Een Klein Kerstverhaaltje

image

De taxi vóór ons rijdt ineens naar de kant van de weg en staat daar stil. Uit het open raam steekt n hoofd dat paniekerig naar mij roept: “Mám! Zit Diek bij júllie in de auto?!”

Bevreemd en wat wazig kijk ik m’n middelste aan. Nee, natuurlijk niet. Diekie zat gedurende deze tourdag steeds in de ‘mannentaxi’, dus nu ook. Toch?!

Oh Gód!
Wáár is mijn kleine mannetje gebleven?

Mijn door de witte wijn bij de lunch en de uren zon daarvoor, enigszins benevelde brein wordt wakker en draait binnen n nano-seconde op topspeed: Oh nee!! Diek staat nog bij het restaurantje met tandeloze kokkinnen en alleen maar onverstaanbaar Spaans-sprekenden.

Het restaurantje in deze schitterende Reserva, waar witte stranden en het meest heldere water de inwoners van Lima lachend 4 uur doen rijden om er een middagje van te genieten. Las playas más bonitas de Perú!
Het restaurantje waar wij zojuist ceviche hebben gegeten van een vis die een uur daarvoor nog rondzwom, zo vers. Zo goddelijk lekker, dat het totaal niet boeit dat de kokkin nog maar 7 tanden heeft en vreemde nagels. Zalig vooral met een heerlijk glas fris wit. Of twee.

Daar dus staat nu nog mijn kind. Alleen! Al zo’n 10 minuten. Zich waarschijnlijk radeloos afvragend waar z’n broer en zus zijn. En zijn oom en neef. En vooral: zijn móeder.

De taxi-chauffeur maakt kennis met de leeuwin die in deze madre huist en doorkruist de pampa van de Reserva met een U-turn en vervolgens snelheid en gehotsebots, zoals hij waarschijnlijk voorheen niet voor mogelijk had gehouden. Maar één blik in zijn achteruitkijkspiegel verzekert hem van de noodzaak ervan. Ook voor hemzelf.

Vier minuten later sluit ik mijn besnotterde en betraande kereltje in mijn armen. Tussen 3 kokkinnen en een ober zat hij, bewaakt als een prinsje, op een klein stoeltje te staren naar waar eerst de taxi’s stonden en nu niets.

Ik kijk op en dank de mensen die hem onder hun hoede namen. Ze knikken mij toe, de man begrijpend. De vrouwen echter winden er woordeloos geen doekjes om. Met blikken die er niet om liegen vertellen ze mij dat mijn tanden dan misschien mooier zijn maar dat ik hen verder geen knip voor de neus waard ben. En dat als dit prinsje hun prinsje was geweest, zij hem op zijn troontje zouden hebben vastgebonden en geen seconde uit het oog hadden verloren.

Deemoedig en om begrip vragend kijk ik terug. No can do. Het vonnis lijkt geveld. Met een klik van hun tong staan ze op en gaan weer aan het werk. De ober vraagt of ik misschien nog een glaasje wijn wil; tegen de schrik.