Wachten

37F03EAC-43FB-4102-9361-41D8006DDA25

Niet te lang bij stil staan hoor, maar een groot deel van het leven bestaat uit wachten. Op een bus, een telefoontje, een uitslag, een antwoord, een reactie, in de rij bij de kassa, aan de counter bij de slager, tot je kind eindelijk z’n schoenen aanheeft of de auto voor je weer in beweging komt.

Afwachten, wachten op, wachten tot; … we wachten heel wat af.

Vroeger was ik heel slecht in wachten. Dat meisje dat onrustig van het ene been op het andere wipt, met haar hoofd abrupt van links naar rechts, dat moeilijk stilzit, zuchtend, ongeduldig, boos en uitdagend kijkend? Dat was ik.

Een ‘tikkie’ ongeduldig was ik zeker van mezelf maar misschien hield ik ook niet van wachten vanuit de associatie met het wachten op die bom die ieder moment kon ontploffen. Wachten kreeg daarmee iets dreigends ongewis. En was oneerlijk. Want ontploffen deed-ie toch wel, dus waarom dan niet gewoon meteen? De onvoorspelbaarheid van het moment waarop, maakte voor mij ‘wachten’ tot iets waar ik niet in rust in kon verpozen, maar waarin ik alert moest blijven en ook moest weten waar een eventuele exit was.

Onrust als dit galmt lang na en zingt nog wat door maar met het verstrijken van de jaren en het in perspectief kunnen plaatsen van belangrijke gebeurtenissen en emoties, komt berusting en daarmee meer rust.

Wachten is inmiddels prima uit te houden. Ik bereid me er zowel mentaal als fysiek op voor en hou mijn blik op het Hier en Nu, waardoor het nu vaak juist gestolen momentjes van genieten zijn. Momenten ook waar zomaar mooie verhaaltjes uit voort kunnen komen.

Áf moeten wachten daarentegen, is nog steeds een moeilijke. Vooral waar het gaat over het overgeleverd zijn aan wat die ander wel of niet gaat doen. Kunnen controléren wil ik het, snap dat dan! Iemand die een app of mail van mijn hand leest maar niet beantwoordt terwijl er een duidelijke vraag om reactie is bijvoorbeeld: een kwelling… Niet meteen natuurlijk maar als het zover is, dan is het mechanisme er één van absolute zelfgeseling; hard en direct.

“Ben-het-niet-waard-vindt-mij-natuurlijk-stom-was-een-idiote-tekst-kan-ik-het-nog-deleten-godver-waarom-stuur-ik-dit-dan-ook-ik-had-het-toch-kunnen-weten-Let-Dan-Ook-Op-Sukkel…!!”

Oog in oog met dat kleine meissie, zo boos op zichzelf want het kán niet anders dan dat het allemaal aan haar ligt. Onmacht, frustratie, verdriet slaan haar van binnen neer en naar buiten om zich heen.

Het verschil met toen is dat ik het nu zíe en dan weet ik het weer. Het enige antwoord, de enige reactie waar ik, waar zij op zit te wachten: “Het maakt niet uit: hoe lang het duurt niet en of het überhaupt komt of niet, want Jij Bent Oké.”

Stilte, terwijl de zon voorzichtig gaat schijnen.

Ik geef haar een hand: “Kom, terwijl we wachten, lopen we verder.”

“Ja en zullen we dan huppelen?”

 

 

 

Hee klein meisje met je blonde krullen

schommel

Wat kijk je verdrietig. En een beetje schichtig en beschaamd.

En wat kan ik me dat goed voorstellen. Zou ik ook hebben als ik jou was geweest. Zo klein, ik denk dat je 6 bent of misschien pas 5, tussen twee best grote mensen die zo hard tegen elkaar staan te schreeuwen op straat.

Zijn zij jouw papa en mama?

Ik zie dat jij mij ziet kijken. Heel even kijk je me recht aan en mag ik de diepte zien van jouw lieve oogjes. Dan net zo snel gaat er een gordijn overheen. Dicht gaan ze en weg kijk jij.

Wat zou ik jou graag een aai over je in de wind dansende krullen-bolletje geven.

Je zet een voorzichtig stapje, twijfelend over of je dichter naar het lawaai toe zal gaan of juist liever wat verder er vanaf. Je staat al een beetje op straat. En, oh jee, je struikelt in je ongemakkelijke beweging over je eigen voetje en komt daardoor verder de straat in gevallen.

Ik zie de auto, geef een waarschuwende roep en maak daarbij een zwaaiende beweging met mijn boodschappentas. Alles valt op de grond. De grote mensen stoppen nu even met schreeuwen en je papa pakt jou gelukkig net op tijd bij je arm. Opgelucht haal ik adem. Wat zal jouw mama blij zijn dat je weer veilig naast haar staat.

Maar ik snap het ook als jij nu niet zo goed begrijpt waarom je papa tegen jóu begint te schreeuwen. En daarbij heel hard aan je armpje trekt. Dat doet vast pijn. Ik denk dat hij misschien erg is geschrokken. En ik denk ook dat hij je direct heel veel kusjes en knuffeltjes geeft. En lieve woordjes als troost. En anders doet je mama dat zeker. Zij is wel ineens weggelopen maar ze komt vast zo terug. Hoop ik.

Eigenlijk wil ik aan je papa vragen of hij stopt met tegen jou te schreeuwen. En jou vertellen dat het allemaal heus goed komt. Maar ik weet niet hoe. Ik denk dat ik bang ben dat je papa tegen mij gaat schreeuwen. Dus ik zeg niets. En dat voelt rot. Ik heb er zelfs een beetje buikpijn van.

Ik raap mijn spullen van de grond en doe ze weer in mijn tas. Ik kijk nog even naar je. Jij kijkt niet meer terug.

Wat hoop ik dat iemand jou vandaag nog gaat vertellen dat er heel veel van jou gehouden wordt. Gewoon omdat jij bent wie je bent. Een lief, klein, blond meisje met huppelende krullen.

En nu wil ik graag naar huis. Naar mijn eigen kinderen. Om hen te vertellen hoe ontzettend veel ik van ze hou. Gewoon. Daarom.

Dag meisje.