De haas en de fuik: een eerlijk gesprek

haas

“HOE is het in gódsnaam mogelijk dat dít verhaal (wijst een blog aan) ZO veel reacties en likes krijgt??! Ik heb een tijdje geleden EXACT zo’n stuk geschreven en daar gebeurde helemaal geen RUK mee! Nu is het klaar, ik kap ermee. Ik ga NOOIT meer iets schrijven!

Het leidt gewoon tot niets!”

“Waar wil je dan graag dat het toe leidt?”

“Mán, dat vind ik zo’n shit-vraag! Weet ík veel. Het hoeft niet per se tot iets tastbaars of groots te leiden maar als mijn stukjes 0,0 opleveren in de zin van reacties dan is dat een teken dat het niet goed is, niet leuk is of nergens op slaat. En daar BAAL ik van, want ik doe op elk stuk mijn best en als ik op publish druk dan denk ik altijd: Dit is goed. En dat IS het dus niet! Ik zie het kennelijk verkeerd en heb het duidelijk totaal niet begrepen!!”

“Zoiets zegt toch niets over of men het leest of het wel/ niet goed vindt? Ik lees ze altijd, vind ze vrijwel altijd echt goed en druk vrijwel nooit op like want ik hou daar niet van. Dat geldt volgens mij voor velen.”

“Dat snap ik op zich wel maar daar heb ik dus GEEN BAL aan. En daarbij; op andere stukken zijn wel al die likes en reacties. Het klopt daarom niet wat je zegt. Zij raken waar ik ergens iets mis. En het maakt mij onzeker en verdrietig maar ook woest.. van frustratie.

“Maak je er dan niet afhankelijk van. Zet het niet online. Schrijf! Maar alleen voor jezelf!?”

“Helaas; voor gevoel van succes ís het een afhankelijkheidsrelatie. Door hoe dit werkt. Want natuurlijk, ik schrijf voor mezelf. En m’n kinderen. En voor wie dat wil. Maar ik hou ook van het delen en de respons, het gevoel er toe te doen. Aandacht. Waardering. ERKENNING, verdómme!

Klinkt dat sneu? Ja, nou ja, vind ik ergens ook. En het past niet in het streven van dankbaar, mindful en al dat soort hoger ge-emmer. Maar godver, zo voel ik het gewoon; aards, primair, stront, kak, POEP! Ik bén geen monnik. Ik ben een mens! Met hashtag-faal erbij.

Want ik kan wel zeggen dat het me niet boeit en dat ik zó doorontwikkeld ben dat ik totaal zen en stoïcijns doorstruin, onaangeraakt door de opinie, maar dat is natuurlijk GELUL! Het raakt me WEL. Het gaat over MIJ!

En dan hou ik me ook nog onwijs in. Schrijf helemaal niet zoals ik eígenlijk zou willen. Steeds maar rekening houden met anderen; ouders, kinderen, exen, omgeving en wat dacht je van opdrachtgevers. De mensen met wie ik werk? Echt zó schrijven als dat ik zou willen? Waarschijnlijk te puur, te rauw, te intens. Krijg ik nu al wel eens terug. En we weten allemaal: als het niet in een bekend straatje past, is het makkelijk oordelen. Zelden terecht maar evengoed fnuikend.

Het maakt me razend en ik vind mezelf een angsthaas dat ik me hierdoor laat leiden, terwijl ik juist streef naar vrijheid en onbegrensdheid. Het liefst wil ik alles LOSlaten. Loslaten en gáán. Maar ik ben dus bang. Bang dat dit een prijs heeft die te hoog is voor mij om te betalen. Die ik mij niet kan permitteren.

Godsamme, een zee van onbegrensde mogelijkheden en ik zit in een fucking FUIK!

Moet ik er dan allemaal lak aan hebben, gewoon lak eraan en gaan?! Ik weet niet hoe. HELP me dan met het HOE! Alsjeblieft!!”

“Ja, ik wíl je ook helpen. Alleen; jij moet het doen zoals jij het wil doen. En weet je, misschien is het wel zo. Misschien is de manier waarop jij en ook ik dingen ervaren en ze zien, wel anders dan de meesten. En kun je niet uitgaan van begrip.”

….

“Tjeezus.

Wat een deprimerend k**gesprek…”

Het verhaal van de voetstappen

verhaal-voetstappen-dichtbij-zout

Als draden lopen ze langs de kustlijn, de voetstappen in het zand. Verhalen vertellend over degenen die ze daar achterlieten, voet voor voet hun stappen zettend op weg naar …. tsja, naar waar het ook is dat ze heengaan.

Want dat vertellen ze nu net niet, die voetstappen. De weg die ze lopen en hoe, kun je zien. Maar waar ze op een dag zullen stoppen blijft het grote geheim. Gelukkig maar.

Voor mij zijn ze mijn redding vandaag. Mijn visuele houvast aan de werkelijke, de meest basale realiteit. Die van de zee. Het strand. De zoute wind die mijn zonnebril beslaat en de woeste luchten waarin wolken en zon elkaar afwisselen. Die van mijn eigen adem en mijn eigen stap na stap.

Ik was het bijna kwijt, mijn adem. Kopje onder in die wereld die sinds kort onderdeel uitmaakt van mijn leven en mij verandert, omdat het anders is. Die wereld van helemaal online. In contact en gesprek met mensen die ik niet ken. Een wereld waarin ik niet weet wat nou precies echt is en van wie.

Het begon speels. Onder-zoekend. Leuke input voor blogs en ondertussen contact en aandacht. Allerlei media, van Facebook tot E-dating en van Twitter tot Instagram. Maar nu, nu het bloggen echt een onderdeel van mijn identiteit is, word ik geregeerd door diezelfde media. Want ook het bloggen gaat, in the end, om de cijfers. Het gaat om sharing, RT’s, comments en likes. Het gaat om gezien en gelezen worden. En jij bent één van de velen in een heel grote, volle zee.

Het maakt een kant in mij los die niet mijn beste is. De kant van de competitor, degene die de beste wil zijn, van zichzelf móet zijn. Die het absoluut geweldig vindt voor een ander als diegene succes heeft en tegelijkertijd het knagende geluid hoort in haar achterhoofd: ‘Waarom zij wel en jij niet?” Mijn grootste vijand die ik nog moet leren liefhebben. Ik durf er mijn adem niet op in te houden. Dat gebeurt vanzelf wel als, versterkt door de zuigende werking van de sociale media, het ademen mij vergaat.

Tot vandaag. Totdat ik de voetstappen zag van hen die mij voorgingen, de paden die zij trokken langs het strand.

Schoenen, schoentjes, gympen en laarzen afgewisseld door blote voeten en ontroerend kleine kindervoetjes. Teentjes die ooit hoorden bij een voet, alweer meegenomen door het water. De opvallend keurige voeten van een stoere kiter, die zijn hielen diep in het zand moest zetten om de ongeduldige kite te bedwingen, op weg naar die jubelende zegetocht over de golven en door de lucht.

Zoveel vertellen die stappen je, als jij dat wilt. Ze vertellen je of zij samen waren of alleen. Voorovergebogen zoekend of op de tenen hup, vooruit. Over een kwieke, lichtvoetige tred of een meer slepende gang. Over de drang om veilig te zijn en daarom ver van het water te lopen of juist rakelings erlangs, om net op tijd weg te springen of soms net te laat dus verder met een nat pootje.

En terwijl ik mijn eigen voeten neerzet, vind ik mijn adem terug en ook mijn gezonde gedachten. Mijn optimistische blik en liefdevolle oog. Achter mij aan verschijnt voor de toeschouwer die het zien wil, míjn verhaal van vandaag; van zwaarder naar licht.

Want het bloggen begon als liefde. Liefde voor mijn kinderen, liefde voor mezelf en voor het schrijven. Door vanuit een waarachtig gevoel iets te creëren en zo aan hen die mij lief zijn iets achter te laten. Door ze mee te nemen langs de gangen van mijn hoofd en mijn hart. En ook door met liefde iets over te dragen aan hen die mij willen lezen.

Ja, precies zó wil ik dat het bloggen voor mij blijft.

Patatje oorlog

troosteloos

Op het overvolle strandje zitten we naast een grote groep kinderen van een jaar of 12, misschien 13. De enige plek waar vanachter een muurtje nog een reepje schaduw tekent.

Een schriel meisje met strak gezicht ligt schuin voor ons met haar magere, witte lijf in de volle zon en grabbelt in haar tas. Ze trekt er een leeg pakje shag uit en gooit het ongeïnteresseerd in het zand voor haar. Een door de puberteit ongelukkig getroffen jongen schreeuwt van een meter afstand: “Zöhw-hee, blöhw jai?!!” Het schriele kind balkt terug met een stem die je niet bij een dergelijk postuur verwacht: ‘Jááh, nou-énnn?!!! Ík blöhw en jai neukt je moeder!!!!’

Zelf echt geen heilige rijzen de haren me hierbij te berge. Ik kijk uit mijn ooghoeken naar mijn middelste, de grote observator die altijd alles ziet en hoort. Hij kijkt stoïcijns voor zich uit.

Aan de andere kant vreet een hele rij jongens zich op misselijkmakende wijze een weg door talloze zakken chips en bakken patat het onderwijl doorspoelend met blikjes fris. Al kauwend, smakkend en klokkend schreeuwen en schelden ze elkaar permanent toe en wordt een dikker jochie, kennelijk de groeps-pispaal, onder het oorlogsdeel van een patatje gesmeerd. Hij smeert het op zijn beurt weer af aan het muurtje waar later iemand in gaat zitten. Ze kijken er allemaal wezenloos onaangedaan bij en ik heb het idee dat ik van een andere planeet kom. Ben ik dan zó naïef?

“Zullen wij even ergens anders gaan zitten? Ik vind het hier erg rumoerig.”

‘Is goed, mam.’

We pakken ons boeltje en verkassen. Ik probeer het unheimische gevoel van me af te schudden maar het lukt me niet goed. Als we weggaan van het strandje zien we de nog-net-niet-rokende-puinhopen die deze kinderen nu letterlijk en straks misschien ook figuurlijk achterlaten. Hopen troosteloos afval.

Aan tafel ’s avonds herhaalt Middelste in woord en gebaar smeuïg alles wat is voorbijgekomen daar bij dat muurtje in de schaduw.

Als hij klaar is ziet Oudste mijn gezicht: “Maak je maar geen zorgen hoor, mam. Wíj gaan denk ik niet zo doen.”

Why kids gewoon (should) rule

Kids Rule!

“Hee grote vriend, kan dit wel vind je, deze best korte broek, of heb ik daar te dikkige benen voor?”

Joh. vraag je dat nou echt aan je kínd?

Ja-ja, ik weet het. Idiote vraag aan je zoontje van 6-bijna-7. Maar goed, ik vraag het me nu eenmaal af want mijn short waar ik me zojuist heb ingewurmd zit ineens Heel. Erg. Strak. terwijl dat nooit zo is geweest. Het zit me niet lekker, letterlijk en figuurlijk niet en ik heb het eruit geflapt voordat ik er erg in heb. Daarbij is hij kind dus eerlijk, hij heeft tenminste geen enkele motivatie om het niet te zijn (hij weet trouwens ook dat hij gróte straf krijgt als hij jokt). Dus.

Hij neemt me serieus en bekijkt me eventjes van top tot teen.

“Mama. Ik vind het mooi.”

‘Oh dank je, lieverd. ‘

We lopen verder. Hij begint te draven en rent dan voor me uit. Ineens stopt-ie.

“Maar weet je, mam. Ik lét daar ook niet op. Je kunt het er beter helemaal niet over hebben. Jij komt eraan. En dat is gewoon goed en mooi. Maar als jij dan zelf over je benen begint dán gaat iemand ernaar kijken. Je moet het gewoon láten. Het is gewoon góed.”

Zijn woorden omarmen me.

‘Wat een top-opmerking, vent! Ik vind het ongelooflijk zoals jij het snapt en mij dat uitlegt…’

Met een grijns en nonchalant gebaar haalt hij een schouder op, draait zich om op zijn hielen en begint weer te draven.

“Okay mam. Maarre, ik gaf je maar gewoon een tip hoor.”

….

Adiós, muchachos!!

Adiós muchachos

“Natuurlijk mag u voor, meneer. En ook als u het gewoon aan mij zou vragen.”

Nadat ik drie keer zijn winkelwagentje venijnig in mijn knieholte geduwd had gekregen en hij daarna ineens naast me stond, liet ik de man van een jaar of 82 voor mij gaan. Kennelijk vond hij dat hij per definitie voorrang had.

Zwijgend stiefelend duwde hij zijn kar langs mij. Graag gedaan, hoor.

Op zich heb ik helemaal geen moeite mensen voor te laten gaan. Hoe ouder ik word, hoe minder gehaast ik me sowieso voel en zeker in de rij bij de kassa. Echter deze mensen, want ineens was er een net zo oude echtgenote aan de zijde van de oude man verschenen met nog een aantal losse items in haar armen, hadden kennelijk juist haast op hun oude dag.

De echtgenote liet haar armen los en dropte haar artikelen op de counter. De man tilde een heel krat uit zijn kar en zette dat er –nog altijd zwijgend- bij. Hierop stopte de caissière met scannen. “Meneer, zou u alstublieft uw boodschappen eruit willen halen want op deze manier is het voor mij wel erg ongemakkelijk.” Boos zuchtend haalde de man zijn artikelen uit het krat.

Op zich had ze het best op zijn manier kunnen doen, ik zag aan haar dat zij dat ook dacht maar dat ze had besloten deze man niet op zijn wenken te bedienen. En ik snapte precies waarom. Het was de stilzwijgende, dwingende manier van doen die haar ergerde. En hij kon heus praten, dat had ik gehoord toen hij zijn pakjes shag daarvoor bij haar collega had gevraagd. Toen ie nog achter mij in de rij stond.

Ineens zag ik dat er nog een grote fles olijfolie in de kar stond. Helemaal in het achterste hoekje, redelijk opgaand in de achtergrond van het karretje, dus niet erg zichtbaar. Geen van beide zette de fles op de band. Nu was ik toch erg benieuwd.

Hij rekende af, zette alle spulletjes terug in de krat en deze in de kar. De fles nu echt verstopt. Ze liepen de winkel uit. Ik rekende mijn banaan, avocado en blikje tonijn af (ja echt, meer was het niet), ontving de blik van verstandhouding van de caissière, knikte haar begrijpend toe maar wist ook dat ze geen idee had van de echte suspense.

Snel liep ik naar buiten en zag nog net de man zijn lege! kar in de rij wachtkarren schuiven en zijn muntje eruit halen. De fles olijfolie lag stoïcijns bovenop de andere spullen in de achterbak van hun autootje, waarvan de klep nog wagenwijd openstond.

Wat een vervelend, brutaal en koelbloedig stel, dit oude echtpaar. Ik wist niet wat ik zag: oúde mensen die zó doen?! Ik trok mijn wenkbrauwen op tot aan mijn haargrens en mijn mond viel open maar er kwam geen geluid uit. Wat kon ik zeggen?

“Ehm meneer, ik geloof dat u die fles olijfolie zojuist niet hebt betaald maar nu wel meeneemt, dus feitelijk is dit diefstal!”

Hij zou me in dat geval zomaar een oplawaai kunnen geven. Ik vond hun gedrag zo asociaal dat ik ineens zeker wist dat ze hun hand niet voor een handgemeen zouden omdraaien. Daarom liet ik het erbij. Nog heel even dacht ik – hoopte (of vreesde) ik- dat ik op zo’n Benidorm Bastards-manier voor de gek werd gehouden.

Maar nee hoor, hij stapte in en zij gaf gas: “Adiós muchachos!!” Alleen de uit open raam wapperende hand ontbrak eraan….

Ik had een ander beeld bij ‘de oudere’, gelukkig geconditioneerd vanuit diegenen die ik ken. Naïef blijkt nu, Twitter heeft er zelfs een eigen woord voor: #aso-snowy

#weerwatgeleerd