Onbegrensd LTD.

LTD.

Hee lief drietal,

WAT.ZIJN.JULLIE.GEWELDIG!!

Zo, dat moest ik even groots noteren. Want echt, jullie bliezen me van mijn sokken vorige week. Ik ben altijd trots op jullie, dat weten jullie, gewoon omdat jullie het zijn. Maar soms ben ik SUPER trots. En dit was zo’n moment.

Het moment waarop ik vertelde over mijn actie van het ons opgeven voor “Ik ben een gastgezin voor een vluchteling”. Ik had dat gedaan toen jullie allemaal naar school waren, dus zonder enig overleg. Terwijl jullie de andere en evenzo gerechtigde bewoners van dit huis zijn.

Wat jullie niet weten: nadat ik ons had opgegeven, ben ik eventjes helemaal van de kaart geweest. Emotioneel en met een naar, dubbel gevoel. Want ik had nog niet op verstuur formulier gedrukt en daar kwamen ze hoor, de faalhaas-vragen: “Oh god, wat heb ik gedaan, straks staat er een heel gezin op mijn stoep. Waar láát ik hen dan allemaal? Kan ik dit echt wel, zo’n ‘verzorger’ bén ik helemaal niet. Of het blijkt een enge man, zit ik hier in mijn eentje!?”

Kortom, alle bedenkingen die er waarschijnlijk voor hadden gezorgd dat ik me niet had opgegeven, als ik eerst had gedacht en dan pas had gedaan. Onder dit alles schaamde ik me. Want waar hád ik het in hemelsnaam over; al dat leed van die vluchtelingen en dan maakte ik me druk om van die futiliteiten.

Maar jullie? Nee jullie niet, geen seconde. Jullie zijn veel dapperder, vrijer van geest en onbaatzuchtiger dan ik inmiddels ben. Natuurlijk ken ik jullie zo maar wat een feestje om op deze manier concreet te ervaren!

Mooie L. die met tranen in haar ogen naar de foto’s van de stromen mensen en dode kindertjes keek en uit de grond van haar hart zei: “Mama, ik vind het zó goed dat wij dit gaan doen!”

Lieve T. die direct bezorgd was over of we wel genoeg ruimte konden bieden aan die arme mensen. En daarop bedacht dat zijn kamer de grootste en dus meest geschikte was.

En de altijd enthousiaste D. regelde ogenblikkelijk het vrijkomen van deze kamer, zette zijn speelgoed klaar en riep met wijdse armgebaren dat we dan heel veel ruimte en spulletjes voor ÁL die mensen en kinderen hadden.

Hierna wist ik één ding zeker: zelfs al belt straks een heel elftal aan, wij kunnen dat. Jullie en ik.

Wat hou ik veel van jullie en wat ben ik dankbaar voor jullie, mijn lieve LTD. Ik hoop dat het jullie lukt om zoveel mogelijk van dat onbegrensde denken vast te houden.

Unboundedness is what makes you go places! Kus van jullie mama

Byebye stomme sliert!

byebye stomme sliert

“Het is ALLEMAAL MIJN SCHULD!!!”

Dikke tranen rollen over zijn warme wangetjes en dit verdriet snijdt dwars door mijn ziel.

‘Wat is allemaal jouw schuld lieverdje, waarom moet je zo huilen?’

“ALLES is allemaal míjn schuld! Omdat ík zat te schreeuwen aan tafel kon hij niet zijn verhaal vertellen en werd hij boos. En omdat ík niet mijn schoenen aandeed kwam zij wéér veel te laat en was jíj boos. En door mij is de televisie kapot en dat vind ik zo erg want nu kunnen we héél lang geen televisietje kijken. En nu denk ik dat alles door mij komt.”

Ach, dat dappere baasje met de zwaarte van schuld op zijn kleine schoudertjes. Schaamte en schuld: erger wordt het niet. Wat knap dat hij dit op deze manier aan kan geven.

‘Weet je wat wij gaan doen? We gaan die vervelende gedachte nu meteen aan de wind meegeven! Weet jij al hoe dat gaat?’

Grote traanogen met een vraag erin en in de verte een sprankje hoop.

‘Pak maar een zakdoekje en snuit je neus; zachtjes maar niet té zacht, want anders kan ik er niet bij. Goed zo, daar komt het al, net een noedelsliert, zie je dat? Dan neem ik je zakdoekje nu over en trek langzaam alles wat eraan vast zit naar buiten. Zooo … heeeel voorzichtig, beter als t niet breekt.’

Terwijl we samen zachtjes de vervelende gedachte uit zijn hoofd trekken straalt er ineens een glans in zijn natte ogen. Een glans van pure blijdschap en verwondering. Want wij zitten samen in het land van make believe, van verbeelding en verbondenheid. Het land waar álles kan.

Hij zet het raam open en ik wapper de onzichtbare schuld-sliert naar buiten, mee met de wind. Samen zwaaien we het ding gedag. Hij hard giechelend en ik met overstromend hartje. “Bye bye, stomme sliert!!!”

Hij kijkt me samenzweerderig aan. Zonder woorden sluiten we het pact: echt of niet echt, dat maakt niet uit. Dit is mooi, dit is leuk, dit werkt.

3300 voet

Terwijl ze slikte en nóg een keer maar de brok niet weggeslikt kreeg, grijnsde het haar als de onoverkomelijke waarheid in haar gezicht. Ze sloeg haar ogen op en keek het recht aan. Ja: ze zou moeten springen.

… Voor iemand met een mate van hoogtevrees en een misschien niet aangeboren maar wel ergens aangehaakt gebrek aan gevoelde veiligheid, is de suggestie om alles los te laten, de aanloop te nemen en van de berg te springen, ongeveer hetzelfde als vragen of ze zich alsjeblieft even op de hoogte van 3300 voet uit het vliegtuig wil laten vallen, alléén. Eerst is er de flits van avontuur, het ingebeelde gevoel van het heerlijke vallen en dan vliegen zo levendig dat het echt lijkt. Maar daarna neemt de ‘rede’ in het brein het over: want wie zegt dat de parachute het doet?? En trouwens, aan welk touwtje moet er dan in godsnaam op welk moment getrokken worden?! Jij weet helemaal niet hoe dat moet!! IMG_4433

De fysiologie verandert. De mond wordt droog, het hart gaat van verwachtingsvol kloppen over in een angstig gebonk en er ontstaat een pijnlijk gevoel tussen de ribben dat de ademhaling precies onder het borstbeen gevangen houdt. Angst.

Pure, onversneden angst. En wat doet dit met iemand? Yep; het verlamt. Dus gebeurt er niets. En gaat het moment voorbij en alles verder zoals het al was. En was dat nou niet precies waar het gevoel van het in een fuik gevangen zitten vandaan kwam? …

In een nanoseconde joeg het geijkte ‘ik kan het niet, in ieder geval niet alleen’ door haar hoofd terwijl de verlammende keten van reacties in werking trad. Maar net voordat de eerste scheut van pijn tegen haar ribben kon beuken, deed ze iets heel onverwachts. Ze haalde diep adem en zei: “Stop.”

Stop tegen de duivel, stop tegen haar brein. Het verbaasde haarzelf maar ze voelde zich wel ter plekke een stuk beter. Want ergens, weggestopt in een diepte, had haar moed bedacht dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met de onzin. Verontwaardigd door het permanent over het hoofd gezien worden, terwijl er zoveel situaties te noemen waren waar hij de hoofdrol had gespeeld. Glorieus had overwonnen en voor zalige momenten had gezorgd. Maar altijd als dat stomme brein zich ermee ging bemoeien, in ieder geval het ‘redelijke’ deel ervan, kon de moed het hazepad kiezen, want was er niemand die hem aandacht gaf. Dus vertrok hij stilletjes in de diepte, wachtend op het volgende moment dat het brein even sliep of het sop de kool niet waard vond. Arrogante kwal. Sinds wanneer is het je hele leven zelf regelen en financieel en emotioneel onafhankelijk zijn als sop de kool niet waard? Of het op dating sites staan wat een doodenge en naargeestige jungle van gekwetste zielen en lullige losers lijkt met af en toe een parel ertussen –tenminste dat hoop je dan maar -?! Of het besluiten je hele wezen open te zetten en een ander in alle openheid te ontvangen in plaats van achter een betonnen muur te beschouwen? Allemaal uitdagingen die buiten haar comfortzone lagen. En die ook eerst onmogelijk, lastig of eng hadden geleken maar eenmaal toe over gegaan prima te handelen.

Op een of andere manier lieten zij en haar moed zich iedere keer weer op een dwaalspoor zetten door het brein. Hoe dichter bij haar kern, hoe dikker het rookgordijn.

Maar nu: genoeg! Moed heette niet voor niets moed. En als je moed heet, dan moet je maar eens wat.

“Stop.” En ze sprong.