Fly baby, fly!!

Fly baby, fly!

Lief kereltje,

Tien jaar ben jij en je stelt jezelf veel en bijzondere vragen. Ik ben blij dat je dat vaak hardop doet, aan mij bijvoorbeeld, en dat we dan samen kunnen filosoferen over redenen, ons samen druk kunnen maken over de (on)mogelijke antwoorden of het feit dat we al die antwoorden onvoldoende hout vinden snijden. We het soms gewoon niet snappen en elkaar daarin vinden. En gelukkig neem jij het mij niet kwalijk dat ik, je moeder nota bene, het antwoord (best vaak) niet weet. Ik heb het idee dat je het juist fijn vindt eenzelfde soort onbegrip bij mij te treffen als dat jij voelt.

Zo heb jij dit jaar de Entree-toets gemaakt. Je had een super goede score, een die jou er in ieder geval van vergewist dat je na volgend jaar alle kanten op kunt, wat je ook maar wilt. En dat vind ik heel fijn voor je, aangezien het onderwijssysteem in Nederland voor het belangrijkste deel gebaseerd is op dat soort toetsen en de resultaten die jullie halen.

Een systeem waar ik als ouder en als mens moeite mee heb. Omdat ik vind dat het voorbijgaat aan een aantal heel belangrijke waarden waar juist ook het onderwijs voor zou moeten staan. Die gaan niet over sommetjes en cijfertjes, woordjes en korte termijn kennis. Maar over het kind en zijn of haar unieke vermogens, het leren vertrouwen op eigen oordeel en vaardigheden als kritisch nadenken, discussiëren en het durven buiten de lijnen te lopen omdat jij dat wilt.

Kortom; waarden die gaan over het ontwikkelen van de sterkste vleugels waarmee jij, het kind, je leven in kunt vliegen vertrouwend op jezelf en jouw slagkracht. Zodat je zo hoog durft te gaan als je kunt.

En toen zei je vorige week ineens iets dat ik in het licht hiervan zó mooi vond; diep doordacht en zo oprecht. Je zei: “Mama, over die taaltoetsen, weet je wat ik daar écht niet van snap? Dat je vragen krijgt als: ‘welk woordje uit deze rij is niet goed geschreven?’. Ik vind dat zulke stomme vragen, want hoe belangrijk is dat nou? Ik bedoel, ik weet heus wel dat het fijn is als je goed kunt schrijven en niet té veel fouten maakt. Maar daar gaat het toch niet alleen maar over in het leven! Waarom vragen ze geen dingen waar je écht over moet nadenken?“

Je trof me met deze vraag en de emotie die ik bij je voelde. Ik vroeg je of je een voorbeeld kon geven. Dat kon je: “Bijvoorbeeld zo’n vraag die als verhaaltje wordt verteld; een situatie met mogelijkheden en dat dan wordt gevraagd:’ wat zou jij doen en waarom?’ Want daaraan kunnen ze tenminste zien hóe je denkt en wat je daarmee zou kunnen!?”

Ik gaf je gelijk. Natuurlijk gaf ik je gelijk! En we bespraken dat het nu dan helaas nog niet zo ver is maar dat allerlei bewegingen gaande zijn die er hopelijk voor zorgen dat het onderwijs van de toekomst beter en passender zal zijn voor alle kinderen. Daar werd jij enthousiast van. Gelukkig, want je eigen motivatie is jouw belangrijkste brandstof.

De manier waarop jij de realiteit aanvliegt, bevraagt en je gelijk (onder)zoekt maakt mij heel trots.

Lieve schat, wat een vertrouwen heb ik erin dat het met die vleugels en dat vliegen van jou helemaal goed komt! Ik hoop dat je altijd heel veel vragen blijft stellen, ook aan mij. Want met jouw vragen verrijk je niet alleen je eigen leven maar ook zeker dat van mij en van iedereen aan wie je ze stelt.

Alle liefs van je mama.

Busje

Busje

Hij was weg.

Ik zag het meteen toen ik terugkwam want zijn fietsje stond niet meer in de schuur.

De oudste twee wisten het ook niet: vragende ogen, schuddende hoofden, optrekkende schouders. Nee, zij hadden geen idee. En nee, ze wisten ook niet waaróm hij wellicht weg was.

(De dag ervoor:

“Jongens, ik las in een stukje op internet dat ergens mannen actief zijn die niet veel goeds in de zin hebben met kinderen. Ze gaan als volgt te werk: ze rijden rond in een blauw busje en als ze de kans krijgen vragen ze een kind alleen om even bij hen te komen omdat ze een belangrijke vraag hebben of zoiets. En kennelijk trekken ze het kind dan mee in de bus en rijden weg. Ik wil even checken of jullie nog weten wat we hebben afgesproken over vreemde mensen.”
‘Jaaaa-haaa, wij gaan écht niet naar iemand toe die iets in zijn búsje wil laten zien hoor, mama!! Tssssss…!’
‘Wat voor busje is het mam, alleen maar blauw?’ ‘Hoezo bláuw??!!. En welke mannen? Hoeveel?’
“Weet ik allemaal niet. Er zijn er vast wel meer rare mensen met nare bedoelingen, ik las dit toevallig. Maar het gaat mij even om het principe.”
‘We beloven dat we dat niet doen, ok? Ik ga zéker nooit zomaar mee met iemand of in die bus.’
“Fijn om dat te weten. En ook niet als het iemand is die zegt dat hij zulke schattige jonge diertjes heeft en of jij die wil aaien ofzo.”
‘Neeeeee-heeee. Zucht. Tuuurlijk niet!!’”)

Ja jemig, lastige onderwerpen want hoe het te brengen zonder ze bang te maken? Ik kies maar voor de ‘rechttoe-rechtaan-zoals-het-is-en-better-safe-than-sorry-methode.

Kleine vent was dus nu op pad. Alleen. En niemand wist waarheen. Terwijl wij twee heel belangrijke afspraken hebben: als je weggaat zeg je het en ook waar naartoe. Als ik er even niet ben, gaat niemand in de tussentijd ergens anders naartoe. Bij elkaar blijven en op elkaar letten.

Tien minuten later in onze zoektocht troffen wij hem aan de waterkant. Op zijn fietsje. Boos. Bij navraag bleek hij boos op zijn grote broer die zomaar niet meer met hem wilde ping-pongen. Beledigd dus. En een beetje bang omdat hij hem driftig een paar karateslagen had toegediend en vreesde voor de repercussies. Want dat had hij mij horen zeggen tegen de middelste die altijd de klappen opvangt en nooit iets terugdoet: “Als hij te erg tegen jou doet en hij luistert niet als je zegt dat hij moet stoppen, mag je best een keer terugslaan. Zodat hij weet hoeveel pijn hij jou doet.”
Hij had kennelijk niet het antwoord daarop van middelste gehoord: “Nee, dat doe ik niet, mam. Ik vind dat echt zielig.”

Toen de kinderen later in de keuken een limo dronken om bij te komen en jongste nog eens uitleg gaf aan de andere twee waarom hij had besloten “weg te lopen”, haalde hij ineens een bíjna-net-echt-plastic-pistooltje uit zijn broekzak. Op zich niet heel ongebruikelijk maar was de plechtigheid waarmee hij het op tafel legde reden voor ons aller onverdeelde aandacht.

En wat bleek? Hij had heel serieuze voorbereidingen getroffen voor zijn reis: “Kijk. Deze had ik meegenomen, voor als stomme mannen of enge vrouwen tegen mij gingen praten…!!” Toen sprong hij op, greep zijn pistooltje en “schoot” al die ellendelingen neer.

Point taken, I guess 🙂

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (2)

Schaap

Beste Bor de Bons,

Van functiewege zou ik je eigenlijk met ‘U’ aan moeten spreken. Maar in jouw geval pieker ik daar niet over. Daarvoor heb ik teveel sms-jes van bedenkelijke aard van je gekregen.

Geen zorg, het is zeker mijn bedoeling niet om jou met deze mail aan de publieke schandpaal te nagelen. Ik geef op geen enkele manier een hint over wie dit gaat, dat beloof ik je. Een heel beperkt aantal mensen zal misschien een vermoeden hebben, áls ze deze mail al lezen, want ik heb het er uiteindelijk maar met twee of drie mensen ooit over gehad.

Getrouwd met kinderen en grote politieke ambities, bekleedde je een belangrijke publieke positie. En zoals wel vaker bij mensen in dat soort schoenen: een narcistische persoonlijkheid voor wie het gevoel van macht en de grenzeloze ambitie gekanaliseerd moesten worden met spanning en seks. Kwam ik achter.

Ik kwam bij je aangewaaid om je te interviewen. Jonger dan jij en stralend want zwanger. Dat wist jij niet. En ik tóen ook nog niet want het was heel pril. Later vertelde men mij dat jij binnen “het wereldje” bekend stond als: ‘heeft-in-elk-stadje-een-ander-schatje. Op dat moment echter was mij dit volledig onbekend. Ik was geen insider in desbetreffend wereldje en de ‘verheven’ moraal die erbij hoort kwam niet eens in mij op.

Hormonaal bevattelijk trapte ik met beide voetjes in jouw dodelijk charmante manier van doen. Hoewel ik er tijdens het interviewgesprek geen seconde erg in had, naïef braaf-stralend schaap dat ik was, bleek ik geen partij voor jou. Dus toen ik later die avond je sms bericht ontving leek het erop dat ik rijp was voor de slachtbank.

Of ik nog in town was voor een drankje, want je had me nog láng niet alles verteld. En of ik je op dit nummer terug wilde teksten want dan zag je secretaresse het niet ..;)

Wát spannend. Overkwam mij dit? Vond die charmante, belangrijke meneer míj zo leuk? Wow…!!

Tegelijkertijd schoot er allerlei kramp in mijn bestaan. Want wat moest ik hiermee richting mijn partner die het zo druk en zwaar had in zijn eigen bestaan. Dit zou hij niet trekken. En wat zei het over mij dat ik ontvankelijk was voor de aandacht? Beschaamd hield ik mijn kaken angstvallig op elkaar. Wat moest ik hierover zeggen tegen wie dan ook? Kon ik dat maken, naar jou toe? Wat zou er dan gebeuren, jij zat op een bijzonder chantabele plek. Zo politiek bewust was ik wel.

Gelukkig klonk ergens in mijn achterhoofd het belletje van ‘gevaar’ waardoor ik me op afstand hield en ook het werkcontact digitaal bleef. Je probeerde en nodigde me voor van alles uit, met als klap op de vuurpijl een trip naar het Verre Oosten uit hoofde van je functie. Het gemak waarmee jij je voorstel deed en me liet weten hoe mijn aanwezigheid, ondanks de grootte van de groep die mee zou reizen, geen enkel probleem zou opleveren, deed mij helemaal de schellen van de ogen vallen.

Je zeer bewust van je positie en macht gedroeg jij je als een roofdier en waarschijnlijk vandaag de dag nog steeds. Maar ik vraag me af; waarom gedroeg/gedraag jij je niet gewoon naar je functie? Namelijk verantwoordelijk voor en respectvol naar de mensen die je vertegenwoordigt? Door jou was ik een illusie armer waar het jouw soort betreft. Treurig, banaal en laf was de nasmaak die ik had bij het ambt waarvan je zou willen, als burger zelfs zou mogen eísen, dat het respectabel en rechtschapen is.

Het moment dat jij doorhad dat ik niet hard-to-get speelde maar impossible-to-get wás, werd je onaardig, vilein en veegde mij met een klap van je roofdieren-klauw uit je bestaan. Wat prima was, want de kramp waarin ik zat was daarmee voorbij.

Stiekem hoop ik je nog eens tegen te komen, want tegenwoordig is dit schaapje allesbehalve naïef en lust jou, waardeloze wolf die volgens mij politiek ook geen deuk in een pakje boter slaat, inmiddels rauw.

Je bent gewaarschuwd,

A.

Pluche

Pluche

Jij hoort bij mij
Je bent niet mooi
Maar je hoort bij mij

Jij bent deel van mij
Vaak voel je stroef
Toch ben je deel van mij

Dus ik omhels je
En hou je vast
Want koester ook
Het jou in mij

Je spartelt en slaat
Je vecht en je bijt
Maar ik laat niet los
Want ook jij bent mij

Ja ik omhels je
Want alleen dan
Word jij zachter
En wint liefde het
Van haat in mij

Reddeloos verloren

reddeloos verloren

“Mam, weet je wat ik heb ontdekt?”

Al dingen uit de schappen pakkend met mijn verstand op nul want-Lidl-dus-alles-wat-ik-enigszins-denk-in-de-niet-al-te-verre-toekomst-een-keer-nodig-te-hebben, reageer ik wat afwezig: ‘Nou, wat dan?’

“Als ik zeg: ‘Ooohh, dit is ZÓ lekker!!’ dan zeg jij altijd: ‘Nou ok, pak maar.’, terwijl als ik het vráág, bijvoorbeeld: ‘Mag ik deze nootjes of chips of ijsjes?’, dan mag het bijna nooit! Bij papa is dat precies hetzelfde :))!”

Triomfantelijk kijkt hij me aan terwijl ik me verbaas over zijn slimme opmerkzaamheid. Dit is iets waar ik totaal niet bij stil heb gestaan. Nog nooit.

Ik knuffel hem stevig midden in die winkel, het kan nog net. Wat hou ik toch van dit onbaatzuchtige mannetje dat me per ongeluk zijn geheime winkel-wapen verklapt. En ik realiseer me dat ik hem deze middag, waarop hij zomaar uit school even bij zijn moesje langskwam terwijl het niet ‘mijn dagen’ zijn en gewoon goedgemutst en gezellig (ik hoefde er niet eens om te smeken) met me mee is getogen naar de supermarkt om me te helpen, helemaal níets geweigerd zou hebben.

Maar dat vertel ik hem er mooi niet bij …

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (1)

Kippig

Geachte vervelende oogarts,

Het is 30 jaar geleden dat ik voor u stond als bedremmelde 12-jarige bij wie zojuist door de schoolarts minder zicht was geconstateerd. In de eerste klas van de middelbare zat ik en deed ik mijn best mijn plekje te veroveren. Dodelijk onzeker tussen al die coole, knappe, superslimme types. Mijn tactiek was die van een grote mond maar in mijn hart voelde ik me erg klein. En na mijn bezoek aan u nog een heel stuk kleiner.

Het bericht dat ik naar u toe moest voor een serieuze meting want met zekerheid een bril, was voor mij al een mokerslag die mijn kleine wereldje van school en sport deed beven. En precies zo stond ik samen met mijn moeder te wachten, ik zal het nooit vergeten, net over de drempel van uw spreekkamer totdat u zo goed zou zijn ons in onze aanwezigheid te erkennen.

U was druk bezig iets op schrift te stellen, keek niet op of om en ik durfde bijna geen adem te halen in de hoop dat het zicht-probleem dan vanzelf zou verdwijnen. Eindelijk drukte u een punt op het papier en uw bril steviger op uw neus, hief het hoofd en nog voordat u ons aankeek zei u het, langzaam en nasaal snerpend.

“Zooooo, dus Alexa hier is KÍP-piggg …?!”

Het klonk als een beschuldigend pistoolschot. En toen de ‘ggg’ van KÍP-piggg wegstierf en uw hoofd recht op uw schouders stond zodat u ons aankeek, zag ik kleine, kwaaiig-priemende oogjes achter Heel. Dik. Glas. Het was alsof u míj de schuld van dat dikke glas gaf en voor straf me nu met hetzelfde ging opzadelen.

Ik zakte ter plekke door de grond. Was dat ook echt gebeurd en ik nooit meer boven gekomen was het voor mij prima geweest. Mijn moeders hand beefde van ingehouden woede en nog als we het erover hebben voel ik die emotie. Dus ik heb het me niet verbeeld.

Kippig… wat een belachelijk woord om te gebruiken. Ik vroeg me nadien wel eens af of u gráp-piggg probeerde te zijn maar dat kan bijna niet. Zó niet-grappig was het.

De rest van de meting kan ik mij niet herinneren maar wel dat ik twee dagen later met een brilletje met ook Best Dik Glas naar school moest, alsook naar paardrijden en de verschillende sportvelden waar ik zo door de week verkeerde. Overal schoten mij de tranen in de ogen want zag ik uw oogjes-achter-jampotglazen voor me en hoe verschrikkelijk dat eruit had gezien dus hoe ik er in mijn beleving nu ook uitzag. Met mijn paardrij cap erboven…

Ik hoop dat mijn tot op het bot geschokte blik u aan het denken heeft gezet, die middag. Maar ik denk het eigenlijk niet. U was namelijk al redelijk oud -dat zag ik dan toch wel- en u deed dit waarschijnlijk al 40 jaar en al 40 jaar zo. Zonder invoelend vermogen, in ieder geval niet naar een kind, noch vriendelijke uitstraling.

U snapte de impact van uw professionele positie en autoriteit volgens mij niet. Daarom wil ik u, waar u nu ook bent, met terugwerkende kracht laten weten wat zulk communicatief onvermogen kan doen.

Het kleine beetje gevoel van zekerheid dat ik bezat was na die middag geheel en al zoek en jarenlang heb ik me lelijk gevoeld en had ik een van mijlenver zichtbare, zwakke plek waarop ik makkelijk te pakken was: Want Die Bril. In een tijd waarin een bril allesbehalve cool was. Daarom ontwikkelde ik uit zelfbescherming een nog grotere snavel met nog scherpere en stoerdere praat, wat mij met grote zekerheid links en rechts niet in dank werd afgenomen. Maar kwetsbaar mocht en kon ik natuurlijk niet zijn, dat had ik bij u wel gezien en gevoeld. Dus waar ik gevaar rook, pikte ik erop los. Gelijk een kip naar korrels, bedenk ik nu.

Gelukkig kwamen er na niet al te lang lenzen. Maar het gevoel van lelijk en kwetsbaar dus met schild en grote bek is wel nog lang gebleven. Daarbij had ik inmiddels een reputatie op dat vlak en u weet: om te overleven in de jungle van jonge adolescentie moet je je wel kunnen weren. Misschien is dat wel hoe u uzelf hebt geleerd zich staande te houden: met op niet-grappige-manier-grappig-proberen-te-zijn …

Overigens is het heel goede nieuws dat ik 8 jaar geleden mijn ogen kon laten laseren waardoor ik nu een haviks-blik bezit. Dat is nog eens wat anders dan een kíp. Vindt u ook niet? Een havik kan tenminste vliegen!

Hoogachtend,
De niet-meer-kippige Alexa

Happy Mom’s Day

Mom's day

– the day before –

Keihard gehuil komt uit de badkamer. Ik ren erheen; zou hij nu uiteindelijk toch -na 6 jaar schampschoten- vol tegen die scherpe stenen punt gevallen zijn?

Als ik binnenkom blijkt dat niet het geval. Tranen stromen maar geen bloed, geen ontvellingen en geen ontwrichte ledematen.

‘Wat is er vent?’
Maar hij komt er niet uit, stikt in z’n snikken.

Dan schiet Middelste hem te hulp en wijst met ernstig gezicht naar de verzameling douche tubes:
“Hij heeft iets voor jou gekocht maar zag nu dat je het al hebt…”

Ahhhh arme baas. De hele dag verheugt hij zich al op morgen omdat ie dan z’n zelf-uitgezochte cadeautje kan geven.

‘Lieverd, we kunnen t nu direct gaan ruilen als je nog weet in welke winkel?’

No can do. Gehuil gaat over in geloei maar ruilen wil-ie niet. Dit is wat hij uitzocht, dit is wat hij wil geven.

Dan pak ik de tube waar zijn cadeautje zo op lijkt: ‘Ach kijk, die is al stokoud, dit merk bestaat niet meer denk ik hoor. In ieder geval is déze over datum. Die kan weg. Zo, ín de prullenbak. En nou heb ik helemaal geen douchezeepje meer …”

Hij kijkt me wantrouwend aan: ‘Was die niet goed meer?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Dus dan heb je het echt nódig? Zie je wel! Ik wíst het. Dáárom wilde ik het niet ruilen!! Mórgen weet je het, liefste mama!’
💕