Voetbalvroege muesli

IMG_0166.JPG
Naar goed gebruik moeten we voetbalvroeg opstaan deze zaterdag, ja ook in de herfstvakantie. En naar goed gebruik zitten we samen met piekharen en dikke oogjes aan tafel, starend in het niets.
 
Traag en met tegenzin lepelt hij zijn bakje yoghurt met muesli naar binnen. Op een of andere manier smaakt dit op zaterdagochtend minder dan op een doordeweekse, zeg, donderdag. Wonderlijk is dat.
 
Met lange tanden gaat de ‘laatste’ hap naar binnen. Ineens vrij snel loopt hij met het ‘lege’ bakje naar de kraan, spoelt het om en daarmee de laatste drie happen weg, alvorens het bakje keurig in de afwasmachine verdwijnt. Ik doe alsof ik niets doorheb.
 
In mezelf gniffelend moet ik denken aan de kilo’s Brinta waar ik mij vroeger op exact diezelfde wijze van ontdeed. Onder het mom van ‘ik doe wat van mij verwacht wordt” met uitgestreken smoel een boevenstreek uithalen. En. Niemand. Die. Het. Merkt. Heerlijk om je dag te kunnen beginnen met een kleine overwinning. Zit je meteen lekker in de wedstrijd.
 
HIj kijkt mij quasi onschuldig aan en ‘ziet’ dat ik niets heb gezien. Tevreden klautert hij op mijn schoot. Zo zitten we een minuutje heerlijk warm te worden.
 
“Kom op baasje, je moet gaan.” Vandaag fietst hij voor het eerst op zaterdagochtend helemaal alleen naar de team-verzamelplaats. Het is tijd, hij is groot genoeg.
 
Schoenen aan, fietssleutel en voordeur in de hand en één voet al buiten, kijkt-ie nog even achterom: “Dag mam.” Met rechte rug loopt hij naar de schuur, rukt zijn fiets eruit die klem staat tussen de logge apparaten van de andere twee, die al groot zijn en daarom wel mogen uitslapen vanuit het kleintjes-vroeg-groten-laat-principe en spurt weg. Als hij langs mij racet, is daar nog een zwaai. “Dag, vent.”
 
Alleen aan de keukentafel staar ik verder in het niets. Ik kan het me nauwelijks voorstellen maar binnenkort komt echt de dag dat ik ook dit voetbalvroege ga missen.

Auw, je kníjpt!!

freedom

Het is vakantie.

Ze heeft de eerste van de middelbare met beheerste nonchalance doorstaan en overleefd en wat heb ik haar zien groeien, die knappe dochter van me. Zowel mentaal als fysiek. Er is ogenschijnlijk niets kleins meer aan haar. Zeker niet in vergelijking met de basisschool-knulletjes die haar broertjes zijn.

Ja, zij wordt groot en dat gaat vanzelf. Maar hoe-zo gaat dat eigenlijk vanzelf? Want ík bots al het hele jaar met haar en mezelf, in mijn drang haar richting te geven, te helpen. Maar hoe meer ik dat doe, hoe minder ze me nodig lijkt te (willen) hebben. Dus ga ik nog meer ‘coachen’. En gaat het coachen over in dwingen.

Terwijl ik dwing, duwt zij mij weg. Wanhopig pak ik haar arm vast. Geen wonder dat de blik die mij ten deel valt gevuld is met koele geringschatting. Maar precies díe blik doet mij stomen want triggert, zonder dat zij het weet, iets dat oud is, diepgeworteld zit en heel primair is. En dit alles maakt dat mijn hand begint te knijpen.

Ergens achter in mijn hoofd vraagt een stem wat ik aan het doen ben: “Zeg, hallo! Wat dóe je?!! Ben jij soms zo’n moeder die steeds maar nódig gevonden wil worden door haar kinderen? En word je nu boos op haar omdat zij jou duidelijk maakt dat ze daar niet op zit te wachten?”

Ja, wat bezielt mij?!

Ik voel alle verbinding tussen ons wegvallen: zij vertrekt in zichzelf, ik vertrek in mezelf. Tussen haar en mij alleen nog dat armpje met hand eromheen. Als symbool van waardeloze onmacht.

De blik van mijn dochter is inmiddels veranderd in een hele woeste. Maar nu begrijp ik het. Godzijdank begrijp ik het. Vastgehouden worden terwijl je het zelf moet doen en wíl doen. Vastzitten terwijl je op zoek bent naar jouw vrijheid. Natúúrlijk word je daar woest van, ik ken het zelf als geen ander.

Mijn met vulkanisch hete lucht gevulde, primaire ballon loopt in een grote diepe zucht leeg. Ga maar, lieve schat. Spring, dans, ren, struikel, val en sta weer op. En kom maar lekker bij je mama praten, lachen, huilen, eten en een hele liefdevolle knuffel halen als jij die nodig hebt.

Je weet waar ik ben.