Jazéker wel boeit het!

Over twee weken wordt ze 18 en ben ik bezig met het maken van Haar Boek. Het boek met alle verhaaltjes die ik schreef over haar of waarin zij een rol speelt.

Natuurlijk ben ik te laat begonnen en is het een race tegen de klok om het niet alleen tijdig aan te leveren bij de drukker maar het ook zó aan te leveren dat het Echt Goed is: Foutloos, Mooi, Uniek.

Want ja, uitsteller als ik ben, ben ik helaas ook redelijk perfectionistisch, eerzuchtig en trots. Een combinatie die vaker voorkomt (want als je er niet aan begint kan het ook niet Fout of Middelmatig zijn) maar die uitermate narrig kan wringen.

Ergens afgelopen week kreeg ik het Spaans benauwd: “Ik krijg het niet af.” Deze stellige stem deed direct wat het vroeger zo vaak deed: als een fatalistisch zwaard sneed het de positieve energie van mijn actie en gemoed: “Laat maar, ik kan niet en het boeit ook niet.”

Met deze niet-helpende reflex smoorde ik ettelijke prestatie reeds in de kiem. Totdat ik daar schoon genoeg van had, erin dook en net zolang keek totdat ik haarscherp zag wat ik deed en waar dat uit voortkwam.

En dan komt nu het allerbeste nieuws en groot geluk: eenmaal zo bewust, blijf je het zien!

Zo ook nu. Dus ik riep terug: “Jazéker wel boeit het! Want ik boei en zij boeit helemaal! En het is sowieso Goed, want gemaakt van Liefde.”

En haar boek?

Da’s bijna af 😉

Plek

Ik. BÈN. Er!!!!!!!!

Met een zwaai gaat de slaapkamerdeur open en springt jongste op zijn derde verjaardag naar binnen met wijd uitgespreide armen en zó’n stralend koppie dattie licht geeft.

Zelden heb ik iemand met zoveel vanzelfsprekend en vertrouwen zijn plek zien innemen, als hij op dat moment. Het staat op mijn netvlies gebrand en in mijn hart en geheugen gegrift. Zijn gevoel van er totaal en zonder ook maar enig excuus te mogen zijn en mijn gevoel van jubelend geluk hier deelgenoot van én mede-verantwoordelijke voor te zijn.

Je plek innemen. Naast, tussen en ten overstaan van anderen jouw eigen rechtmatige plek voelen en pakken.

Een thema waar ik mijn hele leven al mee knok, omdat het voor mij als kleintje níet vanzelfsprekend zo voelde, dat ik dat mocht. Ruim baan maken voor de ander; niet een te grote mond hebben; de beste was de goedste en de kleinste de liefste en beide was ik in ieder geval niet. Iets wat ik meenam door mijn leven; knokkend in samenwerkingen en relaties met anderen die juist meer ruimte innamen dan goed was voor een gezond evenwicht. Types die van hun kant zelf vanzelfsprekend de goedste waren of door ingeboren egoïsme niet erg gericht op -het gevoel van- een ander, niet gebakken om zelf intrinsiek te geven en clueless ten aanzien van het gegeven dat groot-gevers vaak niet zo vanzelfsprekend hun eigen ruimte claimen, laat staan pakken. Dat dit soms tot buikpijn aan toe moeilijk voor hen is.

Klein liet mij dat in die partnerschappen weer voelen en behoorlijk alleen, maar ergens ook veilig want bekend. Inspirerend vind ik dit type mensen op voorhand sowieso omdat ze iets doen dat ik meer zou moeten. Zit er voor mij iets wenselijks in die begeerlijke, arrogante manier van gewoon (in)nemen. Alleen in plaats van ‘standing ground’, deed ik te vaak zelf nog maar eens een stapje opzij, me boos maar ook angstvallig vasthoudend om niet over het randje te kukelen. Hek naar beneden, klauwtjes uit.

Een oneigenlijk gevoel van afhankelijkheid creërend waar niemand iets van zou begrijpen die mij zo, op eerste gezicht, kent.

Maar we hebben allemaal onze eigen verhalen en onder onze grootste kracht zit vaak ook onze diepste valkuil. Het een laat zich zien in de goede tijden, het ander als de boel begint te verschuiven.

Wat een feest is het dan, om van die glasheldere spiegels in eigen huis te hebben. Allemaal met hun eigen terugkoppeling van wat jij te leren hebt. Goed kijken moet je, en goed luisteren. Vooral naar je buik.

Deze kleinste spiegel hielp mij het op zijn derde verjaardag zo helder te voelen. Toen wist ik nog niet goed wat het precies was ik zag. Maar nu wel.

Los dus. Met de armen wijd er staan:

Ik. BÈN. Er.

Op mijn plek.

Opgave

De hele week al ploetert hij op wiskunde D. De dag voor de toets ontploft hij: “Waarom vólg ik dit k*tvak eigenlijk!?!” Uit z’n tenen komt het.

Ik moet hem het antwoord op zijn gelukkig retorische vraag schuldig blijven en laat hem even pruttelen en mopperen. Dan: “Waarom zou je het níet doen, als je het wel kunt?!”

Peinzende ogen.

“Ik kan het ‘soort van’, maar het kost me extreem veel moeite.”

“Ik snap je en zeg ook dat dát het argument niet mag zijn. Stoppen omdat iets móeite kost, neigt naar opgeven. Ik weet dat en heb daar spijt van (gehad). Dat is geen fijn gevoel.”

“Oké, maar het kost me zóveel moeite dat ik te weinig tijd overhou voor al die andere vakken die óók pittig zijn. Én ik wil helemaal geen studie doen waar Wiskunde D voor nodig is.”

Deze snap ik echt en krijg er weinig tussen. Ik hang in die ingewikkelde ouderschaps-spagaat van eigen verantwoordelijkheid en ruimte laten en stimuleren zonder sturend te zijn. 

Lieve vriend, het is helemaal jouw beslissing. Het enige dat ik belangrijk vind, is dat je er geen spijt van krijgt.”

2 Weken later:

“Mám, ik heb een 8,6 voor WisD!!”

“Ongelooflijk, dat is nog eens loon naar werk! En nu? Heb je al een beslissing genomen?

“Nog niet helemaal. Maar áls ik stop, weet ik nu dat het sowieso geen opgeven is. Want ik kán het dus heel goed.”

Vloeibaar

We zitten in een warm restaurantje en vieren dat het weekend is, mijn 3tal en ik. Het zijn drukke tijden waardoor de balans is verschoven naar een groter appèl op hun zelfzorgend vermogen. Zij doen dat ongelooflijk goed en ik ben trots op ze. En ook hebben we nu behoefte aan elkaars nabijheid en samen-zijn. Even hergroeperen.


Ineens vraagt de jongste: “Mama? Ik vroeg me af hoe dat is voor jou als je alleen thuis bent en wij bij papa? Vind je het dan heel saai om alleen te eten?”


Zijn plotse, directe vraag slaat in als een bom.


Ik kan ze niet meteen aankijken; zo’n précair moment waarop de impact van mijn reactie bepalend kan zijn. Ik wil niet dat zij zich ooit schuldig voelen over iets dat met onze scheiding verband houdt. Maar ik wil ook eerlijk zijn. Dat heb ik ons beloofd.


Ik neem zijn vraag even mee naar binnen en tot mijn verrassing landt-ie, na de eerste schok, heel goed. Ik kijk op en ontmoet 3 paar verschillend vragende ogen. Die van jongste vloeibaar dwingend, middelste met een rustig willen weten en oudste lief en tegelijkertijd op haar hoede. Voor allen het antwoord van belang.


“Wat een lieve vraag. Mijn eerlijke antwoord is dat ik helemaal heel ben mèt jullie, maar ook alleen. Dus ook dan ben ik oprecht oké.”


4 Paar ogen ontspannen, de mijne nu vloeibaar.

Come rain or shine

De leukste vind ik je toch wel.

.

Ook al vond ik het hier zelf, ondanks de nog best wat onwennigheid van het moederschap, een stukkie comfortabeler met je.

.

Toen we het alleen nog hadden over rijstwafeltjes, of toch een snoepje, of ik wel of niet mee wilde naar de eendjes en als ik niet mee wilde ik tóch mee moest, of je nog héél eventjes nóg een verhaaltje kreeg voorgelezen en dat soort zoets.

.

In plaats van over ‘shotjes’, er zit ‘maar’ 12% in die limoncello die wij dronken. Oh nee, 14 maar dat zit toch ook gewoon in wijn en het wel of niet je iets herinneren van dat ene feestje of festivalletje.

.

Hoe jij ziet dat ik iedere keer weer manmoedig en met open mind aan zo’n gesprek begin, en dan wat listige details loslaat waardoor mijn lach het toch weer op mijn lippen besterft.

.

Hèt moment waarop jij wacht om dan met besmuikte blik, sardonische grijns en zogenaamd bemoedigend klopje op mijn hoofd te zeggen dat het met jou echt allemaal best meevalt…

.

Killing.

.

Ik hang tussen het ‘ik-wil-alles-weten-mij-kun-je-alles-vertellen’ en het ‘beter-weet-ik-niets’. En ik zie het aan je leuke, stoute ogen: jij geniet van mijn gespartel.

.

Maar ja. Come rain or come shine.

.

Ik vind je toch de leukste.

❤️

Bewust onbekwaam

“Mam, het regent echt hard. Als dat zo blijft wil jij me dan even naar het station brengen, alsjeblieft?” Het woordje “alsjeblieft” doet direct wonderen. Ik hoor mezelf “natuurlijk schat.” zeggen.

Even later is het weer droog en breekt de zon zelfs door. Ik geef aan dat als het zo blijft, zij prima kan fietsen. Brengen vandaag betekent ook halen morgen en ik probeer een werkritme op te bouwen terwijl zij nog steeds vakantie vieren.

Nog geen sinecure en tussen al hun plannen, in-en-uitlopen en permanent geluid van idiote YouTube-filmpjes, bevecht ik mijn gevoel van ruimte. Wat soms lukt maar vaak ook niet. Meestal laat ik het want vind ik het stiekem ook heel gezellig die types zo om me heen, maar af en toe wil ik mijn punt over de bühne krijgen. Ik besluit dat dit zo’n moment is.

Een dreigend dreinerig en daarmee allergie-opwekkend “Nee maar, mahámm, je kunt me toch brengen? Ik kan morgen de bus terug pakken!” klinkt.

“Ja, oké, en dan kun je dus nu ook de bus héén pakken…”. Tevreden over mijn logica laat ik een betekenisvolle stilte vallen.

“Ik wil heel graag nu sámen, want dat vind ik zo gezellig…”

Kijk, en daar gaat het mis voor deze moeder. Want of het nu gemeend is of niet en of ze dat écht vindt of hier über-manipulatief op die al 16 jaren goed geobserveerde knop drukt; het maakt allemaal niet uit want het is de juiste knop.

Theatraal zuchtend maar ondertussen glimmend, trek ik mijn jas aan en pak mijn autosleutels.

Ergens achter in mijn hoofd de echo’s van de stem van mijn omaatje, die toen ik klein was ook precies wist hoe ze mij kon bereiken; iets met zoete broodjes, natte vingers, bakken en lijmen.

Ik weet het. Volledig bewust onbekwaam. Maar het geeft niet. Want de kracht zit ‘m in de zelfkennis.

“Kom op schat, we gaan.”

Basis

“Waar haal jij je inspiratie uit, Alexa?”

Om eerlijk te zijn, veel van mijn inspiratie komt voort uit het dagelijks leven. Omdat het dagelijks leven ons onze werkelijke basis toont. Onze basis zoals wij die ten diepste ervaren. Vaak onbewust.

De manier waarop we staan en ons lichaam dragen, onze reflexen, de impulsen en regulaties die we met ons gezicht laten zien, ons binnen en buiten, de wijze waarop we wel of niet tot (inter)acties overgaan. Totaal fascinerend.

Maar mijn puurste, rijkste en meest diepgevoelde inspiratie komt van degenen die het allerdichtst bij mij staan. Het hart van mijn dagelijks leven.

Door de manier waarop zij helemaal zichzelf schijnen te zijn, ongeacht het gegeven dat ze dezelfde achtergrond hebben, opvoeding en sociale omgeving.

Ik bewonder hun unieke natuur waarin zoveel voor mij te herkennen valt maar ook nog zoveel meer te ontdekken en leren.

Neem nou deze baas. Hij kiest ‘de barre’ als vriend (en vijand). Dapper en de doorzetter die hij is, zal het hem binnenkort zeker lukken om zijn voet op de bovenste stang te leggen.

Onvermoeibaar en niet gestoord door anderen, gaat hij door. Soms met koele berekening en vooraf bedachte strategie. Vaak ook gewoon, zó. Af en toe woest en ziedend om dat het niet snél genoeg gaat. Maar door gaat hij want opgeven zit er niet bij.

Ik weet dat omdat ik hem ken.

En daarnaast zie ik het in zijn ogen, zijn rechte schouders en volledig open houding.

❤️

PEEPING TOM – over projectie gesproken

Als ik hem ophaal bij zijn toernooi, maakt hij al sporttas naar mij toegooiend melding van ‘een gat ergens in zijn broek’. “What’s new”, denk ik. We stappen op onze fiets en gaan ervandoor.

Als hij voor mij fietst en even op zijn pedalen gaat staan, gloren onderbroek en beentje mij tegemoet. “Vriend, het is geen “gat ergens”, het is een MEGA-winkelhaak.”

Hij schrikt: “Echt? Hoe groot dan?”

“5 bij 5 ongeveer.”

Het blijft stil, kennelijk nog onbekend terrein, deze maat-aanduiding. Logisch, hij is pas 10. Wist ik ook niet toen ik 10 was.

Thuisgekomen vertelt hij ineens dat bij rekenen ingewikkelde zaken de revue passeerden; zaken als ‘vierkante meters’.

Uit zijn verdere zwijgen maak ik op dat een en ander nog niet helemaal is geland. Als wel dan had hij mij nu vast en zeker een lesje oppervlakte gegeven.

“Dat is precies wat ik net bedoelde met die 5 bij 5. Als je die keer elkaar doet, krijg je 25 vierkante céntimeter. Dat zegt iets over het totale gat in je broek.”

Ik houd het expres simpel. Niets zo irritant als direct geconfronteerd worden met wat je nog niet helemaal in de vingers hebt. Ik begrijp dat heel goed. Had ik ook altijd.

Hij kijkt me aan: “Ja mam, dat snapte ik. Want lengte maal breedte is oppervlakte.”

😳

Oh.

Van nature

Middelste, zelf C-speler, is gevraagd mee te spelen bij B1. Terwijl hij me dit vertelt kan hij zijn trots niet verbloemen. Terecht.

Op het moment van vertrek echter, is daar ineens vertwijfeling, hij blijft op de drempel staan, wel-niet-wel-niet, voeten weigeren dienst: “Ik wil denk ik niet …”.

Herken je dat? Ineens die twijfel of je het wel kunt. En dan het idee opvatten dat het beter is om niet te gaan, zodat niemand ziet dat jij helemaal niet goed genoeg bent.

Ondermijnende zelftwijfel met als ultiem jammerlijke uiting de zelfsabotage.

Het heeft weinig zin hem nu aan te moedigen met dwingend ‘motivational’ zinnen als: “Jawel joh, jij kunt het!! Ze hebben jóu toch maar mooi gevraagd?!” Het stemmetje in z’n eigen hoofd is voor nu even harder en scherper. Beter is het stil te zijn, te wachten op wat van hem uit nu komt en daarop liefdevol te reageren met een klein duwtje. Gentle nudging, zogezegd.

Dan komt zijn kleine broertje erbij die geboren is onder het gelukkige gesternte van iemand die per definitie ervan uitgaat dat het hem lukt. Kennelijk heeft hij de hele scène vanachter zijn ontbijtbord met interesse gevolgd en weet precies wat hem te doen staat: “Weet je wat het is? Je moet er niet zo over nadenken. Je moet het gewoon DOEN!”

Irritant maar effectief wakker geschud door het in zijn ogen kleine, stink-eigenwijze etterbakje, draait hij zich snuivend om, stapt naar buiten en trekt de voordeur met ‘n klap achter zich dicht.

Hm. Tsja. Goed.

Hij kan ervan vinden wat hij wil, maar díe drempel is in ieder geval geslecht.

😎

Kansen en angsten

Hij is uitgenodigd om te komen kijken naar een repetitie van de Junior Company van het Nationale Ballet. We gaan samen.

Terwijl we zitten te genieten, vraagt de artistiek leider hem of hij wel zou willen auditeren voor hun balletacademie.

Naast mij een ingehouden schrikreactie. Zijn droom maar ook zijn nachtmerrie. Want hoe moet dat dan met ons, zijn vriendjes, zijn school, en gewoon alles wat voor hem bekend en vertrouwd is?

Met rode wangetjes en schitterende ogen knikt-schudt hij en kruipt wat meer naar mij toe. De man glimlacht begrijpend en zegt: “Kom maar een dagje meekijken en -doen, dan weet je beter hoe het is.”

Dankbaar voor deze tijdelijke escape, klinkt een opgeluchte zucht naast me.

Later in de auto terug verwoordt hij het mij op zijn manier: “In mijn hart voel ik dat ik dit wil. Maar mijn hoofd zegt ook heel veel over waarom het misschien géén goed idee is, waardoor ik twijfel en niet goed weet wat het gevoel in mijn buik betekent.”

Ach, hoe herkenbaar.

“Ik snap je helemaal, baas. Alleen wil ik je vertellen dat wat je hoofd zegt, wel begrijpelijk is maar vaak niet per se heel waar. Omdat het dan denkt vanuit angst en niet vanuit kans. En ook dat het bijzonder is dat jij je hart zo goed voelt. Probeer maar goed te luisteren en weet: wij steunen je in alles wat je besluit!”

Twee dagen later:

“Mam, ik weet het nu: ik wil auditie doen. Toen ik echt helemaal in mijn hart ging, werd mijn hoofd stil en mijn buik blij. Toen wist ik het.”