Waarderen

90863CF2-E606-4D2E-9201-585C7509B651

“Mam, wát heb jij allemaal gedaan deze dagen?”

Jongste en ik zitten saampjes aan de woensdaglunch en nemen de maandag en dinsdag even door want dan zijn zij bij hun vader. Mijn attente vriend houdt niet alleen van vertellen en aandacht opeisen, hij is ook oprecht geïnteresseerd in anderen en hun welbevinden. Een mooie eigenschap.

“Nou, ik heb voornamelijk gewerkt, had ook veel afspraken.”

“Oh leuk en was dat dan voor nieuwe opdrachten?” Op een of andere manier hangt voor hem iets magisch rond het bezig zijn met nieuwe opdrachten; vindt hij het stoer dat zijn moeder dit doet en daarnaast snapt hij de kick van het ‘scoren, het ‘landen’ van een klus.

“Ja, inderdaad mannetje, ook een heel leuke nieuwe opdracht. Alleen gisteren had ik een kennismakingsgesprek met iemand voor een nieuw coachingstraject, weet je nog dat ik je dat vorige week vertelde? Maar na 5 minuten praten wist ik dat ík voor nu niet degene was om deze persoon te helpen. Dus dat heb ik toen aangegeven: “Het is beter voor jou om ander soort hulp te zoeken.”

Hij is even stil, denkt na over wat ik vertel.

“Maar mam, kon jij dat wel zeggen? Ik bedoel, was je niet bang dat ze jou misschien niet goed zouden vinden en nu dus niet meer terugvragen?”

Zoals zo vaak verwonder ik mij over zijn slimheid maar vooral inlevingsvermogen.

“Jeetje, ik vind dat een knappe vraag van je. Zo van: als ik dit aangeef, geef ik eigenlijk toe dan ik niet goed genoeg ben. Bedoel je dat?”

“Ja?!”

“Ik zal eerlijk zeggen, heel even ging precies wat jij zegt door mijn hoofd en was ik bang dat ze zo zouden kunnen denken. Maar dat hield mij niet tegen het toch te zeggen. Omdat ik vind dat ik heel eerlijk moet zijn over wat binnen míjn macht ligt en wat niet. Stel dat iemand meer last krijgt omdat ander soort hulp nodig was. Dán zou ik mijn werk juist niet goed doen. En nu, met het aangeven van mijn grens, wel! Snap je dat?”

Hij denkt, knikt en kijkt mij dan aan met grote ogen vol bewondering.

“En weet je, mama? Ik vind jou daarom echt Súpergoed!”

Hij springt van zijn stoel en geeft me de grootste, liefste knuffel die hij in zich heeft.

Ik schatte mijzelf op waarde, trok een grens en oogst daarmee de hoogste waardering: ❤️

Niet gek.

 

Als ik hier niet meer woon

image

“Mama? Wat doe jij ook alweer eigenlijk voor werk?”

“Ja, dat is een goede vraag! Ik probeer het makkelijk te zeggen: soms willen mensen of bedrijven dingen anders doen of beter en dan help ik hen daarbij.”

’n Starende blik. Hij knikt wat halfhartig, ik zie dat hij het niet echt begrijpt. Logisch, want het is totaal niet concreet. Wat is in hemelsnaam een ‘bedrijf’ voor een 8-jarige? Dus ik probeer het nog eens:

“Ik doe een beetje hetzelfde wat jouw voetbaltrainer en -coach doen, maar dan met mensen die ergens met elkaar aan het werk zijn.

Dit valt beter. Hij knikt nu vol.

“Maar dat schrijven, daar verdien jij toch geen geld mee? Waarom dóe je het dan?!”

“Dat doe ik om twee redenen. De eerste is dat ik schrijven heerlijk vind en zo aan mensen die misschien met mij willen werken, kan laten zien hoe ik naar dingen kijk want dat beschrijf ik in korte verhaaltjes. En de andere, veel belangrijker reden is dat ik wil nalaten hoe ik jullie zie en beleef en hoe trots ik ben op hoe júllie zijn en beleven. Elk verhaaltje vertelt hoeveel ik van jullie hou maar is elke keer weer anders. Dus ook voor later voor jouw kindertjes; net als een foto maar dan in woorden.”

Hoera, dit valt goed. Zijn oogjes glimmen al van voorpret.

“Wanneer mag ik het dan lezen? Als ik uit huis ga? En wat is ‘nalaten’?”

“Ja zoiets, dan krijg je het in een mooi boekje mee, al jouw verhaaltjes. En ‘nalaten’ betekent dat je deze herinneringen hebt, voor als ik er niet meer ben.”

’s Avonds wanneer hij in zijn bedje ligt en ik hem als altijd nog even kriebel en kroel, betrekt ineens zijn gezicht en begint hij zachtjes te huilen:

“Mama, ik wil niet nadenken over dat jij er niet meer bent. Dan wordt mijn hart heel dik en zwaar en krijg ik buikpijn.”

Hij kijkt er zo gepijnigd bij dat ik hem helemaal in de kom van mijn armen stop.

“Ik wil die verhaaltjes gewoon lezen als ik uit huis ga en alleen maar hier niet meer woon omdat jij dan een oud vrouwtje bent. Maar dat ik je altijd kan bellen en dat we dan heel hard kunnen lachen als ik jou voorlees uit wat jij nu hebt geschreven.”

Samen gniffelen we daar vast om.

En zonder dat hij het doorheeft, maakt hij weer zo’n fijn verhaaltje. Die van een lach, een traan en een heleboel liefde.

Toen álles nog liefde was …

 

don't walk, dance - spruitjes met spiegel

Drie jaar geleden zat ik achter het stuur met drie jongens tussen de 5-9 jaar op de achterbank. De autorit duurde twee uur. Normaal gesproken geen sinecure, dit keer vooral groots genieten. Ik herinner me een verhalenfeest en een paar opmerkingen van mijn jongste zoon die mijn moederhart deden smelten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat hij-van-toen-5 nu ook al 8 is. En dat ik het dus waarschijnlijk binnenkort, als niet nú al, moet doen met deze zoete herinnering…

Halverwege de rit zijn we als ik mijn middelste zijn neefje hoor vertellen wie de player van zijn klas is. Op mijn vraag wat een ‘player’ in hun wereld is, legt hij mij uit dat dit de gast is die met álle meisjes in de klas verkering heeft gehad.

Niet gek, lijkt me, voor een 8-jarige.

Als ik vraag wat jongens en meisjes van die leeftijd dan precies dóen bij verkering, somt hij op dat je dan meestal samen speelt of misschien een keer naar de bios gaat of gewoon, niets doet. Dan voegt hij eraan toe dat hij het wel uitermate vreemd vindt dat desbetreffende player in de pauze zijn oogappel(s) van dat moment over het schoolplein sleurt of op de grond smijt, “of zoiets”.

Tsja.

De jongste zoemt op dit alles instemmend mee en ik wend me tot hem: “Weet jij wat verkering hebben betekent?”

“Ja, dat je verliefd bent.”

“En mannetje, ben jij verliefd op iemand uit je klas?”

“Nee. Dát zijn gewoon mijn vriendinnen. Ik ben maar op één iemand verlíefd en dat is mijn moeder!”

Kijk, dat zijn de betere teksten.

“En eigenlijk is het meer dan verliefd. Het is … het is álles!!”

Terwijl ik in katzwijm de auto op de weg houd, zie ik in de achteruitkijkspiegel dat de andere twee elkaar aankijken met opgetrokken wenkbrauwen en een blik van ‘ja-die-kennen-wij-en-dat-gaat-snel-genoeg-weer-over’.

Heren: het kan me geen bal schelen wat jullie weten, ík tel al mijn zegeningen op elk moment!

“Is hij nou mijn stief-váder?” en andere enge vragen bij een nieuwe liefde

IMG_9909

En toen was er nieuwe liefde in mijn leven. Heerlijk maar ook spannend. Beiden komen we met kinderen, exen, ouders en andere aanverwanten. It’s a first voor ons en ook voor hen. En dat maakt dat af en toe enge vragen worden gesteld.

Vragen waarbij mijn mond wel opengaat maar er slechts vage woorden of niet-determineerbare klanken uitkomen. Antwoorden waar niet zo heel veel touw aan vast te knopen valt.

Help!

Waarom vind ik het enge vragen? Omdat ze me eraan herinneren hoe het eerder ook misging en niet alleen ik maar ook anderen daar heel verdrietig van waren. Omdat ik merk dat er derden zijn die niets met onze liefde te maken hebben en wel onlosmakelijk zijn verbonden met onze relatie. Omdat het prima is dat je eígen kinderen soms zien, horen en dus weten dat jij een boze moederheks kunt zijn, maar heel zielig voor andermans kinderen.

En overall omdat het hartstikke kwetsbaar voelt: het managen van andermans verwachtingen wanneer je ze juist zelf probeert níet te hebben en het dealen met andermans angsten als je die van jezelf nog tracht het hoofd te bieden. Ja, wat mij betreft ernstig enge vragen dus:

Mama, wanneer gaan jullie trouwen?

Mijn jongste van 7 mist iemand in een 1-ouder gezin. Slechts één groot mens in huis past niet in zijn utopische plaatje van hoe het ’t beste toeven is. Natuurlijk wil hij dat papa en mama gewoon gezellig samen in hetzelfde huis wonen maar als dat niet kan, dan is de tweede beste oplossing een andere leuke volwassene. Dus wat hem betreft geldt: niet te lang dralen, the more the merrier, vooruit met de geit. Praktische bezwaren doet hij sowieso niet aan en dat zijn moeder enkele mentaal-psychische ‘beertjes’ op haar weg treft, is niet iets om met hem te bespreken. Dus blijf ik hangen in een “Eehmm, tsjaa, nou, haha”-achtig non-antwoord. Ik kom ermee weg maar weet niet voor hoelang dat zal zijn.

Hou je wel het belang van de kinderen goed in de gaten?

Deze vraag is mijn achilleshiel pur sang. Want als ik íets doe in het hele proces van moeder-zijn, scheiden en nieuwe relaties hebben, is het mezelf schuldig voelen naar de kinderen en hen op de eerste plaats zetten. Ik moet eerder uitkijken dat ik mijzelf hierin niet voorbijloop of vergeet, dan dat ik niet über-zorgvuldig handel in het belang van mijn kinderen. Ja, óók als ik verliefd ben. Iedereen die mijn verhalen leest of kent, weet dat en de vraagsteller van deze vraag zou het zéker moeten weten. Het is goed bedoeld en ook vanuit zorg voor het kroost gesteld, desalniettemin ga ik er lichtjes van in steigerstand.

Het is er toch niet wéér een die direct wegvliegt?

Sinds ik hiervan ben bijgekomen, zie ik in dat de vraag voortkomt uit lieve betrokkenheid. De relaties die ik tot nu had, waren lang genoeg om mijn ouders ervan op de hoogte te stellen. Maar hen kennis laten maken met desbetreffende “beau”, daar kwam het niet van. Nu wel. Maar mijn ouders hechten zich ook aan mensen. Een ‘nieuwe’ ontmoeten, betekent voor hen dus dat zij zich weer open zullen stellen en daarmee ook het risico lopen van afscheid nemen. Maar ja, ik doe niet meer aan garanties waar het de zaken van het hart betreft. Dat heb ik geleerd. Dus mijn antwoord is: “Vandaag is het goed. En morgen vast ook.”

Blijft je bij ons slapen?

Natuurlijk blijf ik bij hem slapen. Maar nog niet als zijn kinderen thuis zijn. Het idee van 24/7 meedraaien in een gezin dat niet het mijne is of opstaan en dan met een soort vogelverschrikkershoofd de rest van het huishouden de stuipen op het lijf jagen: ik ben daar niet aan toe! Mijn zelfbewustzijn zou overuren draaien. Ik heb nog even tijd nodig en het ongecompliceerde van ‘just the two of us’. Heel moeilijk om uit te leggen aan kinderen die mij met open armen ontvangen. Het ligt aan mij lieve schatten, alleen aan mij!

Is hij nou mijn stief-váder?

Mijn middelste is degene die het meeste tobt, denkt, voelt en bij anderen stil staat. De blik in zijn ogen zuigt mij mee naar zijn beleving: wat moet hij hier nou écht van vinden? Deze nieuwe man, hoe leuk ook, is die er in plaats van mijn vader? Is hij nu de Man in Huis? En als ik hem leuk vind, pleeg ik dan een vorm van verraad aan mijn papa?

Ik stel hem gerust door te luisteren en te beamen dat er maar één papa is voor hem en dat alles wat hij voelt of denkt goed is. Ondertussen denk ik bij mezelf: ik vind het veel te fijn om alleen te zijn en mijn eigen ding te regelen en doen. Geen afhankelijkheid maar de Vrouw in Huis!

Enge vragen zetten aan tot moedig zijn

Deze vragen dwingen mij naar de toekomst te kijken. Ooit deed ik dat al en kreeg ik het deksel op mijn neus. En nu zie ik wat er gebeurt! Ik ben bang geworden: bang om op te geven wat ik verworven heb, bang om niet geaccepteerd te worden, bang voor -weer- pijn en verdriet. En dus verschans ik me in mijn nieuwe comfortzone en hou ik niet van enge vragen die me daaruit trekken. Maar de andere betrokkenen zetten mij zo terecht aan tot moedig zijn. Voor hen en ook voor mezelf.

Dus, let’s do this. Nieuwe liefde: inderdaad heerlijk en inderdaad heel spannend. Kom maar op met je enge vragen!

 

 

Al lachende zegt de zot zijn mening; want wie lacht is vrij

image

Tegen zoon van 13: “Hee vent, ik wil nog even terugkomen op gister. Ik zei tegen jou dat ik niet wil dat je me aankijkt alsof ik een boze heks ben. Jij gaf aan dat jíj dit niet denkt maar dat dit mijn eigen idee is. En je had gelijk. Ik vond mezelf op dat moment inderdaad onaardig. En omdat ik dat zèlf vond, dacht ik dat jij het ook vond.”

Een klein lachje op z’n gezicht, ogen kijken mij lief aan: “Ja mam, dat zei ik toch. Maar het geeft niet, hoor.”

Later vertel ik dit verhaal aan een meisje van 11. En moet lachen als ik vertel hoe mij liefjes de les gelezen werd.
“Dat is wel goed dat jij daar gewoon om kan lachen.” Ik zie een mengeling van een vraag en een lach op haar gezicht.

Met een knipoog maar tegelijkertijd ook serieus flap ik eruit: “Weet je, de dag dat je stopt met lachen om jezelf, is de dag dat je volgens mij beter vast in je kist kunt gaan liggen om te wachten op die eerste schep aarde.”

Een vertwijfelde blik. Ik meende het maar het was waarschijnlijk net iets teveel van het goede.

Als zij even later over leuke en niet-leuke leerkrachten vertelt en ik zeg dat ik overwogen heb juf voor pubers te worden, zegt ze: “Ik denk dat jij wel zo’n leuke juf zou zijn. Alleen dan wel ook een die moet lachen om zichzelf terwijl de kinderen het niet snappen.”

 

Right. Touché. 😄

Vertrouw je me als ik je zeg dat het beter wordt?

Shoot

Zijn papa en mama gaan niet meer samenwonen. Hij weet dat wel maar hij wíl het niet weten. Zo’n moment en gesprek dat alles in mijn buik even samenknijpt van onmacht, omdat ik dit verdriet niet voor hem kan oplossen.

Op zich gaat het goed. Heel goed, er is zelfs ruimte ontstaan voor nieuwe liefdes. Iedereen gaat fijn en harmonieus met elkaar om. Beter in ieder geval dan toen we nog samen waren. Maar uiteindelijk maakt dat in de ogen van de jongste van 7, helemaal niets uit.

Het is in zijn beleving allemaal leuk en aardig maar de gedachte dat zijn ouders bij elkaar moeten wonen, geeft hij niet op. Toen niet. Nu niet. En waarschijnlijk nog heel lang niet.

“Mama? Jij en papa hebben eigenlijk nooit meer ruzie, hè?!”
“Nee, dat klopt baasje. Dat is fijn, vind je niet?”
“Ja. Dan kunnen jullie dus weer bij elkaar gaan wonen!! Toch?”
“Lieverd, ik weet dat dit is hoe jij het wil. Maar dat is niet hoe het gaat.”

Schoudertjes zakken, koppie hangt. Ik neem hem op schoot. Middelste van 11 die het gesprek van een afstandje bekeken en beluisterd heeft, laat zich horen:

“Eigenlijk hè, mam, vind ik het niet meer zo heel erg, nu. Omdat het wel goed gaat zo en fijn voelt. Jullie zijn gewoon als goede vrienden en we gaan zelfs wel eens met elkaar op vakantie. En we kunnen met z’n allen op de verjaardagen zijn.”

Ik glimlach naar hem. Blij met zijn relativering en dat hij zich senang voelt. Echter no can do voor zijn kleine broertje:

“Nou. Maar ík wil gewoon dat er twéé ouders in mijn huis zijn. Niet in elk huis maar één! Bij papa is er dan niemand, want hij werkt. En bij jou ben jij er maar jij zit achter je computer. Ook aan het werk. Of je schrijft. En ik wil dat iemand spelletjes met míj doet! Hadden jullie niet kunnen wachten met scheiden tot ik iets ouder was?!”

Het overspoelt me, dit alles zo tegelijk. Het schuldgevoel. Het onvermogen. Het ik-doe-het-allemaal-niet-goed-genoeg. Het oneerlijke omdat als we nog wel bij elkaar zouden zijn, het niet anders zou zijn: vader aan het werk en moeder ook. Maar leg hém dat maar eens uit.

Hij begint te huilen. Hij wíl gewoon even heel hard huilen. Normaal lopen de tranen vanzelf uit zijn ogen, nu perst hij totdat ze rollen. En dat is helemaal oké, bij mij zit het ook hartstikke klem. Dus huil jij maar, lief mannetje, van binnen huil ik met je mee.

“Kijk mij eens aan, vent. Vertrouw je me als ik je zeg dat ik mijn best doe? En dat het beter wordt? En dat wij allemaal heel veel van jou houden, maakt niet uit wie waar woont?”

Zijn ogen zijn vol maar hij knikt. Godzijdank, hij knikt…

Het gevoel van een kind, hoe irreëel ook: het is er. En moet er mogen zijn; als kind slik je al zoveel weg omdat je je ouders niet wil kwetsen. Ook als de ouders zelf vinden dat ze het goed doen. Dus ik vraag en ik luister. Maar godjezusallemachtig, wat pijnlijk is dat soms.