“Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (3)

Koffiekamer

Dag Machinist-die-zijn-hand-overspeelde,

Volgens mij was jouw thuisbasis Hoorn maar ik weet het niet meer zeker. In ieder geval was je die dag tijdens een pauze in je ritplanning op Amsterdam CS, waar ik werkte.

Ik was 28 en gaf sinds anderhalf jaar leiding aan 80 hoofdconducteurs van Vadertje Spoor. En hoewel ik over mijn belevenissen in die twee jaar bij de NS een zalig boek zou kunnen schrijven, gaat dit over iets heel anders. Namelijk over intimidatie. Van seksuele aard.

Vaak is bij seksuele intimidatie op de werkvloer sprake van een leidinggevende die probeert iets van een werknemer gedaan te krijgen. In mijn geval was het andersom: ik werd te grazen genomen door een ‘ondergeschikte’.

Nou ja, te grazen genomen… dat had jij graag gewild. Althans, daarover was je luid en grof aan het opscheppen in de zogenaamde “koffiekamer” op de gang van mijn thuisbasis Amsterdam Centraal Station.

Deze koffiekamer was een notoire ruimte. Ons werd als leidinggevenden (de zgn. “PM’s” want veel wordt naar goed gebruik bij de NS afgekort) van de bewoners van de koffiekamer, aangeraden er vooral af en toe onze neus te laten zien, opdat we in dit bolwerk van roddel, achterklap, geklaag en gekanker ‘proactief aan het proces konden werken’. Het proces van de verandering bij NS. Een lastige taak, vooral voor de types als ik, die met een heel andere achtergrond ook een heel andere taal spraken dan de meesten van jullie.

Het was echt júllie ruimte en als ik binnenliep was ik duidelijk op bezoek. Het was er rokerig, bedompt en meestal geen fijne sfeer. Ik kwam er niet graag maar ik deed het wel en heb zo shag leren draaien en roken. En velen leren kennen als geweldige mensen, typische ruwe bolsters met blanke pitten. Tough cookies met een groot hart voor de zaak.

Die dag liep ik net langs en was helemaal niet van plan om binnen te lopen, toen ik mijn naam hoorde vallen. Met een hoop zeer schunnige teksten erachteraan waardoor ik besloot, met angstig kloppend hart, toch maar even binnen te lopen. Je kunt je voorstellen hoe hoog die drempel op dat moment was.

Zo stond ik in de deuropening terwijl jij schuimbekkend tekeer ging over mij en wat je allemaal wel niet met me wilde doen. Ik herhaal het niet maar laten we zeggen dat het vrouwelijk geslachtsdeel een hoofdrol speelde in jouw vrolijke sprookje, in woord en gebaar.

Jij zag me niet. Je collega’s wel. Je ging zo op in je fantasieën dat je het allemaal niet doorhad: de stilte die viel, het gebrek aan respons dat je kreeg.

Totdat je een por kreeg in je zij.

In mijn verbeelding van nu grijnsde ik als een panter die likkebaardend klaar staat om de prooi te grijpen. Maar niets was minder waar. Ik voelde me zo slecht en ranzig. Ik vond het zo enorm gênant wat jij allemaal over mij zei, wat je deed en dat ál die mensen dat hoorden. En ik wist even niet hoe ik daarna nog geloofwaardig kon zijn als “baas” van allemaal collega’s van jou.

Dat heb ik nooit laten merken. Ik weet nog dat ik ijskoud zei: “Goed. Jij hebt nu dus een enorm probleem”, en wegliep. Uiteindelijk heb ik in overleg met mijn leidinggevende aangifte gedaan. Het was een first-timer voor de NS. Een claim to fame die ik liever niet had gehad.

Ik weet niet meer wat deze aangifte precies voor jou betekende. Eerlijk gezegd herinner ik me je naam en je gezicht niet. Ook heb ik er gelukkig geen nacht wakker van gelegen.
Jij wel, dat weet ik zeker.

Een groet uit je verleden,

PM tps AK

Hans

Hans

Taal is geweldig. Neem nu het heerlijke woord ‘labbekakken’…

LAH-BUH-KAH-KUN.

Het soort woord waarvan je, ook al had je het nooit eerder gehoord en heb je geen idee wat de letterlijke betekenis ervan is, toch direct snapt wat iemand die het zegt, ongeveer bedoelt aan het adres van degene tegen wie hij het zegt. Ik denk zelfs voor iemand die onze taal überhaupt niet spreekt.

Een woord dat door de uitspraak ervan al betekenis krijgt. Door de klank, de plek waar het vandaan komt als je het uitspreekt met extra nadruk op de klemtoon, namelijk achter uit je keel en daarom met een verzuchting erdoor verweven. Als je het vaak achter elkaar zegt, merk je dat je steeds een beetje meer leegloopt door het vele (ver)zuchten.

Ja, labbekakken.

Dit woord wordt beeld zodra je het zegt. Ik zie het als volgt voor me; (natuurlijk) een drol. En ook verschijnt een kakkerlak. Een kakkerlak in de vorm van een drol. En dan verandert het beeld vanzelf in een mestkever, die een drol vooruitduwt. Waarom doen ze dat eigenlijk? Maken ze er hun huisjes van? Ik weet het niet maar in ieder geval is hun leven gevuld met allerhande shit. En daarmee is voor mij het cirkeltje woord-labbekak en beeld-labbekak rond.

(Wist je trouwens dat een mestkever een drol kan duwen die wel 400x zwaarder is dan hijzelf?! Heb ik geleerd van Freek-niet-meer-alleen-van-in-het-wild-of-van-Eva-maar-nu-vooral-van-de-AH-plaatjes. Bij Freek komt ook een beeldend woord in me op. Niet van een labbekak hoor, hij voldoet allesbehalve aan mijn beeld van de labbekak. Bij hem komt het woord “boomklever” in me op. Geen idee waarom. Waarschijnlijk omdat hij ineens omnipresent is in mijn huis en daarmee leven.)

Een hele groep mensen labbekakken noemen, lijkt mij om een heleboel redenen niet in orde. Degenen die jij werkelijk kent en waarvan je weet dat ze hun hand ophouden terwijl ze kansen en mogelijkheden hebben om te werken, daarover kun je en mag je een mening hebben. Maar om die mening met een soort zwaai van je arm en uit hoofde van je functie als voorzitter van het VNO-NCW ongenuanceerd over een hele groep uit te spreken is niet een béétje dom. Dat is héél erg dom. Zelfs als de rest van het betoog in alle mogelijke grijstinten zou zijn gedaan -wat niet zo is-, is het effect van zo’n uitspraak vernietigend.

Hans had beter moeten weten.

Maar Hans-“ja doehoe” is Hans en zegt het gewoon. Hij zegt het allemaal. De twee journalisten die dit stuk voor de Volkskrant schreven, hadden een field day en ontvangen ergens in de toekomst vast een prijs voor “meest spraakmakende interview van het jaar” of zoiets. Bij hen zie ik voor me hoe zij al interviewende veranderden in steeds harder kwijlende bloedhonden. Want zij roken bloed. Reken maar.

En Hans? Hans ziet er in mijn beeldend brein (ook door de Volkskrantfoto’s) uit als Haaitje Hans, zo eentje uit een Disney film. Meestal worden die aan het einde van de film uit “hun” zee weggejaagd…

Fly baby, fly!!

Fly baby, fly!

Lief kereltje,

Tien jaar ben jij en je stelt jezelf veel en bijzondere vragen. Ik ben blij dat je dat vaak hardop doet, aan mij bijvoorbeeld, en dat we dan samen kunnen filosoferen over redenen, ons samen druk kunnen maken over de (on)mogelijke antwoorden of het feit dat we al die antwoorden onvoldoende hout vinden snijden. We het soms gewoon niet snappen en elkaar daarin vinden. En gelukkig neem jij het mij niet kwalijk dat ik, je moeder nota bene, het antwoord (best vaak) niet weet. Ik heb het idee dat je het juist fijn vindt eenzelfde soort onbegrip bij mij te treffen als dat jij voelt.

Zo heb jij dit jaar de Entree-toets gemaakt. Je had een super goede score, een die jou er in ieder geval van vergewist dat je na volgend jaar alle kanten op kunt, wat je ook maar wilt. En dat vind ik heel fijn voor je, aangezien het onderwijssysteem in Nederland voor het belangrijkste deel gebaseerd is op dat soort toetsen en de resultaten die jullie halen.

Een systeem waar ik als ouder en als mens moeite mee heb. Omdat ik vind dat het voorbijgaat aan een aantal heel belangrijke waarden waar juist ook het onderwijs voor zou moeten staan. Die gaan niet over sommetjes en cijfertjes, woordjes en korte termijn kennis. Maar over het kind en zijn of haar unieke vermogens, het leren vertrouwen op eigen oordeel en vaardigheden als kritisch nadenken, discussiëren en het durven buiten de lijnen te lopen omdat jij dat wilt.

Kortom; waarden die gaan over het ontwikkelen van de sterkste vleugels waarmee jij, het kind, je leven in kunt vliegen vertrouwend op jezelf en jouw slagkracht. Zodat je zo hoog durft te gaan als je kunt.

En toen zei je vorige week ineens iets dat ik in het licht hiervan zó mooi vond; diep doordacht en zo oprecht. Je zei: “Mama, over die taaltoetsen, weet je wat ik daar écht niet van snap? Dat je vragen krijgt als: ‘welk woordje uit deze rij is niet goed geschreven?’. Ik vind dat zulke stomme vragen, want hoe belangrijk is dat nou? Ik bedoel, ik weet heus wel dat het fijn is als je goed kunt schrijven en niet té veel fouten maakt. Maar daar gaat het toch niet alleen maar over in het leven! Waarom vragen ze geen dingen waar je écht over moet nadenken?“

Je trof me met deze vraag en de emotie die ik bij je voelde. Ik vroeg je of je een voorbeeld kon geven. Dat kon je: “Bijvoorbeeld zo’n vraag die als verhaaltje wordt verteld; een situatie met mogelijkheden en dat dan wordt gevraagd:’ wat zou jij doen en waarom?’ Want daaraan kunnen ze tenminste zien hóe je denkt en wat je daarmee zou kunnen!?”

Ik gaf je gelijk. Natuurlijk gaf ik je gelijk! En we bespraken dat het nu dan helaas nog niet zo ver is maar dat allerlei bewegingen gaande zijn die er hopelijk voor zorgen dat het onderwijs van de toekomst beter en passender zal zijn voor alle kinderen. Daar werd jij enthousiast van. Gelukkig, want je eigen motivatie is jouw belangrijkste brandstof.

De manier waarop jij de realiteit aanvliegt, bevraagt en je gelijk (onder)zoekt maakt mij heel trots.

Lieve schat, wat een vertrouwen heb ik erin dat het met die vleugels en dat vliegen van jou helemaal goed komt! Ik hoop dat je altijd heel veel vragen blijft stellen, ook aan mij. Want met jouw vragen verrijk je niet alleen je eigen leven maar ook zeker dat van mij en van iedereen aan wie je ze stelt.

Alle liefs van je mama.

Busje

Busje

Hij was weg.

Ik zag het meteen toen ik terugkwam want zijn fietsje stond niet meer in de schuur.

De oudste twee wisten het ook niet: vragende ogen, schuddende hoofden, optrekkende schouders. Nee, zij hadden geen idee. En nee, ze wisten ook niet waaróm hij wellicht weg was.

(De dag ervoor:

“Jongens, ik las in een stukje op internet dat ergens mannen actief zijn die niet veel goeds in de zin hebben met kinderen. Ze gaan als volgt te werk: ze rijden rond in een blauw busje en als ze de kans krijgen vragen ze een kind alleen om even bij hen te komen omdat ze een belangrijke vraag hebben of zoiets. En kennelijk trekken ze het kind dan mee in de bus en rijden weg. Ik wil even checken of jullie nog weten wat we hebben afgesproken over vreemde mensen.”
‘Jaaaa-haaa, wij gaan écht niet naar iemand toe die iets in zijn búsje wil laten zien hoor, mama!! Tssssss…!’
‘Wat voor busje is het mam, alleen maar blauw?’ ‘Hoezo bláuw??!!. En welke mannen? Hoeveel?’
“Weet ik allemaal niet. Er zijn er vast wel meer rare mensen met nare bedoelingen, ik las dit toevallig. Maar het gaat mij even om het principe.”
‘We beloven dat we dat niet doen, ok? Ik ga zéker nooit zomaar mee met iemand of in die bus.’
“Fijn om dat te weten. En ook niet als het iemand is die zegt dat hij zulke schattige jonge diertjes heeft en of jij die wil aaien ofzo.”
‘Neeeeee-heeee. Zucht. Tuuurlijk niet!!’”)

Ja jemig, lastige onderwerpen want hoe het te brengen zonder ze bang te maken? Ik kies maar voor de ‘rechttoe-rechtaan-zoals-het-is-en-better-safe-than-sorry-methode.

Kleine vent was dus nu op pad. Alleen. En niemand wist waarheen. Terwijl wij twee heel belangrijke afspraken hebben: als je weggaat zeg je het en ook waar naartoe. Als ik er even niet ben, gaat niemand in de tussentijd ergens anders naartoe. Bij elkaar blijven en op elkaar letten.

Tien minuten later in onze zoektocht troffen wij hem aan de waterkant. Op zijn fietsje. Boos. Bij navraag bleek hij boos op zijn grote broer die zomaar niet meer met hem wilde ping-pongen. Beledigd dus. En een beetje bang omdat hij hem driftig een paar karateslagen had toegediend en vreesde voor de repercussies. Want dat had hij mij horen zeggen tegen de middelste die altijd de klappen opvangt en nooit iets terugdoet: “Als hij te erg tegen jou doet en hij luistert niet als je zegt dat hij moet stoppen, mag je best een keer terugslaan. Zodat hij weet hoeveel pijn hij jou doet.”
Hij had kennelijk niet het antwoord daarop van middelste gehoord: “Nee, dat doe ik niet, mam. Ik vind dat echt zielig.”

Toen de kinderen later in de keuken een limo dronken om bij te komen en jongste nog eens uitleg gaf aan de andere twee waarom hij had besloten “weg te lopen”, haalde hij ineens een bíjna-net-echt-plastic-pistooltje uit zijn broekzak. Op zich niet heel ongebruikelijk maar was de plechtigheid waarmee hij het op tafel legde reden voor ons aller onverdeelde aandacht.

En wat bleek? Hij had heel serieuze voorbereidingen getroffen voor zijn reis: “Kijk. Deze had ik meegenomen, voor als stomme mannen of enge vrouwen tegen mij gingen praten…!!” Toen sprong hij op, greep zijn pistooltje en “schoot” al die ellendelingen neer.

Point taken, I guess 🙂

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (2)

Schaap

Beste Bor de Bons,

Van functiewege zou ik je eigenlijk met ‘U’ aan moeten spreken. Maar in jouw geval pieker ik daar niet over. Daarvoor heb ik teveel sms-jes van bedenkelijke aard van je gekregen.

Geen zorg, het is zeker mijn bedoeling niet om jou met deze mail aan de publieke schandpaal te nagelen. Ik geef op geen enkele manier een hint over wie dit gaat, dat beloof ik je. Een heel beperkt aantal mensen zal misschien een vermoeden hebben, áls ze deze mail al lezen, want ik heb het er uiteindelijk maar met twee of drie mensen ooit over gehad.

Getrouwd met kinderen en grote politieke ambities, bekleedde je een belangrijke publieke positie. En zoals wel vaker bij mensen in dat soort schoenen: een narcistische persoonlijkheid voor wie het gevoel van macht en de grenzeloze ambitie gekanaliseerd moesten worden met spanning en seks. Kwam ik achter.

Ik kwam bij je aangewaaid om je te interviewen. Jonger dan jij en stralend want zwanger. Dat wist jij niet. En ik tóen ook nog niet want het was heel pril. Later vertelde men mij dat jij binnen “het wereldje” bekend stond als: ‘heeft-in-elk-stadje-een-ander-schatje. Op dat moment echter was mij dit volledig onbekend. Ik was geen insider in desbetreffend wereldje en de ‘verheven’ moraal die erbij hoort kwam niet eens in mij op.

Hormonaal bevattelijk trapte ik met beide voetjes in jouw dodelijk charmante manier van doen. Hoewel ik er tijdens het interviewgesprek geen seconde erg in had, naïef braaf-stralend schaap dat ik was, bleek ik geen partij voor jou. Dus toen ik later die avond je sms bericht ontving leek het erop dat ik rijp was voor de slachtbank.

Of ik nog in town was voor een drankje, want je had me nog láng niet alles verteld. En of ik je op dit nummer terug wilde teksten want dan zag je secretaresse het niet ..;)

Wát spannend. Overkwam mij dit? Vond die charmante, belangrijke meneer míj zo leuk? Wow…!!

Tegelijkertijd schoot er allerlei kramp in mijn bestaan. Want wat moest ik hiermee richting mijn partner die het zo druk en zwaar had in zijn eigen bestaan. Dit zou hij niet trekken. En wat zei het over mij dat ik ontvankelijk was voor de aandacht? Beschaamd hield ik mijn kaken angstvallig op elkaar. Wat moest ik hierover zeggen tegen wie dan ook? Kon ik dat maken, naar jou toe? Wat zou er dan gebeuren, jij zat op een bijzonder chantabele plek. Zo politiek bewust was ik wel.

Gelukkig klonk ergens in mijn achterhoofd het belletje van ‘gevaar’ waardoor ik me op afstand hield en ook het werkcontact digitaal bleef. Je probeerde en nodigde me voor van alles uit, met als klap op de vuurpijl een trip naar het Verre Oosten uit hoofde van je functie. Het gemak waarmee jij je voorstel deed en me liet weten hoe mijn aanwezigheid, ondanks de grootte van de groep die mee zou reizen, geen enkel probleem zou opleveren, deed mij helemaal de schellen van de ogen vallen.

Je zeer bewust van je positie en macht gedroeg jij je als een roofdier en waarschijnlijk vandaag de dag nog steeds. Maar ik vraag me af; waarom gedroeg/gedraag jij je niet gewoon naar je functie? Namelijk verantwoordelijk voor en respectvol naar de mensen die je vertegenwoordigt? Door jou was ik een illusie armer waar het jouw soort betreft. Treurig, banaal en laf was de nasmaak die ik had bij het ambt waarvan je zou willen, als burger zelfs zou mogen eísen, dat het respectabel en rechtschapen is.

Het moment dat jij doorhad dat ik niet hard-to-get speelde maar impossible-to-get wás, werd je onaardig, vilein en veegde mij met een klap van je roofdieren-klauw uit je bestaan. Wat prima was, want de kramp waarin ik zat was daarmee voorbij.

Stiekem hoop ik je nog eens tegen te komen, want tegenwoordig is dit schaapje allesbehalve naïef en lust jou, waardeloze wolf die volgens mij politiek ook geen deuk in een pakje boter slaat, inmiddels rauw.

Je bent gewaarschuwd,

A.

Pluche

Pluche

Jij hoort bij mij
Je bent niet mooi
Maar je hoort bij mij

Jij bent deel van mij
Vaak voel je stroef
Toch ben je deel van mij

Dus ik omhels je
En hou je vast
Want koester ook
Het jou in mij

Je spartelt en slaat
Je vecht en je bijt
Maar ik laat niet los
Want ook jij bent mij

Ja ik omhels je
Want alleen dan
Word jij zachter
En wint liefde het
Van haat in mij

Reddeloos verloren

reddeloos verloren

“Mam, weet je wat ik heb ontdekt?”

Al dingen uit de schappen pakkend met mijn verstand op nul want-Lidl-dus-alles-wat-ik-enigszins-denk-in-de-niet-al-te-verre-toekomst-een-keer-nodig-te-hebben, reageer ik wat afwezig: ‘Nou, wat dan?’

“Als ik zeg: ‘Ooohh, dit is ZÓ lekker!!’ dan zeg jij altijd: ‘Nou ok, pak maar.’, terwijl als ik het vráág, bijvoorbeeld: ‘Mag ik deze nootjes of chips of ijsjes?’, dan mag het bijna nooit! Bij papa is dat precies hetzelfde :))!”

Triomfantelijk kijkt hij me aan terwijl ik me verbaas over zijn slimme opmerkzaamheid. Dit is iets waar ik totaal niet bij stil heb gestaan. Nog nooit.

Ik knuffel hem stevig midden in die winkel, het kan nog net. Wat hou ik toch van dit onbaatzuchtige mannetje dat me per ongeluk zijn geheime winkel-wapen verklapt. En ik realiseer me dat ik hem deze middag, waarop hij zomaar uit school even bij zijn moesje langskwam terwijl het niet ‘mijn dagen’ zijn en gewoon goedgemutst en gezellig (ik hoefde er niet eens om te smeken) met me mee is getogen naar de supermarkt om me te helpen, helemaal níets geweigerd zou hebben.

Maar dat vertel ik hem er mooi niet bij …