Brief aan mijn 9-jarige – “Jij leert het mij…”

24314E6B-3CE2-4FAF-BF71-DBD1AB719F62.jpegZo’n 2 maanden geleden auditeerde mijn 9-jarige voor een grote, landelijke musicalproductie. Hij werd uiteindelijk gekozen met 5 anderen om zich voor te bereiden op het podium. Wat een compliment!

En wat een spanning. Want kort voor de échte repetities, kreeg hij te horen dat hoewel de Nederlandse begeleiding dolenthousiast over hem was, de grote man in het buitenland meebeslist en het niet helemaal zeker wist. Hij kreeg een keuze: stoppen of alles op alles met nog één Go/No Go moment. Hij koos voor het laatste. Het grote moment is nu aanstaande en de spanning neemt toe. Tijd voor een hartje onder zijn stoere riem.

“Mijn allerliefste baasje, 

Laat ik beginnen met je te vertellen dat het voor jouw papa en mij een enorm voorrecht is om met jou dit avontuur te mogen beleven. Ten eerste omdat wij zelf allebei nog nooit zo’n avontuur hebben meegemaakt maar vooral door jou als persoontje. Wij zijn zo trots op je dat de tranen ervan in mijn ogen springen.

Door hoe jij groeit, leert en straalt, je kwetsbaar opstelt en je staande houdt, incasseert, terugveert, er vol voor gaat en blijft gaan. Door hoe jij enthousiast en lief blijft, niet afgunstig bent naar de jongens die al door zijn, je grootmoedig en weerbaar toont. Omdat je niet wegzakt in een ‘ik ben niet goed genoeg’ maar kijkt naar waar je kunt verbeteren, hiervoor oprecht openstaat, realistisch en dapper. En tussendoor heb je dan ook nog tijd en oog voor ons en maak jij je zorgen over of wíj het ons wel kunnen permitteren; in tijd, werk en aandacht voor de andere twee. Lief, lief mannetje. Ja, dat kunnen wij. Allemaal. Want wij als gezin gunnen jou de wereld!

Het wordt nu echt heel spannend en je weet dat je uiteindelijk, na alles wat jij erin hebt gestopt en de enorme stappen die je hebt gemaakt, alsnóg te horen kunt krijgen dat het grote podium niet voor jou gaat zijn. Je voelt dat zwaard en ziet dat dunne touwtje. Ik moet je eerlijk zeggen; ik vind dat moeilijk. Omdat ik niet snap dat die kerel niet ziet wat ík zie, namelijk dat hij in zijn handen zou moeten wrijven over het feit dat jij je aanbiedt. JIJ! Gast, is die vent wel goed bij zijn hoofd dat hij tegen jóu “misschien” zegt?!

Jij wist dit niet want ik blijf naar jou heel rustig, maar zo voelt dit moedertje het diep in haar hart. En dat mag, kritiekloos en vol overgave, als moeder.

Wat mij het meeste raakt in dit hele verhaal, is jouw veerkracht en jouw moed. Omdat je ervoor kiest om met open vizier door te gaan, ondanks de dreiging van een grote desillusie. Ik denk, nee ik wéét, dat ik ervoor gekozen zou hebben om te stoppen. Omdat ik zou denken: “Weet je wat, ik zeg zélf wel ‘nee’! Dan kunnen zij dat in ieder geval niet doen.” Zogenaamd heel stoer en net of ík zou kiezen en daarmee controle zou hebben. Alleen heb ik, toen ik groter werd, ontdekt dat dit juist de mákkelijkste weg is. Een bange oplossing voor een moeilijke situatie. En ik moet er nog altijd voor knokken om dit niet te doen. Iedere moeilijke situatie weer. 

Terwijl jij uit jezelf het tegenovergestelde doet. Jij kijkt de dreiging aan, trekt je eigen zwaard en ten strijde. Dát is pas heft in eigen hand, dat is pas stoer. En jij leert het mij. Een diepe buiging maak ik voor jou.

Vroeger, toen je nog echt heel klein was, wilde je ridder worden. Daarna onderzoeker en avonturier, nu danser. Ik kan jou vertellen: je bent het al, allemaal. En met verve!

Ik wens je heel veel succes, baasje. Het maakt werkelijk niet uit wat de uitkomst van dit avontuur gaat zijn. Podium of niet, ik weet dat jij met al jouw kwaliteiten, heel ver zult gaan. En weet jij dan maar dat waar je het nodig hebt, ik jou altijd breng of met je meeloop.

Alle liefs, mama 

 

 

Geachte heer Dekker, beste Sander,

Beste Sander

 

Vandaag kreeg ik een brief van u, omdat mijn kind in groep 8 zit en straks naar de middelbare mag.

U vertelt mij in deze brief dat ik mij daarom op scholen kan oriënteren, hierover met andere ouders in gesprek kan gaan en Open Dagen kan bezoeken om zo een keuze te kunnen maken (zou u zich realiseren dat vandaag de dag vooral het kínd een grote rol speelt in dit keuzeproces? Dat is even een gedachte terzijde die nu door mijn hoofd schiet).

Het is een aardige geste, uw brief. Echter, het is 27 januari en op as. weekend na, hebben alle scholen hun Open Dagen reeds achter de rug.

U bent dus meer dan rijkelijk laat. Zo zonde vind ik dat, van al dat papier voor brieven en enveloppen en al die mens-uren die in deze ‘informatieve’ ronde uwerzijds zitten.

Laat u deze informatieslag anders gewoon lekker aan de scholen zelf. Die doen dat vol enthousiasme en ruim op tijd. Zowel scholen van het primaire- als het voortgezette onderwijs. U voegt hier helemaal niets aan toe.

Besteedt u dan alstublieft gewonnen tijd en -budget aan die zaken waar u wél het verschil kunt maken, bijvoorbeeld waar het de vorm en kwaliteit van het onderwijs betreft? Dat zou nog eens fantastisch zijn!

Mijn hartelijke dank alvast en ook die van mijn kinderen.

Hoogachtend,

Alexa Kuit

 

PS. Als u dan met die kwaliteit en zo bezig bent, is het denk voor uw geloofwaardigheid en dat van uw Ministerie, verstandig wanneer u ervoor zorgt dat afzender-informatie op uw briefpapier klopt. Staat zo slordig, vindt u niet? Er zijn er die over wel minder struikelden …

 

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (4)

Schim by Lauren

Dag schim in de menigte,

Wie je precies bent, weet ik niet. Je komt in vele gedaanten en hebt vele gezichten.

Je doet vriendelijk tegen me, groet me, maakt een praatje. Of je zegt niets en kijkt alleen. Wellicht ook dat niet. Ik zou het niet weten want zoals ik al zei: ik weet niet wie je bent.

Jij weet wel wie ik ben, want je hebt het over mij. Ik neem daarom aan dat je me ook kent. Anders zou je het denk ik over me hebben in de vragende vorm, vanuit belangstelling of nieuwsgierigheid.

Maar jij bent wat minder genuanceerd; je víndt er iets van dat ik zo eerlijk over mezelf schrijf en dat vervolgens publiceer. Je begrijpt niet waar het voor nodig is, dat publieke. Je vind het belachelijk zelfs. Daar praat je over. Met anderen dan, niet met mij.

En nu vraag ik mij iets af. Wil je het écht weten, het waarom van mijn openheid? De reden waarom ik schrijf en mijn stukjes publiceer? Want als dat zo is, zou je het mij gewoon kunnen vragen. En krijg je antwoord. Het échte antwoord. En niet dat van een ander die niet spreekt voor of namens mij.

Wist je dat een oordeel hebben over een ander of iets wat een ander doet, meestal iets zegt over wat het in jou raakt? Niets met míj te maken heeft dus, maar met jouzelf? Goh, daar zou ík nou graag eens met jou over willen bomen. Zou je het lef hebben daar open over te zijn? Misschien. Maar misschien ook niet. En weet je? Dat is allemaal oké.

Laten we afspreken dat je met me levelt wanneer je me een volgende keer treft. Niet alleen me in mijn gezicht toelacht en met me over niets babbelt, of vanuit de verte zwaait en doet of alles zo leuk is en oké. Want als je mij zou lezen zou je weten dat ik daar niet van hou. Sterker nog: ik heb een bloedhekel aan dat soort fake.

Het raakt mij namelijk onaangenaam dat jij zo over mij praat. Feitelijk ongehinderd door enige kennis. Tuurlijk! Ik weet dat ik me er het beste niets van aan kan trekken maar ik ben een mens en het doet zelfs een beetje pijn. Stom eigenlijk. Je bent een schim zonder gezicht.

Ik denk dat het pijn doet omdat ik me kwetsbaar opstel en bij zoiets als dit voelt het ineens niet fijn. I know, mijn keuze. En nee, zeker niet jouw probleem. Maar wellicht fijn voor je om te weten, omdat je je daar waarschijnlijk niet eens van bewust bent.

Ik realiseer me al schrijvend: jij helpt me ook. Want met je armen open staan betekent natuurlijk ook af en toe onbeschermd zijn tegen een tik. Dat moet ik duidelijk nog leren, onder andere van jou.

Ha, wat mooi, het klopt dus echt: we hébben allemaal een rol in elkaars leven. Helpen elkaar allemaal een beetje op weg naar huis.

Hee, bedankt voor dit zetje! Ik zie uit naar het moment dat jij het mijne in ontvangst neemt.

😉

A.

“Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (3)

Koffiekamer

Dag Machinist-die-zijn-hand-overspeelde,

Volgens mij was jouw thuisbasis Hoorn maar ik weet het niet meer zeker. In ieder geval was je die dag tijdens een pauze in je ritplanning op Amsterdam CS, waar ik werkte.

Ik was 28 en gaf sinds anderhalf jaar leiding aan 80 hoofdconducteurs van Vadertje Spoor. En hoewel ik over mijn belevenissen in die twee jaar bij de NS een zalig boek zou kunnen schrijven, gaat dit over iets heel anders. Namelijk over intimidatie. Van seksuele aard.

Vaak is bij seksuele intimidatie op de werkvloer sprake van een leidinggevende die probeert iets van een werknemer gedaan te krijgen. In mijn geval was het andersom: ik werd te grazen genomen door een ‘ondergeschikte’.

Nou ja, te grazen genomen… dat had jij graag gewild. Althans, daarover was je luid en grof aan het opscheppen in de zogenaamde “koffiekamer” op de gang van mijn thuisbasis Amsterdam Centraal Station.

Deze koffiekamer was een notoire ruimte. Ons werd als leidinggevenden (de zgn. “PM’s” want veel wordt naar goed gebruik bij de NS afgekort) van de bewoners van de koffiekamer, aangeraden er vooral af en toe onze neus te laten zien, opdat we in dit bolwerk van roddel, achterklap, geklaag en gekanker ‘proactief aan het proces konden werken’. Het proces van de verandering bij NS. Een lastige taak, vooral voor de types als ik, die met een heel andere achtergrond ook een heel andere taal spraken dan de meesten van jullie.

Het was echt júllie ruimte en als ik binnenliep was ik duidelijk op bezoek. Het was er rokerig, bedompt en meestal geen fijne sfeer. Ik kwam er niet graag maar ik deed het wel en heb zo shag leren draaien en roken. En velen leren kennen als geweldige mensen, typische ruwe bolsters met blanke pitten. Tough cookies met een groot hart voor de zaak.

Die dag liep ik net langs en was helemaal niet van plan om binnen te lopen, toen ik mijn naam hoorde vallen. Met een hoop zeer schunnige teksten erachteraan waardoor ik besloot, met angstig kloppend hart, toch maar even binnen te lopen. Je kunt je voorstellen hoe hoog die drempel op dat moment was.

Zo stond ik in de deuropening terwijl jij schuimbekkend tekeer ging over mij en wat je allemaal wel niet met me wilde doen. Ik herhaal het niet maar laten we zeggen dat het vrouwelijk geslachtsdeel een hoofdrol speelde in jouw vrolijke sprookje, in woord en gebaar.

Jij zag me niet. Je collega’s wel. Je ging zo op in je fantasieën dat je het allemaal niet doorhad: de stilte die viel, het gebrek aan respons dat je kreeg.

Totdat je een por kreeg in je zij.

In mijn verbeelding van nu grijnsde ik als een panter die likkebaardend klaar staat om de prooi te grijpen. Maar niets was minder waar. Ik voelde me zo slecht en ranzig. Ik vond het zo enorm gênant wat jij allemaal over mij zei, wat je deed en dat ál die mensen dat hoorden. En ik wist even niet hoe ik daarna nog geloofwaardig kon zijn als “baas” van allemaal collega’s van jou.

Dat heb ik nooit laten merken. Ik weet nog dat ik ijskoud zei: “Goed. Jij hebt nu dus een enorm probleem”, en wegliep. Uiteindelijk heb ik in overleg met mijn leidinggevende aangifte gedaan. Het was een first-timer voor de NS. Een claim to fame die ik liever niet had gehad.

Ik weet niet meer wat deze aangifte precies voor jou betekende. Eerlijk gezegd herinner ik me je naam en je gezicht niet. Ook heb ik er gelukkig geen nacht wakker van gelegen.
Jij wel, dat weet ik zeker.

Een groet uit je verleden,

PM tps AK

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (1)

Kippig

Geachte vervelende oogarts,

Het is 30 jaar geleden dat ik voor u stond als bedremmelde 12-jarige bij wie zojuist door de schoolarts minder zicht was geconstateerd. In de eerste klas van de middelbare zat ik en deed ik mijn best mijn plekje te veroveren. Dodelijk onzeker tussen al die coole, knappe, superslimme types. Mijn tactiek was die van een grote mond maar in mijn hart voelde ik me erg klein. En na mijn bezoek aan u nog een heel stuk kleiner.

Het bericht dat ik naar u toe moest voor een serieuze meting want met zekerheid een bril, was voor mij al een mokerslag die mijn kleine wereldje van school en sport deed beven. En precies zo stond ik samen met mijn moeder te wachten, ik zal het nooit vergeten, net over de drempel van uw spreekkamer totdat u zo goed zou zijn ons in onze aanwezigheid te erkennen.

U was druk bezig iets op schrift te stellen, keek niet op of om en ik durfde bijna geen adem te halen in de hoop dat het zicht-probleem dan vanzelf zou verdwijnen. Eindelijk drukte u een punt op het papier en uw bril steviger op uw neus, hief het hoofd en nog voordat u ons aankeek zei u het, langzaam en nasaal snerpend.

“Zooooo, dus Alexa hier is KÍP-piggg …?!”

Het klonk als een beschuldigend pistoolschot. En toen de ‘ggg’ van KÍP-piggg wegstierf en uw hoofd recht op uw schouders stond zodat u ons aankeek, zag ik kleine, kwaaiig-priemende oogjes achter Heel. Dik. Glas. Het was alsof u míj de schuld van dat dikke glas gaf en voor straf me nu met hetzelfde ging opzadelen.

Ik zakte ter plekke door de grond. Was dat ook echt gebeurd en ik nooit meer boven gekomen was het voor mij prima geweest. Mijn moeders hand beefde van ingehouden woede en nog als we het erover hebben voel ik die emotie. Dus ik heb het me niet verbeeld.

Kippig… wat een belachelijk woord om te gebruiken. Ik vroeg me nadien wel eens af of u gráp-piggg probeerde te zijn maar dat kan bijna niet. Zó niet-grappig was het.

De rest van de meting kan ik mij niet herinneren maar wel dat ik twee dagen later met een brilletje met ook Best Dik Glas naar school moest, alsook naar paardrijden en de verschillende sportvelden waar ik zo door de week verkeerde. Overal schoten mij de tranen in de ogen want zag ik uw oogjes-achter-jampotglazen voor me en hoe verschrikkelijk dat eruit had gezien dus hoe ik er in mijn beleving nu ook uitzag. Met mijn paardrij cap erboven…

Ik hoop dat mijn tot op het bot geschokte blik u aan het denken heeft gezet, die middag. Maar ik denk het eigenlijk niet. U was namelijk al redelijk oud -dat zag ik dan toch wel- en u deed dit waarschijnlijk al 40 jaar en al 40 jaar zo. Zonder invoelend vermogen, in ieder geval niet naar een kind, noch vriendelijke uitstraling.

U snapte de impact van uw professionele positie en autoriteit volgens mij niet. Daarom wil ik u, waar u nu ook bent, met terugwerkende kracht laten weten wat zulk communicatief onvermogen kan doen.

Het kleine beetje gevoel van zekerheid dat ik bezat was na die middag geheel en al zoek en jarenlang heb ik me lelijk gevoeld en had ik een van mijlenver zichtbare, zwakke plek waarop ik makkelijk te pakken was: Want Die Bril. In een tijd waarin een bril allesbehalve cool was. Daarom ontwikkelde ik uit zelfbescherming een nog grotere snavel met nog scherpere en stoerdere praat, wat mij met grote zekerheid links en rechts niet in dank werd afgenomen. Maar kwetsbaar mocht en kon ik natuurlijk niet zijn, dat had ik bij u wel gezien en gevoeld. Dus waar ik gevaar rook, pikte ik erop los. Gelijk een kip naar korrels, bedenk ik nu.

Gelukkig kwamen er na niet al te lang lenzen. Maar het gevoel van lelijk en kwetsbaar dus met schild en grote bek is wel nog lang gebleven. Daarbij had ik inmiddels een reputatie op dat vlak en u weet: om te overleven in de jungle van jonge adolescentie moet je je wel kunnen weren. Misschien is dat wel hoe u uzelf hebt geleerd zich staande te houden: met op niet-grappige-manier-grappig-proberen-te-zijn …

Overigens is het heel goede nieuws dat ik 8 jaar geleden mijn ogen kon laten laseren waardoor ik nu een haviks-blik bezit. Dat is nog eens wat anders dan een kíp. Vindt u ook niet? Een havik kan tenminste vliegen!

Hoogachtend,
De niet-meer-kippige Alexa