Het verhaal van de voetstappen

verhaal-voetstappen-dichtbij-zout

Als draden lopen ze langs de kustlijn, de voetstappen in het zand. Verhalen vertellend over degenen die ze daar achterlieten, voet voor voet hun stappen zettend op weg naar …. tsja, naar waar het ook is dat ze heengaan.

Want dat vertellen ze nu net niet, die voetstappen. De weg die ze lopen en hoe, kun je zien. Maar waar ze op een dag zullen stoppen blijft het grote geheim. Gelukkig maar.

Voor mij zijn ze mijn redding vandaag. Mijn visuele houvast aan de werkelijke, de meest basale realiteit. Die van de zee. Het strand. De zoute wind die mijn zonnebril beslaat en de woeste luchten waarin wolken en zon elkaar afwisselen. Die van mijn eigen adem en mijn eigen stap na stap.

Ik was het bijna kwijt, mijn adem. Kopje onder in die wereld die sinds kort onderdeel uitmaakt van mijn leven en mij verandert, omdat het anders is. Die wereld van helemaal online. In contact en gesprek met mensen die ik niet ken. Een wereld waarin ik niet weet wat nou precies echt is en van wie.

Het begon speels. Onder-zoekend. Leuke input voor blogs en ondertussen contact en aandacht. Allerlei media, van Facebook tot E-dating en van Twitter tot Instagram. Maar nu, nu het bloggen echt een onderdeel van mijn identiteit is, word ik geregeerd door diezelfde media. Want ook het bloggen gaat, in the end, om de cijfers. Het gaat om sharing, RT’s, comments en likes. Het gaat om gezien en gelezen worden. En jij bent één van de velen in een heel grote, volle zee.

Het maakt een kant in mij los die niet mijn beste is. De kant van de competitor, degene die de beste wil zijn, van zichzelf móet zijn. Die het absoluut geweldig vindt voor een ander als diegene succes heeft en tegelijkertijd het knagende geluid hoort in haar achterhoofd: ‘Waarom zij wel en jij niet?” Mijn grootste vijand die ik nog moet leren liefhebben. Ik durf er mijn adem niet op in te houden. Dat gebeurt vanzelf wel als, versterkt door de zuigende werking van de sociale media, het ademen mij vergaat.

Tot vandaag. Totdat ik de voetstappen zag van hen die mij voorgingen, de paden die zij trokken langs het strand.

Schoenen, schoentjes, gympen en laarzen afgewisseld door blote voeten en ontroerend kleine kindervoetjes. Teentjes die ooit hoorden bij een voet, alweer meegenomen door het water. De opvallend keurige voeten van een stoere kiter, die zijn hielen diep in het zand moest zetten om de ongeduldige kite te bedwingen, op weg naar die jubelende zegetocht over de golven en door de lucht.

Zoveel vertellen die stappen je, als jij dat wilt. Ze vertellen je of zij samen waren of alleen. Voorovergebogen zoekend of op de tenen hup, vooruit. Over een kwieke, lichtvoetige tred of een meer slepende gang. Over de drang om veilig te zijn en daarom ver van het water te lopen of juist rakelings erlangs, om net op tijd weg te springen of soms net te laat dus verder met een nat pootje.

En terwijl ik mijn eigen voeten neerzet, vind ik mijn adem terug en ook mijn gezonde gedachten. Mijn optimistische blik en liefdevolle oog. Achter mij aan verschijnt voor de toeschouwer die het zien wil, míjn verhaal van vandaag; van zwaarder naar licht.

Want het bloggen begon als liefde. Liefde voor mijn kinderen, liefde voor mezelf en voor het schrijven. Door vanuit een waarachtig gevoel iets te creëren en zo aan hen die mij lief zijn iets achter te laten. Door ze mee te nemen langs de gangen van mijn hoofd en mijn hart. En ook door met liefde iets over te dragen aan hen die mij willen lezen.

Ja, precies zó wil ik dat het bloggen voor mij blijft.

Imperfection is my way

perfecte imperfectie

To be perfect, or not to be perfect. That is the question.

Well, my answer to this question is that I’d rather, much rather, not be perfect. Otherwise my life would be over by now and I’m not ready to go yet. God no, I’ve just started.

I used to think though, it was very important to be just that: perfect. And every second I proved myself not to be, was a burden on me. So, you can imagine how heavy it felt, that load on my shoulders. I was literally dragging myself through life. More or less with a smile on my face, because the irony of it all was: I didn’t have a clue!

Coming from a well-off background of hardworking, smart, goodlooking, creative, sportive and overall succesful people, I made sure I’d fit in. Thís didn’t cost me a whole lot of effort. Because I’m smart. Goodlooking-enough. Creative-enough. Sportive-enough. Succesful-enough.

But there it is, you see, the quintessence of my story: goodlooking-, creative-, sportive-enough wasn’t góód-enough for me. Because the environment I grew up in, was competitive and one of comparison, as is society as such, and somewhere along the line I began to believe that being good-enough meant being Number One. But in all of those fine characteristics of my surroundings, I never was number one.

Since I always saw the good-better-best in people around me, but had my eyes wide shut towards myself, I never came in first. Never best, never perfect. Basically a failure. Thus extra load on the shoulders, that started dropping along with my motivation.

A very saddening and tiring mechanism. So at one point my smile became a grin, a little while later that grin started to look gloomy. And then, out of the blue, someone I accidently met, stopped me in my track and said: “Whát is wrong with you? Whát, for f***s sake, are you drágging yourself around for through life?!”

This sounds horrible, rather insulting actually, doesn’t it? To just come out and say something like that, unasked for? But guess what. It was like a bolt of lightning that hit home.

I think this “insult” was one of the most profound presents I’ve ever received. It set in motion a life-changing process, in which I started to open my eyes to myself. And by doing that, to all those others around me. In a totally different way then before: unconditionally and non-judging instead of by comparison and competition.

This path I’m walking is slippery, full of ditches and false notes and sometimes dark and lonely. And it scares me. Until I remember that the path is the who/what/why I am. And that’s the moment that happiness fills me and I feel lucky that I have thís path to walk. Because it taught and teaches me the most valuable lessons in my life:

  • To love myself means to be completely honest to myself and unconditionally accept my own answers. Even the ones I will not like.
  • Kindness comes in all sorts of packages. Not only with a smile or a ribbon around it.
  • To understand someone means to really see that person. By looking beyond what meets the eye.
  • To listen not only with the ears but with all my senses.
  • Good-enough is exactly what it says it is: Good. Enough. No need for better or best.
  • And I want to be as near to myself as possible because that is where I belong.

The only way to really get there is to keep on walking. One step after another I put my feet down along my wonderfully imperfect path, that will bring me home. And gives me my drive and motivation to help others to do exactly the same; their way.

Dit stuk plaatste ik afgelopen week op Linkedin ter aanvulling op mijn professionele profiel, omdat ik ervan overtuigd ben dat het zo werkt: mensen meenemen in wie/wat/waarom je bent. Doodeng, want mijn weg in essentie. En daarom ook voor Van Dichtbij.

Mindset

words

Bij een dergelijke vondst (zie foto) gaan eerst mijn wenkbrauwen omhoog, dan grinnik ik voor me uit en tenslotte vraag ik mij drie dingen af:

1) wie van de drie is de eloquente kunstenaar?

2) is dit normaal of heb ik een pervers kind (of wellicht twee of drie, afhankelijk van het antwoord op 1)?

3) en tot slot; is dit een lucky shot of is de weg naar heel vreemde sites gevonden toen ik even niet keek?

Wij communiceren vrijelijk met elkaar dus ik kijk niet snel raar op maar bij echt grove uitlatingen spreek ik de dader toch wel even vermanend toe. Ik heb inmiddels door dat Middelste van 10 van alles weet -wat hij nog niet had hoeven weten- dankzij een oudere zus, vroegrijpe vriendjes en films waar ook ik met hen naar kijk. De jongste draaft in deze slipstream mee en kraait er het een na het ander uit zonder ook maar enig besef van wat het betekent. Alleen soms verrast hij mij doordat hij het donders goed blijkt te weten ineens.

Het is in dat opzicht niet te vermijden en ook helemaal niet erg vind ik; laat ze in seksueel opzicht maar wijs zijn, zolang ze er ook enigszins wijs mee omgaan. Ze vernemen tenslotte ook dat kinderen zomaar verdwijnen en niet meer teruggevonden worden of wel maar dan dood, mensen elkaar afslachten in de naam van een of andere god en dat de wereld een blije plek is maar ook een donkere kant heeft waar bedrog, misdaad en intolerantie hoogtij vieren. Waar men voor beloond wordt ook nog, afhankelijk van de omstandigheden.

Liever leer ik ze door die onbegrijpelijk mix van paradoxale mindsets heen, hun eigen ideeën te vormen. Over wat okay is en wat niet. Wat door de beugel kan volgens henzelf en wat niet.

Om even terug te komen op de drie vragen die ik me stel. Op 1) weet ik het antwoord niet en zal ik ook nog even niet weten. De jolige bende is voor drie weken buiten mijn gezichtsveld. Maar ik ben geneigd mezelf ermee gerust te stellen dat 2) dit soort onderbroekenlol natuurlijk normaal is voor kleine kinderen en 3) het gewoon een lucky shot is en we daarmee uitkomen op 1) Jongste.

Deze conclusie is geruststellend en logisch. Het mannetje heeft voor de stokoude iPod die hij vond, en die nog bleek te werken, ook een wachtwoord ingesteld dat een directe verwijzing is naar zijn -hopelijk tijdelijke- fascinatie met het lijf, wat er uitkomt en wat er zoal aanhangt. Daar stonden we in de winkel waar ze het apparaat zouden nakijken en dus het wachtwoord nodig hadden. Met rode wangetjes van het zich betrapt voelen fluisterde hij het voor zich uit:

‘p..pz.k’.

Auw, je kníjpt!!

freedom

Het is vakantie.

Ze heeft de eerste van de middelbare met beheerste nonchalance doorstaan en overleefd en wat heb ik haar zien groeien, die knappe dochter van me. Zowel mentaal als fysiek. Er is ogenschijnlijk niets kleins meer aan haar. Zeker niet in vergelijking met de basisschool-knulletjes die haar broertjes zijn.

Ja, zij wordt groot en dat gaat vanzelf. Maar hoe-zo gaat dat eigenlijk vanzelf? Want ík bots al het hele jaar met haar en mezelf, in mijn drang haar richting te geven, te helpen. Maar hoe meer ik dat doe, hoe minder ze me nodig lijkt te (willen) hebben. Dus ga ik nog meer ‘coachen’. En gaat het coachen over in dwingen.

Terwijl ik dwing, duwt zij mij weg. Wanhopig pak ik haar arm vast. Geen wonder dat de blik die mij ten deel valt gevuld is met koele geringschatting. Maar precies díe blik doet mij stomen want triggert, zonder dat zij het weet, iets dat oud is, diepgeworteld zit en heel primair is. En dit alles maakt dat mijn hand begint te knijpen.

Ergens achter in mijn hoofd vraagt een stem wat ik aan het doen ben: “Zeg, hallo! Wat dóe je?!! Ben jij soms zo’n moeder die steeds maar nódig gevonden wil worden door haar kinderen? En word je nu boos op haar omdat zij jou duidelijk maakt dat ze daar niet op zit te wachten?”

Ja, wat bezielt mij?!

Ik voel alle verbinding tussen ons wegvallen: zij vertrekt in zichzelf, ik vertrek in mezelf. Tussen haar en mij alleen nog dat armpje met hand eromheen. Als symbool van waardeloze onmacht.

De blik van mijn dochter is inmiddels veranderd in een hele woeste. Maar nu begrijp ik het. Godzijdank begrijp ik het. Vastgehouden worden terwijl je het zelf moet doen en wíl doen. Vastzitten terwijl je op zoek bent naar jouw vrijheid. Natúúrlijk word je daar woest van, ik ken het zelf als geen ander.

Mijn met vulkanisch hete lucht gevulde, primaire ballon loopt in een grote diepe zucht leeg. Ga maar, lieve schat. Spring, dans, ren, struikel, val en sta weer op. En kom maar lekker bij je mama praten, lachen, huilen, eten en een hele liefdevolle knuffel halen als jij die nodig hebt.

Je weet waar ik ben.

Patatje oorlog

troosteloos

Op het overvolle strandje zitten we naast een grote groep kinderen van een jaar of 12, misschien 13. De enige plek waar vanachter een muurtje nog een reepje schaduw tekent.

Een schriel meisje met strak gezicht ligt schuin voor ons met haar magere, witte lijf in de volle zon en grabbelt in haar tas. Ze trekt er een leeg pakje shag uit en gooit het ongeïnteresseerd in het zand voor haar. Een door de puberteit ongelukkig getroffen jongen schreeuwt van een meter afstand: “Zöhw-hee, blöhw jai?!!” Het schriele kind balkt terug met een stem die je niet bij een dergelijk postuur verwacht: ‘Jááh, nou-énnn?!!! Ík blöhw en jai neukt je moeder!!!!’

Zelf echt geen heilige rijzen de haren me hierbij te berge. Ik kijk uit mijn ooghoeken naar mijn middelste, de grote observator die altijd alles ziet en hoort. Hij kijkt stoïcijns voor zich uit.

Aan de andere kant vreet een hele rij jongens zich op misselijkmakende wijze een weg door talloze zakken chips en bakken patat het onderwijl doorspoelend met blikjes fris. Al kauwend, smakkend en klokkend schreeuwen en schelden ze elkaar permanent toe en wordt een dikker jochie, kennelijk de groeps-pispaal, onder het oorlogsdeel van een patatje gesmeerd. Hij smeert het op zijn beurt weer af aan het muurtje waar later iemand in gaat zitten. Ze kijken er allemaal wezenloos onaangedaan bij en ik heb het idee dat ik van een andere planeet kom. Ben ik dan zó naïef?

“Zullen wij even ergens anders gaan zitten? Ik vind het hier erg rumoerig.”

‘Is goed, mam.’

We pakken ons boeltje en verkassen. Ik probeer het unheimische gevoel van me af te schudden maar het lukt me niet goed. Als we weggaan van het strandje zien we de nog-net-niet-rokende-puinhopen die deze kinderen nu letterlijk en straks misschien ook figuurlijk achterlaten. Hopen troosteloos afval.

Aan tafel ’s avonds herhaalt Middelste in woord en gebaar smeuïg alles wat is voorbijgekomen daar bij dat muurtje in de schaduw.

Als hij klaar is ziet Oudste mijn gezicht: “Maak je maar geen zorgen hoor, mam. Wíj gaan denk ik niet zo doen.”

Why kids gewoon (should) rule

Kids Rule!

“Hee grote vriend, kan dit wel vind je, deze best korte broek, of heb ik daar te dikkige benen voor?”

Joh. vraag je dat nou echt aan je kínd?

Ja-ja, ik weet het. Idiote vraag aan je zoontje van 6-bijna-7. Maar goed, ik vraag het me nu eenmaal af want mijn short waar ik me zojuist heb ingewurmd zit ineens Heel. Erg. Strak. terwijl dat nooit zo is geweest. Het zit me niet lekker, letterlijk en figuurlijk niet en ik heb het eruit geflapt voordat ik er erg in heb. Daarbij is hij kind dus eerlijk, hij heeft tenminste geen enkele motivatie om het niet te zijn (hij weet trouwens ook dat hij gróte straf krijgt als hij jokt). Dus.

Hij neemt me serieus en bekijkt me eventjes van top tot teen.

“Mama. Ik vind het mooi.”

‘Oh dank je, lieverd. ‘

We lopen verder. Hij begint te draven en rent dan voor me uit. Ineens stopt-ie.

“Maar weet je, mam. Ik lét daar ook niet op. Je kunt het er beter helemaal niet over hebben. Jij komt eraan. En dat is gewoon goed en mooi. Maar als jij dan zelf over je benen begint dán gaat iemand ernaar kijken. Je moet het gewoon láten. Het is gewoon góed.”

Zijn woorden omarmen me.

‘Wat een top-opmerking, vent! Ik vind het ongelooflijk zoals jij het snapt en mij dat uitlegt…’

Met een grijns en nonchalant gebaar haalt hij een schouder op, draait zich om op zijn hielen en begint weer te draven.

“Okay mam. Maarre, ik gaf je maar gewoon een tip hoor.”

….

“Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (3)

Koffiekamer

Dag Machinist-die-zijn-hand-overspeelde,

Volgens mij was jouw thuisbasis Hoorn maar ik weet het niet meer zeker. In ieder geval was je die dag tijdens een pauze in je ritplanning op Amsterdam CS, waar ik werkte.

Ik was 28 en gaf sinds anderhalf jaar leiding aan 80 hoofdconducteurs van Vadertje Spoor. En hoewel ik over mijn belevenissen in die twee jaar bij de NS een zalig boek zou kunnen schrijven, gaat dit over iets heel anders. Namelijk over intimidatie. Van seksuele aard.

Vaak is bij seksuele intimidatie op de werkvloer sprake van een leidinggevende die probeert iets van een werknemer gedaan te krijgen. In mijn geval was het andersom: ik werd te grazen genomen door een ‘ondergeschikte’.

Nou ja, te grazen genomen… dat had jij graag gewild. Althans, daarover was je luid en grof aan het opscheppen in de zogenaamde “koffiekamer” op de gang van mijn thuisbasis Amsterdam Centraal Station.

Deze koffiekamer was een notoire ruimte. Ons werd als leidinggevenden (de zgn. “PM’s” want veel wordt naar goed gebruik bij de NS afgekort) van de bewoners van de koffiekamer, aangeraden er vooral af en toe onze neus te laten zien, opdat we in dit bolwerk van roddel, achterklap, geklaag en gekanker ‘proactief aan het proces konden werken’. Het proces van de verandering bij NS. Een lastige taak, vooral voor de types als ik, die met een heel andere achtergrond ook een heel andere taal spraken dan de meesten van jullie.

Het was echt júllie ruimte en als ik binnenliep was ik duidelijk op bezoek. Het was er rokerig, bedompt en meestal geen fijne sfeer. Ik kwam er niet graag maar ik deed het wel en heb zo shag leren draaien en roken. En velen leren kennen als geweldige mensen, typische ruwe bolsters met blanke pitten. Tough cookies met een groot hart voor de zaak.

Die dag liep ik net langs en was helemaal niet van plan om binnen te lopen, toen ik mijn naam hoorde vallen. Met een hoop zeer schunnige teksten erachteraan waardoor ik besloot, met angstig kloppend hart, toch maar even binnen te lopen. Je kunt je voorstellen hoe hoog die drempel op dat moment was.

Zo stond ik in de deuropening terwijl jij schuimbekkend tekeer ging over mij en wat je allemaal wel niet met me wilde doen. Ik herhaal het niet maar laten we zeggen dat het vrouwelijk geslachtsdeel een hoofdrol speelde in jouw vrolijke sprookje, in woord en gebaar.

Jij zag me niet. Je collega’s wel. Je ging zo op in je fantasieën dat je het allemaal niet doorhad: de stilte die viel, het gebrek aan respons dat je kreeg.

Totdat je een por kreeg in je zij.

In mijn verbeelding van nu grijnsde ik als een panter die likkebaardend klaar staat om de prooi te grijpen. Maar niets was minder waar. Ik voelde me zo slecht en ranzig. Ik vond het zo enorm gênant wat jij allemaal over mij zei, wat je deed en dat ál die mensen dat hoorden. En ik wist even niet hoe ik daarna nog geloofwaardig kon zijn als “baas” van allemaal collega’s van jou.

Dat heb ik nooit laten merken. Ik weet nog dat ik ijskoud zei: “Goed. Jij hebt nu dus een enorm probleem”, en wegliep. Uiteindelijk heb ik in overleg met mijn leidinggevende aangifte gedaan. Het was een first-timer voor de NS. Een claim to fame die ik liever niet had gehad.

Ik weet niet meer wat deze aangifte precies voor jou betekende. Eerlijk gezegd herinner ik me je naam en je gezicht niet. Ook heb ik er gelukkig geen nacht wakker van gelegen.
Jij wel, dat weet ik zeker.

Een groet uit je verleden,

PM tps AK