Een treetje hoger

5AC43F2F-D879-4334-ADAA-71A04915ADED

“EN WAT ZEI JIJ TOEN, THIJS?! WAT ZEÍ JIJ TOEN??!”

Thijs roept wat hij zei en ondanks dat het mannetje niet bepaald een zachte stem heeft, is het zwaar voor hem om op te boksen tegen het bulderende geweld van de lach van zijn moeder. Haar buurvrouw jodelt hard-hoog mee, Thijs en zijn antwoord gaan helaas kans- en daarmee roemloos ten onder.

ÍEDEREEN, ECHT ÍEDEREEN GING STUK, HÈ??!! -moeder Thijs geeft buurvrouw een peut met haar elleboog ter bevestiging. Deze knikt terwijl zij snikkend giert en lijkt daardoor sprekend op het lachende icoontje waarbij de tranen uit de ogen springen- WHAHAHAHAHA!!!

Ik ben benieuwd wat het nou was dat Thijs zei maar leg me er bij neer dat ik het nooit zal weten.

We zitten in de chillruimte van de dansschool van de jongste. Hij heeft balletles en ik zit in de chillbank met mijn computer op schoot. Samen hebben we een fijn ritme ontwikkeld gezien het gegeven dat we hier wekelijks midden op de werkdag naartoe moeten komen. Hij danst, ik klus. Daarna drinken, eten en zingen we (vals) in de auto op weg terug naar huis.

Alsof hij dit ruikt, zingt achter mij Thijs ineens een liedje, over Sinterklaas in zijn blote kont en iets met een mond. Af en toe valt hij stil om te zien of ook dit succesnummer al wordt opgepikt aan de bar en beloond met daverende lachsalvo’s. Maar helaas voor hem ratelt en reutelt men daar zonder pauze door.

Ik voel met hem mee en geef hem een knipoog als hij voor me langs loopt. Stoïcijns kijkt hij me met halfgeloken ogen koeltjes aan: ”Sint…Kont…mond …” en loopt zonder verder sjoege te geven door.

Waar je ook maar komt voor je kinderen, overal is sprake van een zekere pikorde tussen de aanwezige ouders. Ook op een dansschool, zeker een die bekend staat om z’n ambitie en de vele talenten die er rondlopen. De pikorde wordt hier niet bepaald door afkomst of hoeveel je verdient maar wel door de onderlinge connecties, de anciënniteit, de bijdrage aan de shows en natuurlijk in hoge mate wat er via het dansende kind op jou als ouder afstraalt.

Alleen wat dat laatste betreft maak ik op een dag misschien kans op een opwaartse beweging langs die sociale ladder. Verder ben ik: niet-van-hier, net-nieuw, nog-geen-show-meegemaakt-en-zo-op-het-oog-geen-talent-voor-kostuums-of-schmink.

Zelfs Thijs heeft dit kennelijk haarscherp door.

Het gejoel aan de bar neemt weer toe in volume, twee net binnengekomen ouders zijn er bij gaan staan en delen mee in de feestvreugde. En net als ik me afvraag of ik me nou buitengesloten en dus zielig moet voelen of juist opgelucht omdat ik er niets mee hoef, staat ineens Thijs weer voor me. Ik ben de lulligste niet dus kijk hem toch maar even aan.

Dan geeft hij mij een grote knipoog. En met een verlegen grijns laat hij me woordeloos weten dat ik op de ladder van zíjn pikorde in ieder geval een treetje ben gestegen.

 

(de naam van ‘Thijs’ is gefingeerd)

Een Facebook-bedrijfspagina

5021C789-E975-4F22-B161-08C3E58515EC.jpeg

“Mama, ik heb even een Facebook account ‘genomen’. Niet om te ‘tjetten’ ofzo, maar omdat we een bedrijfje gaan starten en daar kunnen we via Facebook een pagina voor maken. Want eerst wilden we een website maken maar dat kost €130,- per jaar. Ja, dát gaan we dus mooi niet doen!”

Aan het woord is mijn 9-jarige en hij kijkt er stralend bij, alsof het de normaalste zaak van de wereld is allemaal. Hij drukt zijn telefoon onder mijn neus: “Kijk, dit is ‘m!”

KLUSJESVOORIEDEREEN

“Hee, oké?! Eigenlijk ben ik niet zo blij dat jij nu ook al op Facebook bent. Is dat Insta niet genoeg?! Maar belangrijker: wat leuk dat jullie een bedrijfje starten! Wat is het idee precies?”

“Nou, we willen gewoon klusjes doen voor mensen. Allerlei soorten klusjes; boodschappen doen of de tuin harken of het konijnenhok verschonen…. Ik denk wel dat het vooral voor oudere mensen is, want die hebben geen kleine kinderen meer die het voor ze doen.”

Voordat je nu denkt ‘ach gut, die kinderen moeten dus vast heel hard werken voor hun moeder?!’: ja inderdaad, dat klopt.

“Hoe ga je die mensen naar je Facebookpagina krijgen, zodat ze weten dat jullie klusjes doen?”

“We gaan posters maken en ophangen. Ik ga ook vragen of ik er één in de Albert Heijn mag ophangen. En foldertjes die we rond gaan brengen.”

“Jullie hebben al heel veel bedacht, wat goed. Even nog een vraag: waarom ook nog Facebook als je al posters en folders maakt?”

Hij kijkt me aan alsof ik gek ben. “Ik kan toch geen twíntigduizend posters en folders maken?! En mensen scheuren denk ik heel vaak meteen foldertjes door en gooien ze dan weg, dat doe jij ook altijd. En we kunnen nooit álles op de posters en folders vertellen wat we willen. Want na elk klusje bijvoorbeeld, maken we een selfie met onze klant, als dat van hun mag. Daarom dus..!”

Tja, ik kan er werkelijk geen speld tussen krijgen: “Ik vind dat jullie echt supergoed hebben nagedacht al!”

“Ja maar mama, denk jij dat oude mensen wel op Facebook zitten? Ik bedoel mensen die, ehh (knijpt oogjes dicht van spanning), víjftig zijn..?” (uit z’n volgende blik blijkt dat ie niet zeker weet of dit een goede opmerking was)

“Baas! Zó oud is dat toch ook weer niet, dat zijn de meeste die ik hier ken, zo’n beetje. Volgens mij zitten juíst de wat oudere types op Facebook, daarom vind ik de keuze zo slim!”

Serieus verbaas ik me, ik wist helemaal niet dat ze al zó bij de pinken waren. Aan de ene kant word ik heel blij van deze frisse geesten en aan de andere kant stemt het me wat somber; want wat gaat het veel te snel met dat groot worden….

“Laatste vraag, vent: welke prijzen willen jullie vragen voor de klussen, weet je dat al?”

Denkt even na en zegt dan heel gedecideerd: “€1,50 per uur.”

”Per persoon, toch?”

”Nee! Per ons sámen natuurlijk..!”

… 😊 …

 

 

 

Galmt iets na? Luister dan.

DCFC35B3-330E-49AD-BB5C-DAE2F156113B.jpeg

Een moment ontmoet een gedachte, een handeling. Soms wéét je het op dat ene moment al, dat die gedachte of die handeling bepalend gaat zijn voor de rest van jouw dag, je week, het jaar of misschien wel je leven.

Als ik een boek zou willen schrijven, dan zou ik al die bepalende momenten aan elkaar rijgen, met alle bepalende gedachten en daaruit voorvloeiende handelingen (of niet-handelingen). De draden spinnend waarlangs mijn verhaal tot nu toe loopt. Fijntjes maar sterk en glashelder duidend waarom ik sta waar ik sta. En de intentie waarmee ik daar sta.

Waarom ik ga zoals ik ga. Niet alleen mijn hoofd recht, mijn rug en schouders inmiddels ook. Trots en steeds meer zelfverzekerd. Schoudertjes die eerst konden hangen of erger, tot hoog aan mijn oren opgetrokken stonden, zodat ik vaak pijn in mijn nek en daardoor hoofd had. Spanning waar ik nu steeds vaker een comfortabele ontspanning ontwaar.

Adem die tot diep in mijn buik gaat en dan pas weer eruit. Waar ik me voorheen met regelmaat moe, duizelig of opgejaagd voelde en erachter kwam dat ik vaak vergat adem te halen als het spannend werd of juist teveel teugen nam maar te kort en oppervlakkig.

Ervan overtuigd dat ik ga zoals ik was bedoeld om te gaan; in ieder geval langs de grote lijnen ervan bekeken. “Sociaal onaangepast” noemde een kennis het. Nadat ik daar om had gegrinnikt, vond ik het een groot compliment: “op een sociale manier helemaal je eigen gang gaan”, bedoelde ze. Denk ik.

Ik was al nooit van de conventies, tradities, fomo’s of de “ik-moet-omdat-anders-hij-of-zij-of-iedereen”’s en dat ben ik nu nog minder. Mijn weg meandert vrolijk tussen, langs en door die van anderen. Ik trek me als het erop aankomt, vrij weinig aan van wat een ander vindt en als het me wel raakt, laat ik me er niet door van de wijs brengen in die zin dat ik erdoor van mijn paadje raak.

Toch is dat ook wel anders geweest.

Zien, horen, lezen, ervaren. Mijn innerlijke wereld botst vaak genoeg met wat ik tegenkom. Voorheen verzette ik me. Fel en met kracht. Strijdend ten onder of ongeschonden door, met daartussen nog een tiental mogelijke uitkomsten. Nu niet meer. Of althans veel minder.

Mijn kracht blijkt te zitten juist in de momenten van rustige balans. En hoe meer ik die momenten bewust creëer of pak als ze voorbijkomen, hoe beter de dingen gaan. Vloeiender en veel meer onaantastbaar.

Die bepalende momenten? Zij hebben mij hier stap voor stap gebracht. Wild, luidruchtig, zoet, eenzaam of stil. Verschillend waren ze in alles maar met één ding gemeen: ze galmden na. Luid en duidelijk.

En ik? Ik hoefde maar één ding te doen: luisteren.

 

 

Over crackers en irritante ouders

E93B7AA5-A605-47B7-A7DB-D2BF1510E7B5.jpeg

In het donker dek ik de tafel voor het ontbijt. Ik heb geen haast, hoef niet al te vroeg ergens heen dus doe dit op mijn gemakje, terwijl één puber in de badkamer scharrelt en de ander ergens ‘burpees’ ligt te doen. Kleinste hoeft pas over een half uur op te staan. Huiselijke vrede die ineens zeldzaam lijkt en waar ik heel blij van word.

Aangekomen bij het brood blijkt r nog slechts een halfje van het niet-verse soort te zijn. F*ck!, had ik gisteren moeten halen. Vergeten. Mijn hersens scannen de mogelijkheden:

  • Me snel aankleden en naar de bakker. Nee, geen zin in want dit betekent haast en komt neer op verbreken van mijn gevoel van vrede.
  • Puberdochter zo in één streep naar de bakker sturen. Nee. Dat betekent voorts een half uur chagrijn van het ergste soort. Met grootse zekerheid ligt mijn gevoel van vrede dan aan diggelen.
  • Puberzoon uit zijn burpee rukken en naar de bakker sturen. Zie hierboven.
  • Jongste eerder wakker maken en naar de bakker sturen. Ach nee. hij hoest heel erg en doet altijd al alles en ook nog best vrolijk, als ik hem dat vraag. Vind ik zielig. Vrede etcetera.
  • Ze doen het er maar mee, ik smeer extra lekkere bammetjes en voeg ter aanvulling wat alternatieven toe. Topplan! Dilemma opgelost. Knappe jongen die dan nog aan mijn hoofd komt zeuren.

Als jongste aan tafel zit, inspecteert hij zijn lunchbakje: “Dank je mam, voor mijn lunch. Maar ik mag alleen niet dat pakje crackers meenemen.”

Alert en met iets hogere stem: “Hoezo mag dat niet, wat is dát nou weer voor een onzin?!” *mooi dat ik mijn aanvulling niet zonder slag of stoot opgeef en al zeker mijn gevoel voor vrede niet…!*

“Nou, we mogen geen snoep of koek tussen de middag.”

Opgelucht assertief en strijdbaar wapper ik met mijn armen: “Aha, ok, ik snap het. Maar dit is geen koek, dit is hártig. Met een beetje zout. Net als een boterham met kaas dus. Gewoon lekker meenemen, laat ze mij maar bellen als er problemen zijn..!”

Hij gniffelt want weet nu al wie dat dan zou winnen, vredelievend als ik ben.

Als puberzoon even later vertrekt, vertel ik hem wat snoevend over het cracker-dilemma.

“Oh ja, ik weet nog dat ik dan op Fruítdag altijd braaf mijn fruitje bij me had maar heel veel kinderen gewoon koek of snoep. En daar zeiden ze nooit iets van, volgens mij. Maar ja, dat is voor een leraar ook wel lastig: het tegen een kind zeggen is lullig want dan voelt het kind zich rot en die ouders reageren vaak super irritant.”

“Hm? Ah ja, hmhm, jaa, héél irritant vaak, die ouders inderdaad. Beláchelijk …”

 

Wachten

37F03EAC-43FB-4102-9361-41D8006DDA25

Niet te lang bij stil staan hoor, maar een groot deel van het leven bestaat uit wachten. Op een bus, een telefoontje, een uitslag, een antwoord, een reactie, in de rij bij de kassa, aan de counter bij de slager, tot je kind eindelijk z’n schoenen aanheeft of de auto voor je weer in beweging komt.

Afwachten, wachten op, wachten tot; … we wachten heel wat af.

Vroeger was ik heel slecht in wachten. Dat meisje dat onrustig van het ene been op het andere wipt, met haar hoofd abrupt van links naar rechts, dat moeilijk stilzit, zuchtend, ongeduldig, boos en uitdagend kijkend? Dat was ik.

Een ‘tikkie’ ongeduldig was ik zeker van mezelf maar misschien hield ik ook niet van wachten vanuit de associatie met het wachten op die bom die ieder moment kon ontploffen. Wachten kreeg daarmee iets dreigends ongewis. En was oneerlijk. Want ontploffen deed-ie toch wel, dus waarom dan niet gewoon meteen? De onvoorspelbaarheid van het moment waarop, maakte voor mij ‘wachten’ tot iets waar ik niet in rust in kon verpozen, maar waarin ik alert moest blijven en ook moest weten waar een eventuele exit was.

Onrust als dit galmt lang na en zingt nog wat door maar met het verstrijken van de jaren en het in perspectief kunnen plaatsen van belangrijke gebeurtenissen en emoties, komt berusting en daarmee meer rust.

Wachten is inmiddels prima uit te houden. Ik bereid me er zowel mentaal als fysiek op voor en hou mijn blik op het Hier en Nu, waardoor het nu vaak juist gestolen momentjes van genieten zijn. Momenten ook waar zomaar mooie verhaaltjes uit voort kunnen komen.

Áf moeten wachten daarentegen, is nog steeds een moeilijke. Vooral waar het gaat over het overgeleverd zijn aan wat die ander wel of niet gaat doen. Kunnen controléren wil ik het, snap dat dan! Iemand die een app of mail van mijn hand leest maar niet beantwoordt terwijl er een duidelijke vraag om reactie is bijvoorbeeld: een kwelling… Niet meteen natuurlijk maar als het zover is, dan is het mechanisme er één van absolute zelfgeseling; hard en direct.

“Ben-het-niet-waard-vindt-mij-natuurlijk-stom-was-een-idiote-tekst-kan-ik-het-nog-deleten-godver-waarom-stuur-ik-dit-dan-ook-ik-had-het-toch-kunnen-weten-Let-Dan-Ook-Op-Sukkel…!!”

Oog in oog met dat kleine meissie, zo boos op zichzelf want het kán niet anders dan dat het allemaal aan haar ligt. Onmacht, frustratie, verdriet slaan haar van binnen neer en naar buiten om zich heen.

Het verschil met toen is dat ik het nu zíe en dan weet ik het weer. Het enige antwoord, de enige reactie waar ik, waar zij op zit te wachten: “Het maakt niet uit: hoe lang het duurt niet en of het überhaupt komt of niet, want Jij Bent Oké.”

Stilte, terwijl de zon voorzichtig gaat schijnen.

Ik geef haar een hand: “Kom, terwijl we wachten, lopen we verder.”

“Ja en zullen we dan huppelen?”

 

 

 

Verzuipen of zwemmen?

11AC04B0-79A9-4283-88EB-8BC8E45B2E1B

5 jaar geleden was het over en stond ik er gevoelsmatig ineens alleen voor. Met kinderen, huis, het leven + alles wat hierbij komt kijken.

Even was daar totale paniek en kon ik kiezen: verzuipen of zwemmen? Angstig en vol oordeel over mezelf lag ik in dat koude water, bang om aan een ongewisse tocht te beginnen. En toch, er zat maar één ding op…

Komende vanuit een achtergrond waar ik altijd in een boot zat en überhaupt niet hoefde te zwemmen als ik daar geen zin in had, was dit een mentale game changer.

Mijn: “ja maar, ik weet niet zeker of ik wel goed genoeg kan zwemmen” of “help, de overkant is te ver, ik zíe m niet eens!” veranderden al plonzend en naar adem happend in “Rustig aan, slag voor slag, reguleer je ademhaling” en “Als je goed kijkt kom je op weg naar de overkant allerlei drijfhout, eilandjes en boeien tegen waar je op uit kunt blazen.”

5 Jaar later, soms schoolslag dan crawl en dan weer even genietend uitdrijven op mijn rug, zwem ik vrij steady naar die overkant.

Zie ik ‘m al?
Nee.

Is dat erg?
Nee!

Als ik maar blijf ademhalen en op die cadans blijf gaan. Dat brengt mij waar ik gaan wil. Met een sterker lijf, krachtiger hoofd en gelukkiger hart. Want in plaats van vol oordeel ben ik nu trots op mezelf.

De les? Als je verliest, heb je vervolgens van alles te winnen.

Waarderen

90863CF2-E606-4D2E-9201-585C7509B651

“Mam, wát heb jij allemaal gedaan deze dagen?”

Jongste en ik zitten saampjes aan de woensdaglunch en nemen de maandag en dinsdag even door want dan zijn zij bij hun vader. Mijn attente vriend houdt niet alleen van vertellen en aandacht opeisen, hij is ook oprecht geïnteresseerd in anderen en hun welbevinden. Een mooie eigenschap.

“Nou, ik heb voornamelijk gewerkt, had ook veel afspraken.”

“Oh leuk en was dat dan voor nieuwe opdrachten?” Op een of andere manier hangt voor hem iets magisch rond het bezig zijn met nieuwe opdrachten; vindt hij het stoer dat zijn moeder dit doet en daarnaast snapt hij de kick van het ‘scoren, het ‘landen’ van een klus.

“Ja, inderdaad mannetje, ook een heel leuke nieuwe opdracht. Alleen gisteren had ik een kennismakingsgesprek met iemand voor een nieuw coachingstraject, weet je nog dat ik je dat vorige week vertelde? Maar na 5 minuten praten wist ik dat ík voor nu niet degene was om deze persoon te helpen. Dus dat heb ik toen aangegeven: “Het is beter voor jou om ander soort hulp te zoeken.”

Hij is even stil, denkt na over wat ik vertel.

“Maar mam, kon jij dat wel zeggen? Ik bedoel, was je niet bang dat ze jou misschien niet goed zouden vinden en nu dus niet meer terugvragen?”

Zoals zo vaak verwonder ik mij over zijn slimheid maar vooral inlevingsvermogen.

“Jeetje, ik vind dat een knappe vraag van je. Zo van: als ik dit aangeef, geef ik eigenlijk toe dan ik niet goed genoeg ben. Bedoel je dat?”

“Ja?!”

“Ik zal eerlijk zeggen, heel even ging precies wat jij zegt door mijn hoofd en was ik bang dat ze zo zouden kunnen denken. Maar dat hield mij niet tegen het toch te zeggen. Omdat ik vind dat ik heel eerlijk moet zijn over wat binnen míjn macht ligt en wat niet. Stel dat iemand meer last krijgt omdat ander soort hulp nodig was. Dán zou ik mijn werk juist niet goed doen. En nu, met het aangeven van mijn grens, wel! Snap je dat?”

Hij denkt, knikt en kijkt mij dan aan met grote ogen vol bewondering.

“En weet je, mama? Ik vind jou daarom echt Súpergoed!”

Hij springt van zijn stoel en geeft me de grootste, liefste knuffel die hij in zich heeft.

Ik schatte mijzelf op waarde, trok een grens en oogst daarmee de hoogste waardering: ❤️

Niet gek.