Aan de LAT

IMG_0119Sinds een kleine twee jaar ben ik gelukkig met mijn nieuwe liefde. We wonen niet ver van elkaar maar ook niet om de hoek. Vaak krijgen wij de vraag: “Gaan jullie al samenwonen?”

Het antwoord is simpel: “Nee.”

Half elftal

Onze samengestelde set bestaat uit 8 mensen: wij tweetjes met ieder 3 = 6 kinderen. Vijf hardcore pubers en één buitelaar. Een half elftal grote lijven met goeie koppen dat over elkaar heen kakelt, stompt en giechelt.

Superleuk, superdankbaar en natuurlijk heus ook om af en toe knettergek van te worden. Want het is nogal veel! Veel mens, veel kind, veel energie. Meestal krijg je dat ervan, heel soms kost het je. Het mooiste van alles is dat deze 6 lijven het, als ze bij elkaar zijn, ontzettend leuk en goed hebben met elkaar.

De grote uitdaging is wat ons betreft hoe we dit leuk hoúden; voor onszelf, voor hen en met z’n allen? Wij beiden zijn overtuigd van het feit dat het goed gaan met z’n 8-en, een sine qua non is voor het goed gaan met z’n tweeën.

En daarom gaan wij niet samenwonen.

Het werkwoord LAT-ten

Laatst besefte ik dat wij dus ‘LAT-ten’. Een grappige realisatie want ik had er eerder geen seconde bij stilgestaan dat ík nu aan ‘Living Apart Together’ doe. Het nam me mee terug naar de tijd waarbij voor mij als jong meisje afkortingen als LAT(relatie) en BOM(moeder) klonken als ver van mijn bed. Progressief-exotisch. Ik kende die termen absoluut niet van dichtbij maar uit de Jan, Jans en de kinderen …

Enfin.

Ik LAT, hij LAT, wij LAT-ten dus. En waarom werkt dat voor ons? Kijkend naar onze situatie, kom ik op 5 redenen:

1. Vechten hoeft alleen met bloedverwanten

Omdat alle kinderen hun eigen, veilige plek houden. Ons samenzijn tast hun gevoel van veiligheid binnen het eigen gezin niet aan. Geen andere regels ineens, geen onnodige gevoelens van onrust of moeten vechten voor je ruimte en aandacht. Dat hoeft nog steeds alleen met directe bloedverwanten.

2. Zelfbeschikking

De relatie tussen onze kinderen is goed en blijft naar ons idee op deze manier beter houdbaar. Enig gevoel van autonomie en zelfbeschikking, het idee dat zij hun eigen leven kunnen blijven leiden zoals dat min of meer was, vinden wij belangrijk. Ze hebben al genoeg niet-leuks meegemaakt en niets daarvan was zelfverkozen.

3. Hoge golven? Gladde zee graag!

De constructies waar je als co-ouder mee te maken hebt, kunnen enorm ingewikkeld zijn. Waarom zouden wij van twee gezinnen een nieuw gezin proberen te boetseren, dat vervolgens de helft van de tijd wel en de andere helft niet samen is? Een permanente golfbeweging die gaat van: met een heleboel naar met een paar tot even met z’n tweetjes en weer opnieuw. Golfbewegingen zijn leuk als afwisseling maar een gladde spiegel is noodzakelijk om weer op adem te kunnen komen.

4. Kinderen en Co

Laat ik niet licht over een praktisch aspect heenstappen: wij zijn dus beide onderdeel van een co-ouderschap. Daar zitten bepaalde voorwaarden aan verbonden. Eén daarvan gaat over afstand tussen ouders. In kilometers. Als wij zouden wíllen samenwonen binnen die context, moeten we precies in het midden gaan wonen. Ofwel: 6 kinderen die de helft van hun tijd ineens weg zijn uit vertrouwde omgeving. Best leuk avontuurlijk hoor, voor een kind, even ‘losgezongen zijn’ van alles, maar dan toch alleen als het een (eindige) vakantie betreft.

5. Mijn huis is ook míjn haven

Last but not least: zelf houden wij ook van ons helemaal-van-mijzelf stekkie. Onze eigen plek, die we tot haven van ons bestaan maakten in een moeilijke periode. Voor ons beide is het belangrijk dat die cocon er is. Om in terug te kunnen trekken en als gebalanceerde basis van ons zelfstandige leven met eigen manier van zijn, samen met de eigen bloedjes.

Aan de LAT

Heel soms hoor ik dat immer-kritische stemmetje in mijn hoofd dat vraagt: “Maar ben je dan niet 100% gecommitteerd aan je nieuwe relatie? Kies je niet gewoon de makkelijkste weg?”

Daar kauw ik, plichtsgetrouw als ik ben, dan even heel serieus op en kom telkens tot dezelfde slotsom: ik ben super-gecommitteerd, want er is niets lichtzinnigs aan een nieuwe, serieuze relatie waarin kinderen betrokken zijn en iedereen zich hecht aan elkaar. Óók in een LAT-relatie sta je precies daar: aan de LAT!

En wie zegt dat in ons geval de makkelijkste weg niet ook de beste en gelukkigste is?

 

 

 

Over monsters en hun plexus

monster-plexus-karate-spruitjes-spiegels-kinderen

“Mama?”

Hij ligt in zijn bed, moe van een dagje samen op pad. Na twee weken vakantie met zijn vader, nu een tussendoor dagje-met-nacht bij zijn moesje. Grote broer en zus zijn op zeilkamp dus eindelijk kan hij genieten van zijn welverdiende exclusivi-tijd.

‘Ja, lieve Diek?’

“Ik moet je even vertellen dat het wel goed gaat maar dat ik net bang was toen ik naar boven liep. Want ik dacht dat er enge monsters waren in mijn kamer. Dan durf ik bijna niet mijn kamer in want ik kan het ook niet zien als het zo donker is.”

‘Oh dat is heel naar, mannetje. En als je het ganglicht aandoet voordat je naar boven gaat? Dat kan, beneden aan de trap zit ook een knop voor boven.’

“Ja, dat weet ik maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik heb dat altijd, ook bij papa. Als ik lang bij jou ben geweest en weer bij hem thuiskom. Of nu, omdat ik lang bij papa ben geweest en vandaag weer bij jou.”

Terwijl hij me vertelt dat hij iedere keer zijn gevoel van veiligheid moet bevechten, vlamt op borsthoogte de pijnscheut op die ik lang niet meer heb gevoeld en loop ik schrompelig leeg als een lekke ballon. Zóveel dat ik niet weet. Dat lieve baasje, wat moet hij toch dapper zijn.

‘Wat goed van jou dat je me dit kunt vertellen, liefje. Ik zal er voortaan rekening mee houden en met jou mee naar boven lopen. Dan speuren we samen jouw kamer af.  En áls we dan een monster vinden, verslaan we die samen. Weet jij hoe we dat gaan doen?’

“Nee, weet jij dat, mama?”

‘Jij mag het verzinnen!’

“Oké, dan weet ik het. We roepen “BOEOE” en als het monster schrikt, sla ik hem keihard op zijn kern, de plexus heet dat. Of zoiets. Dat heb ik bij karate geleerd.”

Terwijl ik inwendig brul om zijn eigenwijze ‘plexus’, doet hij het even voor. Geen verdrietige oogjes maar een bloedfanatieke killersblik. En met de nog naschrijnende vlam in mijn eigen kern, zie ik dat de monsters geen enkele kans maken.

Een bitterzoete geruststelling; met dat vechten en die veerkracht zit het wel goed. Ook op dit vlak geldt het stap-voor-stap. Voor hem, voor mij, voor ons allemaal.

‘Ik vind dat een heel goed en dapper plan van jou. En ik verheug me er stiekem zelfs op!’

“Haha, gekke mama.  … Nou, ík ook!”

Limonade met een twist

limonade-twist-spruitjes-siegels-mamablog

 

We komen door de bocht gereden en passeren mijn voormalige schoonmoeder die langs de weg op iets of iemand staat te wachten. Terwijl wij luid toeterend voorbij zwaaien en zij ons niet herkent, ontspint zich een gesprek over schoonmoeders. Want Jongste van 7 wil weten of wij wel vriendinnen zijn of waren.

“Nee, dat zijn we niet en waren we ook niet. Maar ja, dat ben ik ook niet met mijn eigen moeder.”

“Maar dát komt ook omdat het jouw móeder is en niet jouw vriendín.”

Klopt, zo zie ik dat ook met schoonmoeders, vent. Maar ik vind haar wel heel aardig, hoor.”

Nadat we een stuk of vier mogelijke schoonmoeders voor zijn toekomst hebben bedacht, neemt hij een drastisch besluit.

“Ik ga het net zo doen als jullie mama, ik ga ook niet trouwen.”

Op dit punt denk ik dat hij het heeft over samenwonen of geregistreerd partnerschap in plaats van een bruiloft met alles er op en eraan, zoals inderdaad het geval was in de situatie van zijn vader en mij. Maar nee, hij bedoelt iets heel anders:

“Ik ga alleen maar scheiden.”

Volledig verrast door deze wending en de droge toon van zijn statement, schiet ik in de lach.

Beledigd: “Ja nou, máh-maa! Ik heb gewoon geen zín in al dat gekus de hele tijd. Gatver. Dat is gewoon níets voor mij!”

Vertrouw je me als ik je zeg dat het beter wordt?

Shoot

Zijn papa en mama gaan niet meer samenwonen. Hij weet dat wel maar hij wíl het niet weten. Zo’n moment en gesprek dat alles in mijn buik even samenknijpt van onmacht, omdat ik dit verdriet niet voor hem kan oplossen.

Op zich gaat het goed. Heel goed, er is zelfs ruimte ontstaan voor nieuwe liefdes. Iedereen gaat fijn en harmonieus met elkaar om. Beter in ieder geval dan toen we nog samen waren. Maar uiteindelijk maakt dat in de ogen van de jongste van 7, helemaal niets uit.

Het is in zijn beleving allemaal leuk en aardig maar de gedachte dat zijn ouders bij elkaar moeten wonen, geeft hij niet op. Toen niet. Nu niet. En waarschijnlijk nog heel lang niet.

“Mama? Jij en papa hebben eigenlijk nooit meer ruzie, hè?!”
“Nee, dat klopt baasje. Dat is fijn, vind je niet?”
“Ja. Dan kunnen jullie dus weer bij elkaar gaan wonen!! Toch?”
“Lieverd, ik weet dat dit is hoe jij het wil. Maar dat is niet hoe het gaat.”

Schoudertjes zakken, koppie hangt. Ik neem hem op schoot. Middelste van 11 die het gesprek van een afstandje bekeken en beluisterd heeft, laat zich horen:

“Eigenlijk hè, mam, vind ik het niet meer zo heel erg, nu. Omdat het wel goed gaat zo en fijn voelt. Jullie zijn gewoon als goede vrienden en we gaan zelfs wel eens met elkaar op vakantie. En we kunnen met z’n allen op de verjaardagen zijn.”

Ik glimlach naar hem. Blij met zijn relativering en dat hij zich senang voelt. Echter no can do voor zijn kleine broertje:

“Nou. Maar ík wil gewoon dat er twéé ouders in mijn huis zijn. Niet in elk huis maar één! Bij papa is er dan niemand, want hij werkt. En bij jou ben jij er maar jij zit achter je computer. Ook aan het werk. Of je schrijft. En ik wil dat iemand spelletjes met míj doet! Hadden jullie niet kunnen wachten met scheiden tot ik iets ouder was?!”

Het overspoelt me, dit alles zo tegelijk. Het schuldgevoel. Het onvermogen. Het ik-doe-het-allemaal-niet-goed-genoeg. Het oneerlijke omdat als we nog wel bij elkaar zouden zijn, het niet anders zou zijn: vader aan het werk en moeder ook. Maar leg hém dat maar eens uit.

Hij begint te huilen. Hij wíl gewoon even heel hard huilen. Normaal lopen de tranen vanzelf uit zijn ogen, nu perst hij totdat ze rollen. En dat is helemaal oké, bij mij zit het ook hartstikke klem. Dus huil jij maar, lief mannetje, van binnen huil ik met je mee.

“Kijk mij eens aan, vent. Vertrouw je me als ik je zeg dat ik mijn best doe? En dat het beter wordt? En dat wij allemaal heel veel van jou houden, maakt niet uit wie waar woont?”

Zijn ogen zijn vol maar hij knikt. Godzijdank, hij knikt…

Het gevoel van een kind, hoe irreëel ook: het is er. En moet er mogen zijn; als kind slik je al zoveel weg omdat je je ouders niet wil kwetsen. Ook als de ouders zelf vinden dat ze het goed doen. Dus ik vraag en ik luister. Maar godjezusallemachtig, wat pijnlijk is dat soms.

Hee klein meisje met je blonde krullen

schommel

Wat kijk je verdrietig. En een beetje schichtig en beschaamd.

En wat kan ik me dat goed voorstellen. Zou ik ook hebben als ik jou was geweest. Zo klein, ik denk dat je 6 bent of misschien pas 5, tussen twee best grote mensen die zo hard tegen elkaar staan te schreeuwen op straat.

Zijn zij jouw papa en mama?

Ik zie dat jij mij ziet kijken. Heel even kijk je me recht aan en mag ik de diepte zien van jouw lieve oogjes. Dan net zo snel gaat er een gordijn overheen. Dicht gaan ze en weg kijk jij.

Wat zou ik jou graag een aai over je in de wind dansende krullen-bolletje geven.

Je zet een voorzichtig stapje, twijfelend over of je dichter naar het lawaai toe zal gaan of juist liever wat verder er vanaf. Je staat al een beetje op straat. En, oh jee, je struikelt in je ongemakkelijke beweging over je eigen voetje en komt daardoor verder de straat in gevallen.

Ik zie de auto, geef een waarschuwende roep en maak daarbij een zwaaiende beweging met mijn boodschappentas. Alles valt op de grond. De grote mensen stoppen nu even met schreeuwen en je papa pakt jou gelukkig net op tijd bij je arm. Opgelucht haal ik adem. Wat zal jouw mama blij zijn dat je weer veilig naast haar staat.

Maar ik snap het ook als jij nu niet zo goed begrijpt waarom je papa tegen jóu begint te schreeuwen. En daarbij heel hard aan je armpje trekt. Dat doet vast pijn. Ik denk dat hij misschien erg is geschrokken. En ik denk ook dat hij je direct heel veel kusjes en knuffeltjes geeft. En lieve woordjes als troost. En anders doet je mama dat zeker. Zij is wel ineens weggelopen maar ze komt vast zo terug. Hoop ik.

Eigenlijk wil ik aan je papa vragen of hij stopt met tegen jou te schreeuwen. En jou vertellen dat het allemaal heus goed komt. Maar ik weet niet hoe. Ik denk dat ik bang ben dat je papa tegen mij gaat schreeuwen. Dus ik zeg niets. En dat voelt rot. Ik heb er zelfs een beetje buikpijn van.

Ik raap mijn spullen van de grond en doe ze weer in mijn tas. Ik kijk nog even naar je. Jij kijkt niet meer terug.

Wat hoop ik dat iemand jou vandaag nog gaat vertellen dat er heel veel van jou gehouden wordt. Gewoon omdat jij bent wie je bent. Een lief, klein, blond meisje met huppelende krullen.

En nu wil ik graag naar huis. Naar mijn eigen kinderen. Om hen te vertellen hoe ontzettend veel ik van ze hou. Gewoon. Daarom.

Dag meisje.

 

Elementary

Elementary“Mama, gaan jullie nu weer bij elkaar wonen en zijn we dan weer sámen? Met z’n alle-maal?”

Grote lang gewimperde ogen kijken mij hoopvol aan.

“Nee liefje, dat gaan we niet.”

Een schaduw trekt over zijn gezicht, waterlanders wellen op en benemen ons even het zicht op elkaar. Ik dwing mezelf hem aan te blijven kijken. Wat ik zie grijpt als een koude klauw naar binnen, om mijn hart dat voelt als steen.

“Máh-ma!! Waaróm niet? Jullie hebben bijna helemaal geen ruzie gemaakt en het was echt superleuk. Dan kunnen we dus toch altijd allemaal samenzijn!!”

“Ik weet dat dat jouw liefste wens is en ik vind het heel erg dat ik die niet kan vervullen. We hebben met elkaar afgesproken dat we, als en zolang het kan, met z’n vijfjes op skivakantie gaan. Tuurlijk, wij willen ook dat zo’n week gezellig is samen. En dat lukt gelukkig. Maar we gaan niet meer met elkaar in één huis wonen. Je moet het maar zo zien dat papa en mama een beetje zijn zoals jullie drie met elkaar, als broer en zus. Dus niet meer als verliefd.”

Dikke, wanhopige tranen nu. Hij knijpt zijn ogen heel hard dicht en schudt zijn hoofdje heen en weer.

“Maar dan kán het juíst!? Wij maken best vaak ruzie maar we gaan toch óók niet allemaal ergens anders wonen!!??”

“Ach mannetje, ik vind het zo erg voor je dat je zo’n verdriet hebt. En ík weet helemaal niet hoe dit voelt want mijn papa en mama zijn wel nog bij elkaar. Maar jouw papa en ik niet meer. En dat blijft zo.”

Hij huilt nog even hartverscheurend hard in mijn armen en gaat dan met rood hoofdje en natte wangen liggen om te slapen. Mijn hart wordt heel warm.

“Gaat het weer een beetje, liefje?”

Zijn verdriet heeft hem uitgeput, hij vertrekt al richting dromenland maar mompelt nog:
“Ja mama. Je weet het toch; ik ben gewoon heel ge-vóelig…”.

Mijn hart wordt vloeibaar, loopt vol en dan over.

Lieve Kiwi

imageUit de grond werd je gerukt, hardhandig met wortel en al. Bang voor het oncontroleerbare karakter konden ze je niet echt waarderen. Althans, daar leek het op. Maar jij liet je niet kennen en kroop uit het geslagen gat, je was er immers gewoon. Als een gebalde vuist kwam je boven en om de regenpijp heen vond je houvast in de wisteria met wie je een ontroerend pact sloot.

Ineengestrengeld vormden jullie een dak van groen. Weldadige koelte en waterdichte bescherming daar in dat tuintje op het zuidwesten. Jullie samen bloeiden naar hartenlust en toen … kwam het jaar dat jij fruit ging dragen. Eerst een paar en vervolgens hing je voller dan vol. Home farming werd een begrip via de eco-kap die uitbundig genoot en deed genieten.

Toch, sluipenderwijs, kwam de klad in die ooit zo vruchtbare verstrengeling. Blad viel ineens flink en voortijdig uit. Het groen werd minder, tsja, gróen. In het dak vielen gaten, het lekte water en verpieterende warmte. Jullie symbiose en synergie bleek te zwaar aangezet, werkte verstikkend. De eerdere ontworteling maakte dat jij  – hoe statig, sterk en aanwezig ook – kwetsbaar en wankel in de grond stond. Snoeien, eerst een beetje toen steeds drastischer, het hielp niet meer. Het gewicht drukte en geen adem is de dood; jullie moesten uit elkaar.

Je doet het nu alleen. En je doet het goed. Ik zie wel dat je het zwaar hebt en dat je moet bijkomen. Je hebt dit jaar veel minder fruit, de storm blies bijna alle bloesem weg. Maar je leert jezelf ermee omgaan. Jij past je aan en de elementen om je heen passen zich aan jou aan. Je merkt het nu; vrij kunnen ademen is het enige wat belangrijk is. Zodat weer alles kan stromen en jij weer echt stevig kunt wortelen.

Uitbundige draagkracht vanuit een veilige diepte; dat is wat ik jou toewens.

X