. Geen verdrietige oogjes maar een bloedfanatieke killersblik. En met de nog naschrijnende vlam in mijn eigen kern, zie ik dat de monsters geen enkele kans maken.

Een bitterzoete geruststelling; met dat vechten en die veerkracht zit het wel goed. Ook op dit vlak geldt het stap-voor-stap. Voor hem, voor mij, voor ons allemaal.

‘Ik vind dat een heel goed en dapper plan van jou. En ik verheug me er stiekem zelfs op!’

“Haha, gekke mama.  … Nou, ík ook!”