Wabi Sabi

 

wabi-sabi

Na een drukke werkweek met 2 doorwaakte nachten, trek ik zaterdagochtend nog zonder koffie of ontbijt achter de kiezen en half slapend maar gehaast want laat, de deur achter me dicht om mijn jongste naar zijn als altijd idioot vroege voetbalwedstrijd te brengen. Ik draai de deur op slot maar de sleutel doet niets. Gaat niet naar links en ook niet naar rechts. Ergens achter in mijn duffe brein daagt iets.

F*CK!!!!!! De sleutel aan de binnenkant zit er nog in.

Slecht nieuws want alles zit potdicht, ik kom dit huis niet meer in. In ieder geval niet zonder een raam of deur te mollen.

Foeterend op mezelf vraag ik vriendelijk doch dwingend of mijn zoontje snel zijn fiets pakt. We dreigen inmiddels serieus te laat te komen. 

Onderweg blijf ik woest tegen mezelf mopperen. Over stom, dom, sukkel en dat soort verheffende zaken.

Mijn kleine vriend fietst snel maar bedachtzaam mee. Even probeert hij mij te verlichten met de mededeling dat het eigenlijk zijn schuld ook is want hij heeft er óók niet aan gedacht, etcetera.

 Vertederd en tegelijkertijd me bewust van dit précaire moment, kijk ik hem aan en verzeker hem dat dit zijn taak noch verantwoordelijkheid is. Opgelucht pedaalt hij door.

Op de voetbalclub aangekomen geef ik hem een zetje richting teamgenootjes. Als hij bijna bij hen is, kijkt hij nog even naar mij om. Ik realiseer me hoe hij mij moet zien: licht verwilderd, bleekjes van slaap en bij gebrek aan een werkende hersenpan, met een lege blik in opgezette ogen. Ik verstop me achter de luiken die even helemaal dicht gaan.

Hij draait zich op zijn hielen om en komt op een drafje terug. Heel dichtbij komt hij staan met zijn gezicht naar mij opgeheven. Hij boort zijn heldere ogen in de mijne en laat me in volle openheid zien wie hij is. En terwijl ik daar met open mond in wegzak, zegt hij zacht maar heel bewust: “Mama? Vraag.Om.Hulp.”

Dan draait hij zich weer om en draaft naar team en kleedkamer.

 

Verbluft blijf ik achter. Niet eerder was ik mij zó bewust van de mate van schoonheid die ook in een waardeloze situatie kan zitten.

Als ik hier niet meer woon

image

“Mama? Wat doe jij ook alweer eigenlijk voor werk?”

“Ja, dat is een goede vraag! Ik probeer het makkelijk te zeggen: soms willen mensen of bedrijven dingen anders doen of beter en dan help ik hen daarbij.”

’n Starende blik. Hij knikt wat halfhartig, ik zie dat hij het niet echt begrijpt. Logisch, want het is totaal niet concreet. Wat is in hemelsnaam een ‘bedrijf’ voor een 8-jarige? Dus ik probeer het nog eens:

“Ik doe een beetje hetzelfde wat jouw voetbaltrainer en -coach doen, maar dan met mensen die ergens met elkaar aan het werk zijn.

Dit valt beter. Hij knikt nu vol.

“Maar dat schrijven, daar verdien jij toch geen geld mee? Waarom dóe je het dan?!”

“Dat doe ik om twee redenen. De eerste is dat ik schrijven heerlijk vind en zo aan mensen die misschien met mij willen werken, kan laten zien hoe ik naar dingen kijk want dat beschrijf ik in korte verhaaltjes. En de andere, veel belangrijker reden is dat ik wil nalaten hoe ik jullie zie en beleef en hoe trots ik ben op hoe júllie zijn en beleven. Elk verhaaltje vertelt hoeveel ik van jullie hou maar is elke keer weer anders. Dus ook voor later voor jouw kindertjes; net als een foto maar dan in woorden.”

Hoera, dit valt goed. Zijn oogjes glimmen al van voorpret.

“Wanneer mag ik het dan lezen? Als ik uit huis ga? En wat is ‘nalaten’?”

“Ja zoiets, dan krijg je het in een mooi boekje mee, al jouw verhaaltjes. En ‘nalaten’ betekent dat je deze herinneringen hebt, voor als ik er niet meer ben.”

’s Avonds wanneer hij in zijn bedje ligt en ik hem als altijd nog even kriebel en kroel, betrekt ineens zijn gezicht en begint hij zachtjes te huilen:

“Mama, ik wil niet nadenken over dat jij er niet meer bent. Dan wordt mijn hart heel dik en zwaar en krijg ik buikpijn.”

Hij kijkt er zo gepijnigd bij dat ik hem helemaal in de kom van mijn armen stop.

“Ik wil die verhaaltjes gewoon lezen als ik uit huis ga en alleen maar hier niet meer woon omdat jij dan een oud vrouwtje bent. Maar dat ik je altijd kan bellen en dat we dan heel hard kunnen lachen als ik jou voorlees uit wat jij nu hebt geschreven.”

Samen gniffelen we daar vast om.

En zonder dat hij het doorheeft, maakt hij weer zo’n fijn verhaaltje. Die van een lach, een traan en een heleboel liefde.

Let op: dit is een vies verhaal!

image

“Volgens mij zijn dat voelsprieten, denk je niet?”, murmel ik met één oog dichtgeknepen en de andere tegen de kijker van zijn nieuwe, zelf bij de Kringloop gevonden en aangeschafte microscoop.

Wild rukt hij het apparaat onder mijn zoekende blik vandaan. Zo, heeft hij meteen nog twee wimpers om straks uitgebreid te onderzoeken.

“Nee joh, mam! Je ziet toch dat het de tánden van de mier zijn! Ze zijn heel groot omdat je door de microscoop kijkt. Die verGROOT de dingen. Daarom kun je ook de céllen zien! Tssssssjgrmpflgg. Jij weet toch wel hoe een microscóóp werkt??!!”

Zojuist heeft hij met chirurgische precisie hoofd en romp van een mier gescheiden met een vlijmscherp mesje dat in de microscoop-doos bijgeleverd is, en het mierenhoofd geplet tussen de twee glazen schaaltjes. Om beurten staren we door de kijker en vertellen elkaar wat we zien.

Wat hier aan vooraf ging

Gisteren in de Kringloop, waar we waren omdat hij en zijn grote broer uitvinders zijn en vernomen hebben dat je bij de Kringloop soms grote partijen ‘kleine-dingetjes-waar-je-coole-schietapparaten-van-kunt-maken’, kunt kopen voor bijna niets, vond hij zijn microscoop. In een grote doos met allerlei toebehoren. Ter plekke besloot hij dat hij naast uitvinder ook onderzoeker was en trok met groot gebaar zijn portemonnee.

Leeg. Vergeten dat hij naast uitvinder en onderzoeker ook big spender en dus platzak was. Of grote broer hem even wilde ‘lenen’. Ruimhartig gniffelend voldeed deze aan zijn verzoek. En zelden heb ik iemand met zo veel voldoening en zin in wat het hem brengen zou, een pakket in ontvangst zien nemen.

Terug naar vanochtend.

Net uit mijn bed wordt een dramatisch in de lucht gestoken voet in mijn gezicht geplant: “Mam, kijk eens! Mijn ontstoken teen loopt leeg!! Het is geel mét rood, dat moet ik onderzoeken! Pak jij snel dat prikkertje en een glaasje uit mijn microscoopdoos, en dan moet je even die pus daarop doen, oké?!”

Verdwaasd en nog niet helemaal wakker, gehoorzaam ik. Het lukt me ternauwernood zijn aanbod af te slaan om mee te kijken. Mijn koffie smaakt mij voor het eerst in lange tijd niet en ik vraag mezelf af hoe hij mij zover heeft gekregen. Maar ik weet het heus wel: dit enthousiaste mannetje past al 8 jaar lang de Tactiek van de Overrompeling op mij toe. Want hij weet dat die werkt.

Als de pus even later niet meer verder te determineren valt en grote zus inmiddels zelf geprikt bloed heeft moeten afstaan maar we geen jodium hebben dus de cellen niet kunnen onderscheiden, gaat hij naar buiten en plukt een pissebed ergens onder vandaan. De bedoeling is het beestje van enige ledematen te ontdoen. Bleek om de neus komt hij 5 minuten later binnen: of ik dat even wil opknappen.

Nee, lieve kleine wetenschapper van me. Deze zag je moeder aankomen en wil ze niet.

Dan dus maar de mier.

 

 

 

 

Schiet.Nou.Eens.Op!

image

“Schiet nou eens òò-hòòppp!!”

Voor de 4e keer mept hij zijn in elkaar gedraaide (d)rol van voetbalsokken door de kamer met een pvc buis die eerst onderdeel van de zelfgemaakte kruisboog was maar nu zonder touw gewoon weer een simpele buis. En voor de 4e keer roep ik dat hij op moet schieten, telkens met een van ergernis harder wordende stem.

Hóe vaak moet ik hem iets zeggen? En wanneer is hij nou eens oud genoeg om zélf te bedenken dat hij zich een kwartier vóórdat hij weg moet naar die training moet omkleden. Wanneer snapt hij nou eens dat hij de boel serieus moet gaan nemen als mijn stem harder wordt en ik de eerste keer ook al niet heel soepeltjes klonk?!

Allerlei dingen komen tegelijkertijd op me af, terwijl het gewone (lees: de kinderagenda) doorgaat. En het is woensdagmiddag dus het gewone is per definitie al druk. In een verwoede poging de boel de baas te worden, begin ik het onverwachte lukraak op te lossen, in de hoop dat de rust dan wederkeert.

Werkt van geen meter natuurlijk: de stress bouwt zich op en straalt af op alles. Dus ik sis voor de 5e keer verbeten tussen op elkaar geklemde tanden: Schiet.Nou.Eens.OP!!, alsof het allemaal zijn schuld is.

Inmiddels zit hij op de grond en sleurt de ellenlange sokken over zijn scheenbeschermers. In alle rust en op geen enkele manier onder de indruk of aangedaan.

“Mama, jij zei een keer dat het niet uitmaakt en dat elk moment goed is om te bedenken dat je álle tijd van de wereld hebt…”.

Whut? Vanuit mijn woeste waas dringen zijn woorden maar voor een deel tot me door.

“Wíe heeft dat tegen jou gezegd?!?”

“‘Jij, mama! Jij zegt dat altijd. En ik doe dat dus nu.” Vrolijk wetende oogjes kijken mij aan.

Ineens weet ik waar hij op doelt, twee lesjes die hij losjes samenvat: “Elk moment is een goed moment om opnieuw te beginnen” en “Als je jezelf vertelt ‘Ik heb alle tijd van de wereld’, blijf je rustig en raak je niet opgefokt door de klok.”

Ach. Luistert hij écht naar die dingen die ik wel eens tegen ze roep; van die inzichten die ik als ouwe sok soms heb en die vooral voor mezelf bedoeld zijn maar die ik toch met íemand moet delen?!

Soms zijn de liefste cadeautjes het beste verstopt.

 

Wij hebben inderdaad geen haast.

 

 

 

 

Over monsters en hun plexus

monster-plexus-karate-spruitjes-spiegels-kinderen

“Mama?”

Hij ligt in zijn bed, moe van een dagje samen op pad. Na twee weken vakantie met zijn vader, nu een tussendoor dagje-met-nacht bij zijn moesje. Grote broer en zus zijn op zeilkamp dus eindelijk kan hij genieten van zijn welverdiende exclusivi-tijd.

‘Ja, lieve Diek?’

“Ik moet je even vertellen dat het wel goed gaat maar dat ik net bang was toen ik naar boven liep. Want ik dacht dat er enge monsters waren in mijn kamer. Dan durf ik bijna niet mijn kamer in want ik kan het ook niet zien als het zo donker is.”

‘Oh dat is heel naar, mannetje. En als je het ganglicht aandoet voordat je naar boven gaat? Dat kan, beneden aan de trap zit ook een knop voor boven.’

“Ja, dat weet ik maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik heb dat altijd, ook bij papa. Als ik lang bij jou ben geweest en weer bij hem thuiskom. Of nu, omdat ik lang bij papa ben geweest en vandaag weer bij jou.”

Terwijl hij me vertelt dat hij iedere keer zijn gevoel van veiligheid moet bevechten, vlamt op borsthoogte de pijnscheut op die ik lang niet meer heb gevoeld en loop ik schrompelig leeg als een lekke ballon. Zóveel dat ik niet weet. Dat lieve baasje, wat moet hij toch dapper zijn.

‘Wat goed van jou dat je me dit kunt vertellen, liefje. Ik zal er voortaan rekening mee houden en met jou mee naar boven lopen. Dan speuren we samen jouw kamer af.  En áls we dan een monster vinden, verslaan we die samen. Weet jij hoe we dat gaan doen?’

“Nee, weet jij dat, mama?”

‘Jij mag het verzinnen!’

“Oké, dan weet ik het. We roepen “BOEOE” en als het monster schrikt, sla ik hem keihard op zijn kern, de plexus heet dat. Of zoiets. Dat heb ik bij karate geleerd.”

Terwijl ik inwendig brul om zijn eigenwijze ‘plexus’, doet hij het even voor. Geen verdrietige oogjes maar een bloedfanatieke killersblik. En met de nog naschrijnende vlam in mijn eigen kern, zie ik dat de monsters geen enkele kans maken.

Een bitterzoete geruststelling; met dat vechten en die veerkracht zit het wel goed. Ook op dit vlak geldt het stap-voor-stap. Voor hem, voor mij, voor ons allemaal.

‘Ik vind dat een heel goed en dapper plan van jou. En ik verheug me er stiekem zelfs op!’

“Haha, gekke mama.  … Nou, ík ook!”

Ik kan dat omdat ik het wíl

meliteren-kunnen-willen-spruitjes-spiegels-mamablog

“Eerst vond ik het saai maar nu wil ik wel met jou mee doen met ‘méli-téren’, mama. Omdat ik hoorde dat ik dan kan leren om energie te verplaatsen. Dat wil ik! Want als ik heel moe ben, bijvoorbeeld als ik met jou mee móet boodschappen doen ook al heb ik daar helemaal geen zin in, dan kan ik bij andere mensen energie weghalen en naar mij verplaatsen. Dan ben ik tenminste nooit meer moe!” *Geeft een paar karatetrappen in de lucht*

En verdraaid, vanavond zit hij naast me. In het begin draaiend en zuchtend. Maar dan houdt hij, die normaal nog geen 3 seconden in één houding kan zitten, het 15 hele knappe minuten vol. Vrijwel stil en in relatieve rust.

Wanneer ik hem hier na het de-tijd-is-om-belletje bewonderend mee complimenteer, kijkt hij me recht aan: “Dat kan ik, mama, omdat ik het wíl.”

Wat een wonderlijk mooi lesje krijg ik, op deze ogenschijnlijk heel gewone zondagavond.

Limonade met een twist

limonade-twist-spruitjes-siegels-mamablog

 

We komen door de bocht gereden en passeren mijn voormalige schoonmoeder die langs de weg op iets of iemand staat te wachten. Terwijl wij luid toeterend voorbij zwaaien en zij ons niet herkent, ontspint zich een gesprek over schoonmoeders. Want Jongste van 7 wil weten of wij wel vriendinnen zijn of waren.

“Nee, dat zijn we niet en waren we ook niet. Maar ja, dat ben ik ook niet met mijn eigen moeder.”

“Maar dát komt ook omdat het jouw móeder is en niet jouw vriendín.”

Klopt, zo zie ik dat ook met schoonmoeders, vent. Maar ik vind haar wel heel aardig, hoor.”

Nadat we een stuk of vier mogelijke schoonmoeders voor zijn toekomst hebben bedacht, neemt hij een drastisch besluit.

“Ik ga het net zo doen als jullie mama, ik ga ook niet trouwen.”

Op dit punt denk ik dat hij het heeft over samenwonen of geregistreerd partnerschap in plaats van een bruiloft met alles er op en eraan, zoals inderdaad het geval was in de situatie van zijn vader en mij. Maar nee, hij bedoelt iets heel anders:

“Ik ga alleen maar scheiden.”

Volledig verrast door deze wending en de droge toon van zijn statement, schiet ik in de lach.

Beledigd: “Ja nou, máh-maa! Ik heb gewoon geen zín in al dat gekus de hele tijd. Gatver. Dat is gewoon níets voor mij!”

Het voordeel van de kleinste

image

Buiten spelen vier kinderen, drie pubers en één van 7-bijna-8. Geestdriftig gejoel gaat over in gekibbel. Ik hou mijn adem in. Meestal wordt het nu geschreeuw gevolgd door hard gehuil. Dit keer niet, het blijft stil.

Ik blaas mijn adem uit en ga verder met mijn werk. Dan toch; hard gehuil. Ik hoor direct dat dit het echte werk is. Niet dat zeurende frustratie-gejank waar hij vaak op teruggrijpt als hij het niet kan bolwerken te midden van de grotere kinderen maar het diepere geluid, dat van als er pijn in het spel is.

Dikke tranen, handje op zijn hoofd. Verontschuldigende blik van de middelste erachter. Per ongeluk kukelden ze in het heetst van de voetbalstrijd om, de grote bovenop de kleine die daarbij hard zijn hoofd stootte. Deze tranen zijn oprecht gevoeld en oprecht geuit.

Met een geruststellende knipoog naar mijn puber zak ik op mijn knieën en laat de getroffene zijn verhaal doen, dat er hard snikkend uitkomt. Ik loop met hem naar de stoel waarop ik altijd opgekruld mijn leeswerk doe en trek hem bij me op schoot. Als een hondje gaat hij languit op me liggen, zich nestelend in de veilige kom van mijn armen.

“Is het af en toe zo lastig bijbenen voor je, vent, met die grote kinderen. Omdat je zo vaak de kleinste bent?”

“Jaaa” hoge-huilsnikt hij. Blij dat eíndelijk iemand het snapt en hij dit toe kan geven.

“Wist je dat je niet steeds hoeft te doen alsof je veel groter bent dan je in het echt bent maar dat zij ook rekening met je kunnen houden als jij aangeeft dat je ergens te klein voor bent?”

“Maar ik wil niet de klei-heinste zijn…! Want als ik zeg dat ik te klein ben dan mag ik gewoon niet meedoen!”

Ik weet dat het waar is, als hij zich niet aanpast wordt-ie meestal zonder pardon gedist. Het is een harde wereld, tussen de groteren. Net het echte leven. Dan werkt maar één ding: slimmer zijn. Of zoals een grootdenker ons al uitlegde, het voordeel in het nadeel vinden.

“Oké vent, dat moet je niet willen, dat snap ik. Ik heb een idee. Zullen we afspreken dat als jij het even te zwaar hebt, je bij mij komt en dat we dan precies zoals nu gaan zitten? Want toevallig ben jíj de enige die klein genoeg is om nog zo op mijn schoot te passen.”

Hij zegt niets. Ik hoor nog een snikje. Dan pakt hij mijn arm en plant er een paar warm-natte kusjes op. Zucht eens diep, mompelt iets over klein, groot en mama, blijft nog eventjes liggen en heeft dan weer voldoende moed verzameld om het harde straatleven te aanvaarden.

Dag mijn kleine baas met je leeuwenhart, pak ze maar!

 

 

Uit mijn dagboek: Mét of zonder kroontje?

image

Er zijn van die dagen die je overvallen met weemoed. Koningsdag is daar geen van. Of toch wel? Ik zocht die van vorig jaar even op.

“Tsja, Koningsdag. Hier een plein vol kinderen en hun ouders. In de ochtend gaat het om de kinderen en als de middag komt, neemt gaandeweg het recht van de ouders het over. Over twee uur rent allerlei los- en uitgelaten grut door de straatjes, niet meer onder het juk van hun ouders die het gehad hebben met het bewaken van de stalletjes van hun kroost en zich daarom nu in opperbeste stemming lekker laten vullen met het vlóeibare goud. Over drie uur bedenken ze zich dat het toch wel weer een reuze top-dag is zo en over 5 uur zet ik mijn tuinslag aan omdat een heleboel mensen dachten dat ze hier in mijn steegje ongezien en ongestoord konden pissen en ik daar wel klaar mee ben. De eerstvolgende krijgt ‘m.

Nadat ik in dit dorpje was geland, heb ik met plezier een aantal jaar aan het dorpse feestgedruis mee gedaan. Alhoewel het met hele kleine kindertjes behoorlijk afzien was. Die eerste jaren steeds met een kind dat té klein was om zelfstandig te kunnen staan maar wel van alles wilde en de andere kleintjes die hun kans schoon zagen en ‘m smeerden. Ik deed dan ook zeker mee met de en-nu-is-het-tijd-voor-de-ouders-uren, al was het maar met de moed der wanhoop.

Gaandeweg begon ik jaarlijks meer op te zien tegen de inflexibele programmering, het traditionele, die verschrikkelijke optocht met elke keer dezelfde winnaar en ieder jaar dezelfde mensen en dezelfde riedel. Waarbij het niet alleen Koninginnedag betrof maar dit evenement een startschot was van een zich ieder jaar herhalende sequence van dorpsfeesten. Ik ben niet zo van de herhalingen.

Misschien bemerkten de kinderen mijn tegenzin of lijken ze gewoon op me: vanaf het moment dat de oudste een jaar of zeven was, wilden ze zelf niet meer meedoen met de optocht. De jongste heeft daar vervolgens gewoon geen stem in gekregen. Dat scheelde een slok op de borrel.

En nu dit jaar.

Voor het eerst op deze dag in mijn eentje in huis wakker geworden. De zon schijnt. Ik rek me uit en geniet van de rust en de stilte. Maak mijn koffie, ontbijt en hoor de toenemende ijver op straat. Wat zal ik eens gaan doen..?

Best leuk, die kindjes met hun spulletjes op straat. Wat zouden die van mij met hun vader gaan doen? Of misschien niet perse met hem, ze zijn al zo groot en kunnen alles zelf. Ik ga zo maar eens op straat kijken. Alhoewel, wat moet ik daar verder eigenlijk alleen.

Ik staar wat voor me uit, zonder vastomlijnd plan lijkt dit ineens een lange dag.

Dan hoor ik tromgeroffel op mijn raam: “Mama, mahaaaaammm, ik moet naar de wéécéé!! Wij zitten buiten op straat, mam! We hebben allemaal spulletjes en ook van papa en we mogen al het geld straks delen!! En ik kan ook nu hier spulletjes halen en bij jou steeds plassen! Toch mam?! Kom je mee naar buiten? Het is echt superleuk!!”

‘Ja graag schat, ik kom er direct aan!!’ “

Uit mijn dagboek: Ziedende Sidonia en haar Schoolplein-horror

image

Soms word ik wakker en dan blijk ik niet met één verkeerd been uit bed gestapt maar met mijn hele ziel en zaligheid. Vandaag is zo’n dag. En niemand weet waarom. Mijn arme schaapjes: het is een godswonder dat ze van me houden.

Wat ik gisteren nog gezellig gejodel vond is me nu aan alle kanten teveel: “Kóppen dicht aub! Nee, mama vertelt geen leuke verhalen, doe me een lol zeg, het is midden in de nacht en ik heb nog geen koffie gedronken. Jullie weten wat er gebeurt als in deze moeder nog geen koffie zit…! Dus maak alsjeblieft je eigen brood klaar! Néé, het kan me geen bal schelen dat je nog niet zo goed kunt smeren en dus je hele bammetje aan gort trekt. Kruimeltjes zijn ook cake, gewoon meenemen. En Nee! De kaas van de markt is op! Zeur niet zo over kaas van de markt. Verwend gedoe. Eet gewoon wat er is. Hele volksstammen die níets te eten hebben!!!”

En. Zo. Voort.

Terwijl ik met donderwolken boven mijn hoofd het schoolplein opgestampt kom, ternauwernood op tijd en een inmiddels in de contramine geschoten kind aan zijn tengere armpje achter me aan sleurend, komt de Perfecte Moeder op me afgestiefeld. Op hele hoge peep-toe sleehakken (het is tenslotte al 1 dag boven de 20 graden geweest, ergens diep in het Zuiden van Nederland waar ik niet woon en zij ook niet maar je moet je kansen grijpen), haar tred vastberaden en haar gezicht ook.

Strak gelakt en in de make up, haren geföhnd en zo te zien gisteren van extensions en de juiste highlights voorzien; ik zie in de gauwigheid vele tinten grijs, blond, rood en bruinig. Een schitterende outfit die in iedere boardroom zou scoren en of ze daar nou heen moet of niet, zo op school en zeker in de vroege uren maakt het diepe indruk. Op de directeur. Op de juf. En ook op mij.

“Heyyyy haai haai :)))”

‘Ja, hi, alles goed?’ (dafuq wil ze van me?!)

“Heeeeeel goed, dank je, jij ook? Wat zie je er goed uit!! -fluisterend- je moet zo eventjes in de spiegel kijken want je mascara is een klein beetje uitgelopen..”

‘Oh shit. Echt? Getver. Dank’ (Klinkt goed, echt heel eloquent… en ik heb helemaal geen mascara opgedaan; had ik geen tijd voor tussen het chagrijnig zijn, mijn koffie en de kinderen wegjagen).

“Wil jij zo lief zijn volgende week bij het afscheidsontbijt van de juf te helpen? Iedereen maakt wat, maar jouw naam staat nog niet op de lijst, zag ik. Heel fijn als je meedoet. Ook wel leuk voor je zoon als hij wat mee kan nemen…” – knipoog, allerliefste lach, kneepje in mijn schouder-

‘Oh, ja, sorry, ik had nog niet meegekregen dat volgende week een afscheid is. Gaat die juf weg?! Ok, die brief ligt denk ik nog bij zijn vader. Ofzo. Nou ja, maakt niet uit, doe ik. Natuurlijk!!’ (GA uit mijn persoonlijke ruimte, perfect mens! HOEZO weet ik van niets?! WAAROM betrekt ze mijn kind hierin: is hij zielig? Zou hij klágen over ons, of nog erger: over MIJ?!)

In opperste staat van woeste verwarring stamp ik terug naar huis. Ik ga zo hun vader bellen en door de telefoon trekken. En ik ga keihard gillen want ik ben een rotmoeder die alles vergeet en mijn kinderen zijn volgens mij en alle anderen echt heel zielig!!

Thuis kijk ik in de spiegel: terug staart een verwilderde wanhopige die eruit ziet als rijp-voor-opname dankzij de niet goed verwijderde restanten mascara van gisteren.

Moedeloos haal ik mijn schouders op. Is het al tijd voor wijn?”