Over het begin van het einde

“Tenzij je in god en de hemel enzo gelooft, snap ik niet waarom we dood moeten gaan. Ik kan me er niets bij voorstellen. Hoe gáát dat dan?! Dan bén je er dus ineens niet meer, ofzo?!”

‘Ik begrijp geloof ik precies wat je bedoelt, vent. Toen ik klein was heb ik een keer keihard gehuild toen ik ineens besefte dat we allemaal doodgaan. Ook ík dus. En ik vond dat heel erg eng en belachelijk en kon dat net als jij niet bevatten.’

“En weet je wat ik óók zo stom vind? Dat alles wel gewoon doorgaat. Terwijl ik dóód ben en niet meer meedoe. Met níks! Waarom moet je DOOD??!”

Ach dat mannetje, radeloos pissig over dit gegeven. Misschien is het tijd voor wat good old Wijsheid:

‘Weet je, het gaat er allemaal om wat je doet met de tijd die je wél hebt, want het is de enige echte zekerheid die je hebt als je wordt geboren. Namelijk dat je op een dag zult sterven. Alles gaat dus om wat jij doet met wat daar tussen zit.’

….

Het probleem met Wijsheid echter, is dat je het vaak pas snapt, als het zo ver is. In dit geval als je zelf een ouwe sok begint te worden of iets dusdanig heftigs hebt meegemaakt, dat de urgentie van het leven zich als vanzelf aan je openbaart.

Beide is hier niet het geval en ik word ogenblikkelijk afgestraft:

“JÁÁ, LEUK HOOR, mam! Dit is dus precies het ENIGE wat ik NIET wilde weten!!!”

Schiet.Nou.Eens.Op!

image

“Schiet nou eens òò-hòòppp!!”

Voor de 4e keer mept hij zijn in elkaar gedraaide (d)rol van voetbalsokken door de kamer met een pvc buis die eerst onderdeel van de zelfgemaakte kruisboog was maar nu zonder touw gewoon weer een simpele buis. En voor de 4e keer roep ik dat hij op moet schieten, telkens met een van ergernis harder wordende stem.

Hóe vaak moet ik hem iets zeggen? En wanneer is hij nou eens oud genoeg om zélf te bedenken dat hij zich een kwartier vóórdat hij weg moet naar die training moet omkleden. Wanneer snapt hij nou eens dat hij de boel serieus moet gaan nemen als mijn stem harder wordt en ik de eerste keer ook al niet heel soepeltjes klonk?!

Allerlei dingen komen tegelijkertijd op me af, terwijl het gewone (lees: de kinderagenda) doorgaat. En het is woensdagmiddag dus het gewone is per definitie al druk. In een verwoede poging de boel de baas te worden, begin ik het onverwachte lukraak op te lossen, in de hoop dat de rust dan wederkeert.

Werkt van geen meter natuurlijk: de stress bouwt zich op en straalt af op alles. Dus ik sis voor de 5e keer verbeten tussen op elkaar geklemde tanden: Schiet.Nou.Eens.OP!!, alsof het allemaal zijn schuld is.

Inmiddels zit hij op de grond en sleurt de ellenlange sokken over zijn scheenbeschermers. In alle rust en op geen enkele manier onder de indruk of aangedaan.

“Mama, jij zei een keer dat het niet uitmaakt en dat elk moment goed is om te bedenken dat je álle tijd van de wereld hebt…”.

Whut? Vanuit mijn woeste waas dringen zijn woorden maar voor een deel tot me door.

“Wíe heeft dat tegen jou gezegd?!?”

“‘Jij, mama! Jij zegt dat altijd. En ik doe dat dus nu.” Vrolijk wetende oogjes kijken mij aan.

Ineens weet ik waar hij op doelt, twee lesjes die hij losjes samenvat: “Elk moment is een goed moment om opnieuw te beginnen” en “Als je jezelf vertelt ‘Ik heb alle tijd van de wereld’, blijf je rustig en raak je niet opgefokt door de klok.”

Ach. Luistert hij écht naar die dingen die ik wel eens tegen ze roep; van die inzichten die ik als ouwe sok soms heb en die vooral voor mezelf bedoeld zijn maar die ik toch met íemand moet delen?!

Soms zijn de liefste cadeautjes het beste verstopt.

 

Wij hebben inderdaad geen haast.

 

 

 

 

Why kids gewoon (should) rule

Kids Rule!

“Hee grote vriend, kan dit wel vind je, deze best korte broek, of heb ik daar te dikkige benen voor?”

Joh. vraag je dat nou echt aan je kínd?

Ja-ja, ik weet het. Idiote vraag aan je zoontje van 6-bijna-7. Maar goed, ik vraag het me nu eenmaal af want mijn short waar ik me zojuist heb ingewurmd zit ineens Heel. Erg. Strak. terwijl dat nooit zo is geweest. Het zit me niet lekker, letterlijk en figuurlijk niet en ik heb het eruit geflapt voordat ik er erg in heb. Daarbij is hij kind dus eerlijk, hij heeft tenminste geen enkele motivatie om het niet te zijn (hij weet trouwens ook dat hij gróte straf krijgt als hij jokt). Dus.

Hij neemt me serieus en bekijkt me eventjes van top tot teen.

“Mama. Ik vind het mooi.”

‘Oh dank je, lieverd. ‘

We lopen verder. Hij begint te draven en rent dan voor me uit. Ineens stopt-ie.

“Maar weet je, mam. Ik lét daar ook niet op. Je kunt het er beter helemaal niet over hebben. Jij komt eraan. En dat is gewoon goed en mooi. Maar als jij dan zelf over je benen begint dán gaat iemand ernaar kijken. Je moet het gewoon láten. Het is gewoon góed.”

Zijn woorden omarmen me.

‘Wat een top-opmerking, vent! Ik vind het ongelooflijk zoals jij het snapt en mij dat uitlegt…’

Met een grijns en nonchalant gebaar haalt hij een schouder op, draait zich om op zijn hielen en begint weer te draven.

“Okay mam. Maarre, ik gaf je maar gewoon een tip hoor.”

….