Bye bye

Starfish graveyard

‘Verlaten worden is de derde grootste angst van de gemiddelde Nederlander’, hoorde ik op de radio. Ik vraag me af: is dit precíes wat het is of is het wat kort door de bocht gesteld?

Wanneer ik hierop kauw, komt mijn gevoel bij ‘verlaten worden’ naar boven. Hoe ik eens met straf op mijn kamer zat in mijn loei-grote ouderlijk huis en plotseling mijn ouders en broertjes allemaal zag vertrekken. Heel gek vond ik het – ik was pas 8 jaar – want niemand had iets gezegd en in de regel werden wij echt niet alleen gelaten op die leeftijd. Toen ik in huis wilde checken of het allemaal wel klopte, ging het alarm af en voelde ik me als een rat in de val. Afgesloten, oorverdovend lawaai en ik kon er niet uit want alles zat op slot. Kennelijk was ik heel stout geweest en was mijn lot navenant.

Die heeft er ingehakt.

De belangrijkste associatie met het verlaten worden is voor mij dat ik iets helemaal verkeerd heb gedaan en dus mijn verdiende loon krijg. Het is niet het verlaten worden wat ik vrees, het is de geseling van de gedachte aan verdiende straf. Een gedachte die pijn doet; misselijkmakend knijpend van binnen. Meestal ga ik dan om me heen meppen omdat het voelt alsof mijn leven ervan afhangt.

Dus daar, míjn waarheid over verlaten worden, uit een ver verleden maar waar ik nu nog last van heb. En met mij ook anderen. Ai …

Ik vermoed dat de meeste mensen niet zozeer verlatingsangst hebben maar dat het gaat om de associatie; een negatief gevoel dat onder het verlaten worden ligt. Alleen zijn. Niet leuk of goed genoeg zijn. Niet de moeite waard zijn. Zelf niet in staat zijn. Schaamte. Enzovoort. Heel naar, heel vervelend en soms zelfs heel destructief.

Grote gevoelens en diepe emoties kunnen worden getriggerd door op zichzelf relatief kleine of zelfs onbeduidende gebeurtenissen in het verleden die een enorme impact hadden én hebben.

En dan nu het goede nieuws! Verlaten worden of alleen zijn, bang zijn of je rot voelen; het zijn de situaties bij uitstek om met dit soort zelfkastijding af te rekenen. Een mogelijkheid om iets bij jezelf te herstellen en te groeien.

Je zult trouwens wel moeten want het is zwemmen of verzuipen. op je gezicht gaan jezelf oppakken en weer doorgaan. En nog eens en nog eens. Net zolang totdat je het ziet voor wat het is: een ongevaarlijke gedachte. Niets meer en niets minder. En van die gedachte kun je als je ‘m doorhebt, ter plekke afscheid nemen. Uit het raam wapperen en gedag zwaaien. Toedeloe!

Ik kan het weten want ik heb gewapperd, zwaai nog steeds en zal ook wel blijven zwaaien. Elke belemmerende gedachte die ik gedag zwaai, is er één minder. Het is de vrijheid die lonkt. Echte vrijheid, namelijk die van de ketenen waarin ik mezelf vasthoud.

Wil je nog beter nieuws? Als ik het kan, kun jij het ook.

Elementary

Elementary“Mama, gaan jullie nu weer bij elkaar wonen en zijn we dan weer sámen? Met z’n alle-maal?”

Grote lang gewimperde ogen kijken mij hoopvol aan.

“Nee liefje, dat gaan we niet.”

Een schaduw trekt over zijn gezicht, waterlanders wellen op en benemen ons even het zicht op elkaar. Ik dwing mezelf hem aan te blijven kijken. Wat ik zie grijpt als een koude klauw naar binnen, om mijn hart dat voelt als steen.

“Máh-ma!! Waaróm niet? Jullie hebben bijna helemaal geen ruzie gemaakt en het was echt superleuk. Dan kunnen we dus toch altijd allemaal samenzijn!!”

“Ik weet dat dat jouw liefste wens is en ik vind het heel erg dat ik die niet kan vervullen. We hebben met elkaar afgesproken dat we, als en zolang het kan, met z’n vijfjes op skivakantie gaan. Tuurlijk, wij willen ook dat zo’n week gezellig is samen. En dat lukt gelukkig. Maar we gaan niet meer met elkaar in één huis wonen. Je moet het maar zo zien dat papa en mama een beetje zijn zoals jullie drie met elkaar, als broer en zus. Dus niet meer als verliefd.”

Dikke, wanhopige tranen nu. Hij knijpt zijn ogen heel hard dicht en schudt zijn hoofdje heen en weer.

“Maar dan kán het juíst!? Wij maken best vaak ruzie maar we gaan toch óók niet allemaal ergens anders wonen!!??”

“Ach mannetje, ik vind het zo erg voor je dat je zo’n verdriet hebt. En ík weet helemaal niet hoe dit voelt want mijn papa en mama zijn wel nog bij elkaar. Maar jouw papa en ik niet meer. En dat blijft zo.”

Hij huilt nog even hartverscheurend hard in mijn armen en gaat dan met rood hoofdje en natte wangen liggen om te slapen. Mijn hart wordt heel warm.

“Gaat het weer een beetje, liefje?”

Zijn verdriet heeft hem uitgeput, hij vertrekt al richting dromenland maar mompelt nog:
“Ja mama. Je weet het toch; ik ben gewoon heel ge-vóelig…”.

Mijn hart wordt vloeibaar, loopt vol en dan over.