Slang

Bij binnenkomst in mijn keuken na 3 dagen weg, sla ik steil achterover van de geur. Het blijkt de afwasmachine te zijn die de wasbeurt niet heeft afgemaakt en dat ook niet meer van plan is.

Hoewel ik noodgedwongen al een aantal jaar veel klusjes zelf klaar waarvan ik niet wist dat ik ze kon, zie ik dat nu een witgoed-pro nodig is.

Zo gezegd, zo gebeld. Ik heb geluk, ze kunnen meteen komen. Al snel ziet het duo, hoofdman en stagiaire, dat een slang is vergaan en vervangen moet. Het klinkt logisch en toch zie ík, die nog nooit zo ver een afwasmachine heeft ingekeken, ook andere mogelijkheden en leg ze hoofdman voor. Stoïcijns doorwerkend aan zijn eigen diagnose zoemt en knikt hij op de juiste momenten.

Ik herken wat hij doet, laat me niet afschepen, dring nog wat aan. Hoofdman kijkt over zijn schouder eerst mij vriendelijk knikkend en dan zijn stagiaire aan. Die begrijpt de cue en neemt de slang-klus over.

Hoofdman neemt me apart en legt vriendelijk doch niet mis te verstaan uit dat hij mijn poging snapt en waardeert maar dat hij het bij het rechte eind heeft.

Sputterend geloof ik hem maar half.

Ineens zoemt mijn apparaat weer soepel en wat sullig om mezelf lachend vraag ik hem of hij vaker dit soort eigenwijs gedoe treft.

“Mevrouw, wat ík al werkende tref, daar zou ú een boek over kunnen schrijven!”

Ochtend-modus

Zondagochtend, 11.00 uur. Heerlijke rust en even niets dat moet. Eindelijk ben ik warm na drie ijskoude wedstrijden langs de lijn op zaterdag. Van typisch voetbal-vroeg tot aardedonker hockey-laat.

Zaterdag is vaak de klap op de vuurpijl: een dag die op een of andere manier bol staat van ‘moetjes’, na de week die óók al onverminderd vol voelt.

Niet alleen voor mij, ook voor de jeugdige medebewoners van mijn leven.

Nu dus even een goddelijk niets; slechts rust en een krantje.

In de keuken scharrelt middelste die net zijn bed uit is gerold. Oudste, die het volste schema van iedereen heeft maar dit zelf zo organiseert en er verder weinig last van lijkt te hebben, is wel al weer op weg. Niets waar ik iets mee moet.

Normaal gesproken is onze jongste het vroegst, programma of niet. Nu heb ik hem nog niet gezien of gehoord.

Op datzelfde moment: een keiharde klap en rommelend gedonder boven ons hoofd. Middelste houdt van schrik op met yoghurt lepelen en ik wacht met gespitste oren op een schreeuw of gehuil. Als het nu helemaal stil blijft, vind ik dit pas echt eng worden.

Om de spanning iets te verlichten zeg ik met typisch misplaatste schrik-humor: “wat denk je, zou hij nog leven?”

Zonder op antwoord te wachten krabbel ik op van de bank, in mijn hoofd al de plek waar ik de autosleutels voor het laatst zag om snel te kunnen handelen want het is nog altijd stil. Dan gaat de deur open en hinkelt jongste telg verder ogenschijnlijk ongedeerd naar binnen.

Opgelucht: “Gaat het, vent?”

“Ja, die bak stond er maar dat was ik even vergeten dus ik sprong per ongeluk vanuit bed in die bak. …. Ik lette niet op want ik ben gewoon even in een ‘ochtend-modus’”

Schouderophalend loopt hij door naar de keuken.

Ik denk even na over wat hij zei en ben nieuwsgierig: “Wat betekent het, dat jij in de ‘ochtend-modus’ bent?”

Met zijn oncontroleerbare en daardoor af en toe bloeddirritante en hardklinkende stem, en hij zal het niet toegeven, in dit geval vooral ingegeven door de opgeluchting dat hij zijn broertje in relatief goede doen ziet verschijnen, loeit middelste: “Dat betekent dat hij de hele ochtend al in zijn telefoon zit te staren..!”

Getergd want betrapt, brult jongste hieroverheen: “Neeeeheeeeee, dat betekent gewoon dat ik het even rustig áán doe! Want het is zóndag. En ik hóef eindelijk eens even niets…”

Say no more, kleine vriend. Ik snap je.

Couleur locale – Er staat een paard in je steeg

A80F99F7-3808-4791-826F-4CD5D3B77F32

Klik-klak, klik-klak, ik hoor paardenhoeven en zo te horen heel dichtbij. Ik hou van paarden en blijf het een verrukking vinden dat ze hier in dit dorp met regelmaat gewoon door de straat lopen; aan de hand, met iemand erop of voor een wagentje. En soms dus ook daadwerkelijk in mijn steeg, op 10 meter van mijn huis, 2 stuks dit keer, met begeleider.

“Zo hèhè, even in de schaduw…” het meisje dat één van de twee paarden vastheeft, hapt van haar ijsje. Schuin tegenover mijn steeg bevindt zich de lokale snackbar en kennelijk hebben de dames daar een koele versnapering gescoord.

Mijn gedachte is dat de paardjes dan ook wel dorst zullen hebben en in een opwelling vraag ik of ik een bak met water voor ze zal neerzetten? Ja, nou, dat zou wel fijn zijn! Waarom ik deze opwelling heb, weet ik niet precies. Misschien omdat ik aan het ‘helpers-syndroom’ leid of -eerlijker- omdat ik indruk wil maken op mijn jongste die zich binnen voor het raam staat om te kleden voor zijn voetbaltraining: “Kom kijken, super leuk die paardjes in je steeg!”

Dat ik van dit idee 3 minuten later grote spijt heb, weet ik wel. Met de teugels van één van de twee inmiddels volstrekt in paniek geschoten en wild geworden dieren in mijn hand, word ik in een chaotische sh*tstorm van trappende paardenbenen, bijtende paardengebitten en razend in de nek gelegde paardenoren, volledig geplet tussen het woest trappelende paardenlijf en het raam van mijn overburen. Het geluid van ter plaatse op hol geslagen paardenhoeven en paniekerig paardengegil is scherp en eng.

Links van mij hoor ik het angstige stemmetje van mijn jongste: “Mama? Mama, hélp..!” en rechts van mij hoor ik de paardendames: “Huuh! Hooo! Rrrrússs-tiggggg.” Waarschijnlijk maak ik zelf ook geluid maar dat kan ik me niet herinneren.

Uit mijn rechterooghoek zie ik hoe het mij plettende paard me woest aanstaart vanuit haar línkerooghoek en vanuit míjn linkerooghoek zie ik de overbuuf aan haar kant van het raam met handen in de lucht van schrik. Niet alleen omdat het er waarschijnlijk allejezus dramatisch uitziet en klinkt maar ook omdat het glas van haar raam vervaarlijk meegolft met de pletbewegingen waaraan ik onderhevig ben (“Ik zag het hele raam van de buren naar binnen buigen, mam!”).

1 Minuut later, wat voelt als een half uur, overhandig ik trillend de teugels aan het paardenmeisje. De paardjes zelf trillen ook hevig, inmiddels weten we de namen: Bruin en Lightning natuurlijk. Beide beestjes bloeden want hebben elkaar verwond, zij vielen elkaar ineens aan met mij ertussen en niemand weet waarom. Misschien is het wel door de gifgroene rubbermaid die ik als watertrog voor ze heb gevuld, wie zal het zeggen?

Om hun ongenoegen nog even kracht bij te zetten, gaan bij beide dieren de staarten omhoog en droppen zij met doffe ploffen de inhoud van hun geschrokken darmen voor onze voeten. Onverdroten scheppen de dames deze nederigmakende hoeveelheid in een zak, die met veel genoegen door een andere buurman wordt meegenomen om in zijn tuin uit te strooien.

Terublikkend vinden we dát aspect nog het meest wonderlijke: waarom wil hij die poepzak, zijn tuin ís toch al volledig overwoekerd? We vragen het hem niet.

5 Minuten te laat vertrekt mijn jongste naar zijn voetbaltraining en terwijl ik kijk hoe hij in het kielzog van de paardjes wegfietst, dringt tot me door dat het nergens op sloeg, mijn wens om indruk op hem te maken met mijn ‘kijk, twee paardjes in de steeg!’.

Hij weet niet beter, hij is in dit dorp geboren.