De kracht van het pak

powerpak

Videootjes van hem terwijl hij zich verliest in de een of andere dans, heb ik al vanaf zijn tweede, luier nog aan. Blik op oneindig met passievolle bewegingen, boeien wie het ziet.

Voetbal, karate en circus acrobaat; hij was wel lekker bezig dus ook nog dansles; nee, daar kwam het niet van.

Maar sinds zijn neef Billy Elliot was die wij op een groot podium bewonderden, is de dans-drift toegenomen. Totdat kortgeleden de vraag kwam: “Mama, is er een dansschool in de buurt? Een èchte, voor ballet?!”

Hij mocht meedoen met een proefles in het dansklasje van de zoon van een vriendin, die ook nog zo lief was zijn reservepakje uit te lenen. Een zwarte broek en -shirtje; strak, glad en zacht die stoere lijfjes omsluitend. Het soort gear dat iets dóet met de drager ervan.

En terwijl hij zich omkleedde, transformeerde mijn jongste van voddenbaal-met-te-lang-haar-en-stinksokjes in een trotse-dánser-met-kaarsrechte-rug-en-brede-schoudertjes. (*note to self: ik wil óók zo’n broek en shirt)

Hartelijk werd hij welkom geheten in de groep, ik mocht nog even kijken en kieken alvorens de deur gesloten werd. Een uur later ging-ie weer open en kregen wij, de in de deuropening samengepropte ouders die hoopten op een glimp, een klein modern ballet voorgeschoteld. Ik zag een gloedvol gepassioneerd figuurtje-in-het-zwart bloedserieus en met glanzende ogen zijn dansroutine uitvoeren alsof hij nooit anders had gedaan.

Dit jaar wordt zijn jaar van de moeilijke keuze: circus óf ballet. Want leren kiezen is belangrijk en daarbij kan het qua timing niet allemaal. Hij weet: mijn moeder doet veel voor mij maar ‘gekke-Taxi-Henkie-omdat-more=more’ zit daar helaas niet bij.

Één ding is voor hem sinds deze proefles in ieder geval volstrekt duidelijk:
“Mama? Als het nou door de tijden niet zou kunnen doorgaan met ballet, mag ik dan in íeder geval wel zo’n pak?”

Over monsters en hun plexus

monster-plexus-karate-spruitjes-spiegels-kinderen

“Mama?”

Hij ligt in zijn bed, moe van een dagje samen op pad. Na twee weken vakantie met zijn vader, nu een tussendoor dagje-met-nacht bij zijn moesje. Grote broer en zus zijn op zeilkamp dus eindelijk kan hij genieten van zijn welverdiende exclusivi-tijd.

‘Ja, lieve Diek?’

“Ik moet je even vertellen dat het wel goed gaat maar dat ik net bang was toen ik naar boven liep. Want ik dacht dat er enge monsters waren in mijn kamer. Dan durf ik bijna niet mijn kamer in want ik kan het ook niet zien als het zo donker is.”

‘Oh dat is heel naar, mannetje. En als je het ganglicht aandoet voordat je naar boven gaat? Dat kan, beneden aan de trap zit ook een knop voor boven.’

“Ja, dat weet ik maar dat maakt eigenlijk niet uit. Ik heb dat altijd, ook bij papa. Als ik lang bij jou ben geweest en weer bij hem thuiskom. Of nu, omdat ik lang bij papa ben geweest en vandaag weer bij jou.”

Terwijl hij me vertelt dat hij iedere keer zijn gevoel van veiligheid moet bevechten, vlamt op borsthoogte de pijnscheut op die ik lang niet meer heb gevoeld en loop ik schrompelig leeg als een lekke ballon. Zóveel dat ik niet weet. Dat lieve baasje, wat moet hij toch dapper zijn.

‘Wat goed van jou dat je me dit kunt vertellen, liefje. Ik zal er voortaan rekening mee houden en met jou mee naar boven lopen. Dan speuren we samen jouw kamer af.  En áls we dan een monster vinden, verslaan we die samen. Weet jij hoe we dat gaan doen?’

“Nee, weet jij dat, mama?”

‘Jij mag het verzinnen!’

“Oké, dan weet ik het. We roepen “BOEOE” en als het monster schrikt, sla ik hem keihard op zijn kern, de plexus heet dat. Of zoiets. Dat heb ik bij karate geleerd.”

Terwijl ik inwendig brul om zijn eigenwijze ‘plexus’, doet hij het even voor. Geen verdrietige oogjes maar een bloedfanatieke killersblik. En met de nog naschrijnende vlam in mijn eigen kern, zie ik dat de monsters geen enkele kans maken.

Een bitterzoete geruststelling; met dat vechten en die veerkracht zit het wel goed. Ook op dit vlak geldt het stap-voor-stap. Voor hem, voor mij, voor ons allemaal.

‘Ik vind dat een heel goed en dapper plan van jou. En ik verheug me er stiekem zelfs op!’

“Haha, gekke mama.  … Nou, ík ook!”

Toen álles nog liefde was …

 

don't walk, dance - spruitjes met spiegel

Drie jaar geleden zat ik achter het stuur met drie jongens tussen de 5-9 jaar op de achterbank. De autorit duurde twee uur. Normaal gesproken geen sinecure, dit keer vooral groots genieten. Ik herinner me een verhalenfeest en een paar opmerkingen van mijn jongste zoon die mijn moederhart deden smelten. Tegelijkertijd realiseer ik me dat hij-van-toen-5 nu ook al 8 is. En dat ik het dus waarschijnlijk binnenkort, als niet nú al, moet doen met deze zoete herinnering…

Halverwege de rit zijn we als ik mijn middelste zijn neefje hoor vertellen wie de player van zijn klas is. Op mijn vraag wat een ‘player’ in hun wereld is, legt hij mij uit dat dit de gast is die met álle meisjes in de klas verkering heeft gehad.

Niet gek, lijkt me, voor een 8-jarige.

Als ik vraag wat jongens en meisjes van die leeftijd dan precies dóen bij verkering, somt hij op dat je dan meestal samen speelt of misschien een keer naar de bios gaat of gewoon, niets doet. Dan voegt hij eraan toe dat hij het wel uitermate vreemd vindt dat desbetreffende player in de pauze zijn oogappel(s) van dat moment over het schoolplein sleurt of op de grond smijt, “of zoiets”.

Tsja.

De jongste zoemt op dit alles instemmend mee en ik wend me tot hem: “Weet jij wat verkering hebben betekent?”

“Ja, dat je verliefd bent.”

“En mannetje, ben jij verliefd op iemand uit je klas?”

“Nee. Dát zijn gewoon mijn vriendinnen. Ik ben maar op één iemand verlíefd en dat is mijn moeder!”

Kijk, dat zijn de betere teksten.

“En eigenlijk is het meer dan verliefd. Het is … het is álles!!”

Terwijl ik in katzwijm de auto op de weg houd, zie ik in de achteruitkijkspiegel dat de andere twee elkaar aankijken met opgetrokken wenkbrauwen en een blik van ‘ja-die-kennen-wij-en-dat-gaat-snel-genoeg-weer-over’.

Heren: het kan me geen bal schelen wat jullie weten, ík tel al mijn zegeningen op elk moment!

Sandwich

sandwich

Zondagmiddag. Net terug van een paar dagen niet-bij-mij zitten we gezellig met elkaar aan een late lunch.

“Hee mam, wat heb jij allemaal gedaan de rest van het weekend? En zit jij nou nog wel eens op zo’n datingsite?”

Ik verslik me in mijn bammetje. Hallo zeg. We zijn wel open maar er zíjn zaken die ik liever met vrienden bespreek. Mijn kinderen zijn níet mijn vrienden.

“Haha, daar hebben we het toch al eens over gehad? En toen heb ik jullie verteld dat ik wel eens op een datingsite stond en ik heb ook een paar mislukte dates nagespeeld. Maar ik vind het niet zo nodig om het daar elke keer over te hebben met jullie, hoor. En eigenlijk ook niet om mijn weekend even met jullie door te nemen. Noem dat maar ‘privacy van mama’. Heb ik ook recht op, tenslotte. ”

Een licht-sarcastisch toontje sluipt in mijn stem. Zij horen het ook en drie paar verontwaardigde ogen staren mij stil.

“Nou, mah-ma! jij wil toch ook weten wat wíj allemaal hebben gedaan? En jij vraagt ons ook wel eens of wij iemand leuk vinden, ofzo! En dat is toch ónze privacy? Maar dan zeg jij dat je het fijn vindt om te weten wat ons bezighoudt. En dat je het belangrijk vindt dat we elkaar op de hoogte houden. Maar als jij zelf niets wil vertellen, doen wij het dus ook niet meer.”

De 7-jarige drama-koning topt het af:

“En trouwens, we zijn gewoon heel geïnteresseerd in jouw lé-ven!”

Ja.

Goeie lunch.

Lekkere sandwich ook …

Why kids gewoon (should) rule

Kids Rule!

“Hee grote vriend, kan dit wel vind je, deze best korte broek, of heb ik daar te dikkige benen voor?”

Joh. vraag je dat nou echt aan je kínd?

Ja-ja, ik weet het. Idiote vraag aan je zoontje van 6-bijna-7. Maar goed, ik vraag het me nu eenmaal af want mijn short waar ik me zojuist heb ingewurmd zit ineens Heel. Erg. Strak. terwijl dat nooit zo is geweest. Het zit me niet lekker, letterlijk en figuurlijk niet en ik heb het eruit geflapt voordat ik er erg in heb. Daarbij is hij kind dus eerlijk, hij heeft tenminste geen enkele motivatie om het niet te zijn (hij weet trouwens ook dat hij gróte straf krijgt als hij jokt). Dus.

Hij neemt me serieus en bekijkt me eventjes van top tot teen.

“Mama. Ik vind het mooi.”

‘Oh dank je, lieverd. ‘

We lopen verder. Hij begint te draven en rent dan voor me uit. Ineens stopt-ie.

“Maar weet je, mam. Ik lét daar ook niet op. Je kunt het er beter helemaal niet over hebben. Jij komt eraan. En dat is gewoon goed en mooi. Maar als jij dan zelf over je benen begint dán gaat iemand ernaar kijken. Je moet het gewoon láten. Het is gewoon góed.”

Zijn woorden omarmen me.

‘Wat een top-opmerking, vent! Ik vind het ongelooflijk zoals jij het snapt en mij dat uitlegt…’

Met een grijns en nonchalant gebaar haalt hij een schouder op, draait zich om op zijn hielen en begint weer te draven.

“Okay mam. Maarre, ik gaf je maar gewoon een tip hoor.”

….

Busje

Busje

Hij was weg.

Ik zag het meteen toen ik terugkwam want zijn fietsje stond niet meer in de schuur.

De oudste twee wisten het ook niet: vragende ogen, schuddende hoofden, optrekkende schouders. Nee, zij hadden geen idee. En nee, ze wisten ook niet waaróm hij wellicht weg was.

(De dag ervoor:

“Jongens, ik las in een stukje op internet dat ergens mannen actief zijn die niet veel goeds in de zin hebben met kinderen. Ze gaan als volgt te werk: ze rijden rond in een blauw busje en als ze de kans krijgen vragen ze een kind alleen om even bij hen te komen omdat ze een belangrijke vraag hebben of zoiets. En kennelijk trekken ze het kind dan mee in de bus en rijden weg. Ik wil even checken of jullie nog weten wat we hebben afgesproken over vreemde mensen.”
‘Jaaaa-haaa, wij gaan écht niet naar iemand toe die iets in zijn búsje wil laten zien hoor, mama!! Tssssss…!’
‘Wat voor busje is het mam, alleen maar blauw?’ ‘Hoezo bláuw??!!. En welke mannen? Hoeveel?’
“Weet ik allemaal niet. Er zijn er vast wel meer rare mensen met nare bedoelingen, ik las dit toevallig. Maar het gaat mij even om het principe.”
‘We beloven dat we dat niet doen, ok? Ik ga zéker nooit zomaar mee met iemand of in die bus.’
“Fijn om dat te weten. En ook niet als het iemand is die zegt dat hij zulke schattige jonge diertjes heeft en of jij die wil aaien ofzo.”
‘Neeeeee-heeee. Zucht. Tuuurlijk niet!!’”)

Ja jemig, lastige onderwerpen want hoe het te brengen zonder ze bang te maken? Ik kies maar voor de ‘rechttoe-rechtaan-zoals-het-is-en-better-safe-than-sorry-methode.

Kleine vent was dus nu op pad. Alleen. En niemand wist waarheen. Terwijl wij twee heel belangrijke afspraken hebben: als je weggaat zeg je het en ook waar naartoe. Als ik er even niet ben, gaat niemand in de tussentijd ergens anders naartoe. Bij elkaar blijven en op elkaar letten.

Tien minuten later in onze zoektocht troffen wij hem aan de waterkant. Op zijn fietsje. Boos. Bij navraag bleek hij boos op zijn grote broer die zomaar niet meer met hem wilde ping-pongen. Beledigd dus. En een beetje bang omdat hij hem driftig een paar karateslagen had toegediend en vreesde voor de repercussies. Want dat had hij mij horen zeggen tegen de middelste die altijd de klappen opvangt en nooit iets terugdoet: “Als hij te erg tegen jou doet en hij luistert niet als je zegt dat hij moet stoppen, mag je best een keer terugslaan. Zodat hij weet hoeveel pijn hij jou doet.”
Hij had kennelijk niet het antwoord daarop van middelste gehoord: “Nee, dat doe ik niet, mam. Ik vind dat echt zielig.”

Toen de kinderen later in de keuken een limo dronken om bij te komen en jongste nog eens uitleg gaf aan de andere twee waarom hij had besloten “weg te lopen”, haalde hij ineens een bíjna-net-echt-plastic-pistooltje uit zijn broekzak. Op zich niet heel ongebruikelijk maar was de plechtigheid waarmee hij het op tafel legde reden voor ons aller onverdeelde aandacht.

En wat bleek? Hij had heel serieuze voorbereidingen getroffen voor zijn reis: “Kijk. Deze had ik meegenomen, voor als stomme mannen of enge vrouwen tegen mij gingen praten…!!” Toen sprong hij op, greep zijn pistooltje en “schoot” al die ellendelingen neer.

Point taken, I guess 🙂