Vertrouw je me als ik je zeg dat het beter wordt?

Shoot

Zijn papa en mama gaan niet meer samenwonen. Hij weet dat wel maar hij wíl het niet weten. Zo’n moment en gesprek dat alles in mijn buik even samenknijpt van onmacht, omdat ik dit verdriet niet voor hem kan oplossen.

Op zich gaat het goed. Heel goed, er is zelfs ruimte ontstaan voor nieuwe liefdes. Iedereen gaat fijn en harmonieus met elkaar om. Beter in ieder geval dan toen we nog samen waren. Maar uiteindelijk maakt dat in de ogen van de jongste van 7, helemaal niets uit.

Het is in zijn beleving allemaal leuk en aardig maar de gedachte dat zijn ouders bij elkaar moeten wonen, geeft hij niet op. Toen niet. Nu niet. En waarschijnlijk nog heel lang niet.

“Mama? Jij en papa hebben eigenlijk nooit meer ruzie, hè?!”
“Nee, dat klopt baasje. Dat is fijn, vind je niet?”
“Ja. Dan kunnen jullie dus weer bij elkaar gaan wonen!! Toch?”
“Lieverd, ik weet dat dit is hoe jij het wil. Maar dat is niet hoe het gaat.”

Schoudertjes zakken, koppie hangt. Ik neem hem op schoot. Middelste van 11 die het gesprek van een afstandje bekeken en beluisterd heeft, laat zich horen:

“Eigenlijk hè, mam, vind ik het niet meer zo heel erg, nu. Omdat het wel goed gaat zo en fijn voelt. Jullie zijn gewoon als goede vrienden en we gaan zelfs wel eens met elkaar op vakantie. En we kunnen met z’n allen op de verjaardagen zijn.”

Ik glimlach naar hem. Blij met zijn relativering en dat hij zich senang voelt. Echter no can do voor zijn kleine broertje:

“Nou. Maar ík wil gewoon dat er twéé ouders in mijn huis zijn. Niet in elk huis maar één! Bij papa is er dan niemand, want hij werkt. En bij jou ben jij er maar jij zit achter je computer. Ook aan het werk. Of je schrijft. En ik wil dat iemand spelletjes met míj doet! Hadden jullie niet kunnen wachten met scheiden tot ik iets ouder was?!”

Het overspoelt me, dit alles zo tegelijk. Het schuldgevoel. Het onvermogen. Het ik-doe-het-allemaal-niet-goed-genoeg. Het oneerlijke omdat als we nog wel bij elkaar zouden zijn, het niet anders zou zijn: vader aan het werk en moeder ook. Maar leg hém dat maar eens uit.

Hij begint te huilen. Hij wíl gewoon even heel hard huilen. Normaal lopen de tranen vanzelf uit zijn ogen, nu perst hij totdat ze rollen. En dat is helemaal oké, bij mij zit het ook hartstikke klem. Dus huil jij maar, lief mannetje, van binnen huil ik met je mee.

“Kijk mij eens aan, vent. Vertrouw je me als ik je zeg dat ik mijn best doe? En dat het beter wordt? En dat wij allemaal heel veel van jou houden, maakt niet uit wie waar woont?”

Zijn ogen zijn vol maar hij knikt. Godzijdank, hij knikt…

Het gevoel van een kind, hoe irreëel ook: het is er. En moet er mogen zijn; als kind slik je al zoveel weg omdat je je ouders niet wil kwetsen. Ook als de ouders zelf vinden dat ze het goed doen. Dus ik vraag en ik luister. Maar godjezusallemachtig, wat pijnlijk is dat soms.