Bewust onbekwaam

“Mam, het regent echt hard. Als dat zo blijft wil jij me dan even naar het station brengen, alsjeblieft?” Het woordje “alsjeblieft” doet direct wonderen. Ik hoor mezelf “natuurlijk schat.” zeggen.

Even later is het weer droog en breekt de zon zelfs door. Ik geef aan dat als het zo blijft, zij prima kan fietsen. Brengen vandaag betekent ook halen morgen en ik probeer een werkritme op te bouwen terwijl zij nog steeds vakantie vieren.

Nog geen sinecure en tussen al hun plannen, in-en-uitlopen en permanent geluid van idiote YouTube-filmpjes, bevecht ik mijn gevoel van ruimte. Wat soms lukt maar vaak ook niet. Meestal laat ik het want vind ik het stiekem ook heel gezellig die types zo om me heen, maar af en toe wil ik mijn punt over de bühne krijgen. Ik besluit dat dit zo’n moment is.

Een dreigend dreinerig en daarmee allergie-opwekkend “Nee maar, mahámm, je kunt me toch brengen? Ik kan morgen de bus terug pakken!” klinkt.

“Ja, oké, en dan kun je dus nu ook de bus héén pakken…”. Tevreden over mijn logica laat ik een betekenisvolle stilte vallen.

“Ik wil heel graag nu sámen, want dat vind ik zo gezellig…”

Kijk, en daar gaat het mis voor deze moeder. Want of het nu gemeend is of niet en of ze dat écht vindt of hier über-manipulatief op die al 16 jaren goed geobserveerde knop drukt; het maakt allemaal niet uit want het is de juiste knop.

Theatraal zuchtend maar ondertussen glimmend, trek ik mijn jas aan en pak mijn autosleutels.

Ergens achter in mijn hoofd de echo’s van de stem van mijn omaatje, die toen ik klein was ook precies wist hoe ze mij kon bereiken; iets met zoete broodjes, natte vingers, bakken en lijmen.

Ik weet het. Volledig bewust onbekwaam. Maar het geeft niet. Want de kracht zit ‘m in de zelfkennis.

“Kom op schat, we gaan.”

And yet, there we are.

‘We komen nergens vandaan en we gaan nergens naartoe’.

And yet; there we are.

Na de ruige stromen, de toppen en de dalen in Italië, zijn we weer thuis. Ook mooi, want kalm, vloeiend en vlak maar niet saai. Nooit saai. Al was het maar door de tinten groen, de lichtval en de altijd wisselende luchten.

Met mijn bijna-15 jarige zoon was ik op pad. Wij dompelden ons samen een week onder in stilte, bewustzijn, gewaar-zijn en martial arts. Gegoten in de vorm van Flowtrainingen gecombineerd met pittige hikes in de Italiaanse bergen. Dit alles onder de bijzonder kundige begeleiding van Sifu Lo Tor, grootmeester in de martial arts.

De impact van zo’n week ‘Flowtraining’ is groot. Tai Chi, Qi Gong, Wushu en Zen op grote hoogte maar juíst met je voeten stevig op de grond. Niets zweverigs of wazigs aan; eerder super geaard. Uit je hoofd, in je lijf. Ervaren, niet denken.

De impact op mij? Naast een heleboel wat teveel is om op te noemen en het cadeau dit met mijn kind te ervaren, merk ik dat mijn ogen net wat anders kijken na deze afgelopen week. Vanuit meer rust en meer aanvaarding van hoe dingen (kunnen) zijn.

Holy cow (en berggeit): de vechter aanvaardt…! Nothing short of a miracle, wat mij betreft.

Rust is het nieuwe goud en zit ergens tussen ieders oren. De uitdaging is om het daar zo veel mogelijk te houden. Nog geen sinecure daar de triggers om gewoon lekker op de emoties mee te varen, veel, diep ingesleten en verdomde gewiekst zijn.

Bezig zijn met je eigen ‘zijn’; dat is echt ergens goed voor. Maar vergis je niet: echt ‘zijn’ leer je alleen maar door t bewust te ‘doen’ en te ‘niet-doen’. Klinkt toch wel wat wazig, zeg je? Hm. Dat ligt aan mij, ik laat me meevoeren door de woorden in mijn hoofd.

Dus tip: ervaren is doen…

En even zo vaak niet-doen.

Geen quick fix! Het vergt een hard aan de bak en blijven. Oefenen. En doorzetten. En .. etc.

Mooie uitdaging en het goede nieuws:

‘The world is our dojo’.

Dus ook hier; het groene, kalme gras van Warmond.

Aubergine

De thermometer tikt de 40 aan. Wij hebben net een adembenemend kijkje genomen in de Mezquita Cathedral plus tuinen en zoeken nu een koeler plekje om weer op adem te komen.

De toog van de ‘taverna’ biedt die plek.

Een wat knorrige barman, die eigenlijk wil sluiten voor zijn broodnodige siësta, ontdooit als blijkt dat wij niet uitgebreid komen eten maar alleen een copa en een gazpacho Andalúz vragen. Dit staat in slechts een handomdraai klaar.

Rechts van mij zit een nogal corpulente en besnorde man in roze shirt. Hij oogt fris maar als hij tegen ons gaat praten, verdwijnt dat idee al snel door het onverstaanbare gepruttel waarbij zijn adem fluitend ontsnapt tussen de grote gaten van de nog wèl aanwezige tanden door. Mijn Spaans is behoorlijk op peil maar van hem versta ik vrijwel niets.

Hem maakt dit alles niets uit. Glanzend kijken zijn waterige oogjes langs mij heen naar de lange en breedgeschouderde extranjero die naast mij zit. Verrukt reutelt en pruttelt hij over de warmte, zijn Córdoba en de mooie blauwe ogen van mijn metgezel. Die met zijn hoed en zijn baard-van-een-week inderdaad wel wat wegheeft van Indiana Jones.

Ik buig mijn hoofd en realiseer me dat Cupido deze trotse Cordobez bij onze binnenkomst midden in het hart raakte. Mijn compañero kijkt mij ondertussen met zijn ‘ojos azules’ vragend aan; hij weet nog niet dat hij de hoofdpersoon is in het tussen 3 tanden door gelispelde liefdeslied op rechts.

De barman ziet, hoort, verstaat wèl en gaat stoïcijns door met wat hij al aan het doen was voordat wij binnenkwamen.

De situatie duurt voort en voelt steeds ongemakkelijker. Voor mij omdat ik als vertaler word gebruikt maar niets versta en voor Indiana die nu doorheeft dat hij het onbereikbare liefdesobject van deze gepassioneerde goeierd is.

Dan ineens vat de door Cupido getroffene moed, klokt zijn laatste van inmiddels vele copa’s weg, rolt van zijn barkruk, grabbelt zijn aubergine mee en komt tussen ons in staan. Na een laatste, nu rechtstreeks aan Blue Eyes gerichte aria, waggelt hij zielsgelukkig de deur uit.

In zijn rug hoor ik hem denken (ik versta hem ineens perfect): “Madre Dios, vandaag pakte het naar de markt gestuurd worden voor die ene aubergine toch maar mooi verdomd goed uit..”.

Hashtag NoFilter

“Ik wil graag weten hoe ik overkom. Want als ik binnenkom, wie zíet men dan? En als ik met iemand in gesprek ben, hoe percipieert die ander mij?

Want ik merk de laatste tijd dat gesprekken niet gaan zoals ik wil; het voelt stroever, ik heb minder grip. Al een paar keer nu was ik aan het einde van een gesprek zo ver dat ik dacht: “Zo, nu kunnen we er een klap op geven!”, was zeker dat die ander daar ook was en dan toch … niets. Ga ik met lege handen naar huis en een vraagteken boven mijn hoofd.

En dat laatste vind ik misschien nog wel het ergste. Want welke signalen aan de overkant mis ik en wat doe ik zelf dan niet goed, dat ik de onderhandeling niet naar verwachting afrond?”

Tja. Lastige vragen, zeker als iemand gewend is vanuit zijn beleving de controle te hebben over situaties. En er van uitgaat dat hij de richting bepaalt.

We plannen onze gesprekken in en gaan aan de slag. Ik lees zijn gezichtstaal en neem hem mee in wat hij non-verbaal doet: alle microbewegingen van zijn oogleden en wenkbrauwen, het slikken, het vele knipperen en het naar boven wegdraaien van de ogen bij het denken en praten tegelijk. Ook zijn posture, de manier waarop hij zijn lijf draagt en wat dit alles doet in het contact met die ander.

Wat ik zie, is dat hij veelvuldig uit het contact gaat. Met zichzelf en daarmee dus ook in de interactie. Hij neemt fysiek afstand, door tijdens het gesprek zijn hoofd wat naar achteren te hellen waardoor zijn kin de lucht in gaat. En als hij echt op dreef is, sluit hij zijn ogen vaak voor langere tijd terwijl hij praat, waardoor hij het contact ook letterlijk onderbreekt. Dan is het hele concept van verbinding maken en het elkaar echt verstaan, inderdaad erg lastig.

Het effect van zijn non verbale uitingen is dat er een bepaalde ongrijpbaarheid en afstandelijkheid van hem uitgaat. Logischerwijs ontstaat bij een gesprekspartner dan de vraag en twijfel: “Hoeveel investeert hij nu echt: wat en hoeveel van zichzelf legt hij hierin en waarom zou ik dan willen investeren in deze relatie?”

Ik beluister zijn narratief op woordkeuze en toon en zet dit af tegen wat ik zie. Ik check wat ik kan opmaken over wie hij is, wat zijn gedragreflexen zijn en wat hij zelf nodig heeft. Ik vraag. Heel veel. En luister goed naar wat hij vertelt. Over interacties met anderen maar ook en nog belangrijker, de interactie met zichzelf.

Op basis van waar hij allemaal mee komt, begeleid ik hem in een aantal visualisaties, ademhalingsoefeningen en specifieke mentale oefeningen waar hij zichzelf mee kan voorbereiden en die hem helpen in de juiste ‘stand’ te gaan staan. Namelijk die stand waarmee hij optimaal present is in iedere interactie.

Hij krijgt inzicht in de verhalen die hij zichzelf vertelt en wat de effecten daarvan zijn in het contact met zichzelf en anderen. Hij leert wat er gebeurt als hij in zijn reflexgedrag schiet en wat de impact daarvan kan zijn op degene(n) met wie hij praat, Welke boodschappen hij uitzendt en in welke mate die af en toe incongruent zijn met wat hij zegt maar zéker met wat hij over wil brengen: namelijk het vertrouwen wekken, open en benaderbaar zijn en het waard zijn om in te investeren. Ook op persoonlijk niveau.

Even na ons laatste gesprek krijg ik een opgetogen telefoontje: “Ik heb zojuist een droomopdracht binnengehaald! Dank je wel.”

Wat precies maakt dat het hem nu wel lukte; lag dat allemaal aan onze gesprekken?

Lastig zo even te stellen. Dat zou ik ook niet zomaar doen, de allerbelangrijkste factor van succes is degene met wie ik werk zelf. Altijd.

Wat ik wel weet is dat na onze gesprekken mijn opdrachtgever zichzelf zo goed verstond dat het hem in staat stelde zichzelf ook zo over te brengen.

En precies dat is waar ik het voor doe.

Basis

“Waar haal jij je inspiratie uit, Alexa?”

Om eerlijk te zijn, veel van mijn inspiratie komt voort uit het dagelijks leven. Omdat het dagelijks leven ons onze werkelijke basis toont. Onze basis zoals wij die ten diepste ervaren. Vaak onbewust.

De manier waarop we staan en ons lichaam dragen, onze reflexen, de impulsen en regulaties die we met ons gezicht laten zien, ons binnen en buiten, de wijze waarop we wel of niet tot (inter)acties overgaan. Totaal fascinerend.

Maar mijn puurste, rijkste en meest diepgevoelde inspiratie komt van degenen die het allerdichtst bij mij staan. Het hart van mijn dagelijks leven.

Door de manier waarop zij helemaal zichzelf schijnen te zijn, ongeacht het gegeven dat ze dezelfde achtergrond hebben, opvoeding en sociale omgeving.

Ik bewonder hun unieke natuur waarin zoveel voor mij te herkennen valt maar ook nog zoveel meer te ontdekken en leren.

Neem nou deze baas. Hij kiest ‘de barre’ als vriend (en vijand). Dapper en de doorzetter die hij is, zal het hem binnenkort zeker lukken om zijn voet op de bovenste stang te leggen.

Onvermoeibaar en niet gestoord door anderen, gaat hij door. Soms met koele berekening en vooraf bedachte strategie. Vaak ook gewoon, zó. Af en toe woest en ziedend om dat het niet snél genoeg gaat. Maar door gaat hij want opgeven zit er niet bij.

Ik weet dat omdat ik hem ken.

En daarnaast zie ik het in zijn ogen, zijn rechte schouders en volledig open houding.

❤️

Knop

Regelmatig lees ik over hoe kinderen van gescheiden ouders moeten (ont)wennen op wisseldagen; als zij van vader naar moeder gaan en andersom. En dat dit inhoudt dat die kinderen op zo’n dag meer in zichzelf gekeerd zijn, afstandelijker. Ook naar andere betrokkenen, zoals de nieuwe liefdes die er misschien zijn.

Ik heb daar nog nooit iets van gemerkt bij mijn kinderen maar vraag het me nu ineens af: hebben zij daar soms ook last van? Ik besluit het ze maar gewoon te vragen.

“Hee lieverds, hebben jullie op de dagen dat je van papa naar mij gaat of andersom, last van ‘moeten wennen’ of een gevoel dat het moeilijk is om ineens bij de andere ouder te zijn. En dat je je daardoor even wat stiller voelt of merkt dat je even niet weet waar je staat? Ik denk dat het voelt alsof je van binnen je armen stevig om jezelf heen slaat.”

3 paar ogen kijkt mij aan van boven hun borden: “Huh?”, “Euh..”, “?”

“Mam! Wat bedóel je?”

“Ik lees en hoor dat best vaak: dat het voor kinderen lastig is als ze van de ene ouder naar de andere gaan, van het ene huis naar het andere. Misschien zelfs van het ene leven naar het andere leven. Ik vroeg me dus af, aangezien jullie ook steeds moeten wisselen, of jullie dat herkennen?”

Even is het stil. Drie hoofdjes denken, drie lijfjes voelen.

Oudste: “Nee, daar heb ik helemaal geen last van. Het is bij jullie precies hetzelfde; even fijn.”

Middelste: “Ehm… nee. Totaal niet herkenbaar. Het huís is wel anders, maar het vóelt niet anders.”

Jongste: “Nee hoor, mijn leven gaat altijd door. Gewoon hetzelfde.”

Ik voel opluchting, mijn angst is toch altijd dat ik de dieper gelegen, echt wezenlijke dingen bij hen mis: “Daar ben ik blij om zeg, dat is fijn voor jullie.”

“Maar mam, hebben echt veel kinderen dat wel? Ik snap niet waarom?! Dat vind ik zielig voor die kinderen.”

“Ik weet ook niet precies waarom dat is, ik ken het niet vanuit mijn eigen situatie maar kan me er wel iets bij voorstellen. Kun je bedenken waardoor het zou komen?”

Middelste: “Ik ken een jongen die dat heeft, hij heeft me dat verteld. Hij zei dat het kwam omdat zijn ouders niet goed met elkaar omgaan en niet aardig over elkaar praten. Daardoor weet hij niet wat nou waar is en wat hij kan geloven. Hij zei dat hij daarom twee knoppen in zijn hoofd heeft: één voor bij zijn vader en één voor bij zijn moeder. Ik vroeg welke knop dan zijn echte was. Toen zei hij dat hij zijn eigen knop kwijt is.”

We zijn er stil van, ik weet niet wat ik moet zeggen, voel me enigszins verslagen en kijk naar beneden, in mijn bord. Als ik weer opkijk zie ik drie paar peinzende ogen. Dan spreekt jongste voor de hele set:

“Ik vind het ook heel fijn voor ons dat wij onze eigen knop gewoon hebben…”

PEEPING TOM – over projectie gesproken

Als ik hem ophaal bij zijn toernooi, maakt hij al sporttas naar mij toegooiend melding van ‘een gat ergens in zijn broek’. “What’s new”, denk ik. We stappen op onze fiets en gaan ervandoor.

Als hij voor mij fietst en even op zijn pedalen gaat staan, gloren onderbroek en beentje mij tegemoet. “Vriend, het is geen “gat ergens”, het is een MEGA-winkelhaak.”

Hij schrikt: “Echt? Hoe groot dan?”

“5 bij 5 ongeveer.”

Het blijft stil, kennelijk nog onbekend terrein, deze maat-aanduiding. Logisch, hij is pas 10. Wist ik ook niet toen ik 10 was.

Thuisgekomen vertelt hij ineens dat bij rekenen ingewikkelde zaken de revue passeerden; zaken als ‘vierkante meters’.

Uit zijn verdere zwijgen maak ik op dat een en ander nog niet helemaal is geland. Als wel dan had hij mij nu vast en zeker een lesje oppervlakte gegeven.

“Dat is precies wat ik net bedoelde met die 5 bij 5. Als je die keer elkaar doet, krijg je 25 vierkante céntimeter. Dat zegt iets over het totale gat in je broek.”

Ik houd het expres simpel. Niets zo irritant als direct geconfronteerd worden met wat je nog niet helemaal in de vingers hebt. Ik begrijp dat heel goed. Had ik ook altijd.

Hij kijkt me aan: “Ja mam, dat snapte ik. Want lengte maal breedte is oppervlakte.”

😳

Oh.