Patatje oorlog

troosteloos

Op het overvolle strandje zitten we naast een grote groep kinderen van een jaar of 12, misschien 13. De enige plek waar vanachter een muurtje nog een reepje schaduw tekent.

Een schriel meisje met strak gezicht ligt schuin voor ons met haar magere, witte lijf in de volle zon en grabbelt in haar tas. Ze trekt er een leeg pakje shag uit en gooit het ongeïnteresseerd in het zand voor haar. Een door de puberteit ongelukkig getroffen jongen schreeuwt van een meter afstand: “Zöhw-hee, blöhw jai?!!” Het schriele kind balkt terug met een stem die je niet bij een dergelijk postuur verwacht: ‘Jááh, nou-énnn?!!! Ík blöhw en jai neukt je moeder!!!!’

Zelf echt geen heilige rijzen de haren me hierbij te berge. Ik kijk uit mijn ooghoeken naar mijn middelste, de grote observator die altijd alles ziet en hoort. Hij kijkt stoïcijns voor zich uit.

Aan de andere kant vreet een hele rij jongens zich op misselijkmakende wijze een weg door talloze zakken chips en bakken patat het onderwijl doorspoelend met blikjes fris. Al kauwend, smakkend en klokkend schreeuwen en schelden ze elkaar permanent toe en wordt een dikker jochie, kennelijk de groeps-pispaal, onder het oorlogsdeel van een patatje gesmeerd. Hij smeert het op zijn beurt weer af aan het muurtje waar later iemand in gaat zitten. Ze kijken er allemaal wezenloos onaangedaan bij en ik heb het idee dat ik van een andere planeet kom. Ben ik dan zó naïef?

“Zullen wij even ergens anders gaan zitten? Ik vind het hier erg rumoerig.”

‘Is goed, mam.’

We pakken ons boeltje en verkassen. Ik probeer het unheimische gevoel van me af te schudden maar het lukt me niet goed. Als we weggaan van het strandje zien we de nog-net-niet-rokende-puinhopen die deze kinderen nu letterlijk en straks misschien ook figuurlijk achterlaten. Hopen troosteloos afval.

Aan tafel ’s avonds herhaalt Middelste in woord en gebaar smeuïg alles wat is voorbijgekomen daar bij dat muurtje in de schaduw.

Als hij klaar is ziet Oudste mijn gezicht: “Maak je maar geen zorgen hoor, mam. Wíj gaan denk ik niet zo doen.”