Auw, je kníjpt!!

freedom

Het is vakantie.

Ze heeft de eerste van de middelbare met beheerste nonchalance doorstaan en overleefd en wat heb ik haar zien groeien, die knappe dochter van me. Zowel mentaal als fysiek. Er is ogenschijnlijk niets kleins meer aan haar. Zeker niet in vergelijking met de basisschool-knulletjes die haar broertjes zijn.

Ja, zij wordt groot en dat gaat vanzelf. Maar hoe-zo gaat dat eigenlijk vanzelf? Want ík bots al het hele jaar met haar en mezelf, in mijn drang haar richting te geven, te helpen. Maar hoe meer ik dat doe, hoe minder ze me nodig lijkt te (willen) hebben. Dus ga ik nog meer ‘coachen’. En gaat het coachen over in dwingen.

Terwijl ik dwing, duwt zij mij weg. Wanhopig pak ik haar arm vast. Geen wonder dat de blik die mij ten deel valt gevuld is met koele geringschatting. Maar precies díe blik doet mij stomen want triggert, zonder dat zij het weet, iets dat oud is, diepgeworteld zit en heel primair is. En dit alles maakt dat mijn hand begint te knijpen.

Ergens achter in mijn hoofd vraagt een stem wat ik aan het doen ben: “Zeg, hallo! Wat dóe je?!! Ben jij soms zo’n moeder die steeds maar nódig gevonden wil worden door haar kinderen? En word je nu boos op haar omdat zij jou duidelijk maakt dat ze daar niet op zit te wachten?”

Ja, wat bezielt mij?!

Ik voel alle verbinding tussen ons wegvallen: zij vertrekt in zichzelf, ik vertrek in mezelf. Tussen haar en mij alleen nog dat armpje met hand eromheen. Als symbool van waardeloze onmacht.

De blik van mijn dochter is inmiddels veranderd in een hele woeste. Maar nu begrijp ik het. Godzijdank begrijp ik het. Vastgehouden worden terwijl je het zelf moet doen en wíl doen. Vastzitten terwijl je op zoek bent naar jouw vrijheid. Natúúrlijk word je daar woest van, ik ken het zelf als geen ander.

Mijn met vulkanisch hete lucht gevulde, primaire ballon loopt in een grote diepe zucht leeg. Ga maar, lieve schat. Spring, dans, ren, struikel, val en sta weer op. En kom maar lekker bij je mama praten, lachen, huilen, eten en een hele liefdevolle knuffel halen als jij die nodig hebt.

Je weet waar ik ben.

“Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (3)

Koffiekamer

Dag Machinist-die-zijn-hand-overspeelde,

Volgens mij was jouw thuisbasis Hoorn maar ik weet het niet meer zeker. In ieder geval was je die dag tijdens een pauze in je ritplanning op Amsterdam CS, waar ik werkte.

Ik was 28 en gaf sinds anderhalf jaar leiding aan 80 hoofdconducteurs van Vadertje Spoor. En hoewel ik over mijn belevenissen in die twee jaar bij de NS een zalig boek zou kunnen schrijven, gaat dit over iets heel anders. Namelijk over intimidatie. Van seksuele aard.

Vaak is bij seksuele intimidatie op de werkvloer sprake van een leidinggevende die probeert iets van een werknemer gedaan te krijgen. In mijn geval was het andersom: ik werd te grazen genomen door een ‘ondergeschikte’.

Nou ja, te grazen genomen… dat had jij graag gewild. Althans, daarover was je luid en grof aan het opscheppen in de zogenaamde “koffiekamer” op de gang van mijn thuisbasis Amsterdam Centraal Station.

Deze koffiekamer was een notoire ruimte. Ons werd als leidinggevenden (de zgn. “PM’s” want veel wordt naar goed gebruik bij de NS afgekort) van de bewoners van de koffiekamer, aangeraden er vooral af en toe onze neus te laten zien, opdat we in dit bolwerk van roddel, achterklap, geklaag en gekanker ‘proactief aan het proces konden werken’. Het proces van de verandering bij NS. Een lastige taak, vooral voor de types als ik, die met een heel andere achtergrond ook een heel andere taal spraken dan de meesten van jullie.

Het was echt júllie ruimte en als ik binnenliep was ik duidelijk op bezoek. Het was er rokerig, bedompt en meestal geen fijne sfeer. Ik kwam er niet graag maar ik deed het wel en heb zo shag leren draaien en roken. En velen leren kennen als geweldige mensen, typische ruwe bolsters met blanke pitten. Tough cookies met een groot hart voor de zaak.

Die dag liep ik net langs en was helemaal niet van plan om binnen te lopen, toen ik mijn naam hoorde vallen. Met een hoop zeer schunnige teksten erachteraan waardoor ik besloot, met angstig kloppend hart, toch maar even binnen te lopen. Je kunt je voorstellen hoe hoog die drempel op dat moment was.

Zo stond ik in de deuropening terwijl jij schuimbekkend tekeer ging over mij en wat je allemaal wel niet met me wilde doen. Ik herhaal het niet maar laten we zeggen dat het vrouwelijk geslachtsdeel een hoofdrol speelde in jouw vrolijke sprookje, in woord en gebaar.

Jij zag me niet. Je collega’s wel. Je ging zo op in je fantasieën dat je het allemaal niet doorhad: de stilte die viel, het gebrek aan respons dat je kreeg.

Totdat je een por kreeg in je zij.

In mijn verbeelding van nu grijnsde ik als een panter die likkebaardend klaar staat om de prooi te grijpen. Maar niets was minder waar. Ik voelde me zo slecht en ranzig. Ik vond het zo enorm gênant wat jij allemaal over mij zei, wat je deed en dat ál die mensen dat hoorden. En ik wist even niet hoe ik daarna nog geloofwaardig kon zijn als “baas” van allemaal collega’s van jou.

Dat heb ik nooit laten merken. Ik weet nog dat ik ijskoud zei: “Goed. Jij hebt nu dus een enorm probleem”, en wegliep. Uiteindelijk heb ik in overleg met mijn leidinggevende aangifte gedaan. Het was een first-timer voor de NS. Een claim to fame die ik liever niet had gehad.

Ik weet niet meer wat deze aangifte precies voor jou betekende. Eerlijk gezegd herinner ik me je naam en je gezicht niet. Ook heb ik er gelukkig geen nacht wakker van gelegen.
Jij wel, dat weet ik zeker.

Een groet uit je verleden,

PM tps AK

Hans

Hans

Taal is geweldig. Neem nu het heerlijke woord ‘labbekakken’…

LAH-BUH-KAH-KUN.

Het soort woord waarvan je, ook al had je het nooit eerder gehoord en heb je geen idee wat de letterlijke betekenis ervan is, toch direct snapt wat iemand die het zegt, ongeveer bedoelt aan het adres van degene tegen wie hij het zegt. Ik denk zelfs voor iemand die onze taal überhaupt niet spreekt.

Een woord dat door de uitspraak ervan al betekenis krijgt. Door de klank, de plek waar het vandaan komt als je het uitspreekt met extra nadruk op de klemtoon, namelijk achter uit je keel en daarom met een verzuchting erdoor verweven. Als je het vaak achter elkaar zegt, merk je dat je steeds een beetje meer leegloopt door het vele (ver)zuchten.

Ja, labbekakken.

Dit woord wordt beeld zodra je het zegt. Ik zie het als volgt voor me; (natuurlijk) een drol. En ook verschijnt een kakkerlak. Een kakkerlak in de vorm van een drol. En dan verandert het beeld vanzelf in een mestkever, die een drol vooruitduwt. Waarom doen ze dat eigenlijk? Maken ze er hun huisjes van? Ik weet het niet maar in ieder geval is hun leven gevuld met allerhande shit. En daarmee is voor mij het cirkeltje woord-labbekak en beeld-labbekak rond.

(Wist je trouwens dat een mestkever een drol kan duwen die wel 400x zwaarder is dan hijzelf?! Heb ik geleerd van Freek-niet-meer-alleen-van-in-het-wild-of-van-Eva-maar-nu-vooral-van-de-AH-plaatjes. Bij Freek komt ook een beeldend woord in me op. Niet van een labbekak hoor, hij voldoet allesbehalve aan mijn beeld van de labbekak. Bij hem komt het woord “boomklever” in me op. Geen idee waarom. Waarschijnlijk omdat hij ineens omnipresent is in mijn huis en daarmee leven.)

Een hele groep mensen labbekakken noemen, lijkt mij om een heleboel redenen niet in orde. Degenen die jij werkelijk kent en waarvan je weet dat ze hun hand ophouden terwijl ze kansen en mogelijkheden hebben om te werken, daarover kun je en mag je een mening hebben. Maar om die mening met een soort zwaai van je arm en uit hoofde van je functie als voorzitter van het VNO-NCW ongenuanceerd over een hele groep uit te spreken is niet een béétje dom. Dat is héél erg dom. Zelfs als de rest van het betoog in alle mogelijke grijstinten zou zijn gedaan -wat niet zo is-, is het effect van zo’n uitspraak vernietigend.

Hans had beter moeten weten.

Maar Hans-“ja doehoe” is Hans en zegt het gewoon. Hij zegt het allemaal. De twee journalisten die dit stuk voor de Volkskrant schreven, hadden een field day en ontvangen ergens in de toekomst vast een prijs voor “meest spraakmakende interview van het jaar” of zoiets. Bij hen zie ik voor me hoe zij al interviewende veranderden in steeds harder kwijlende bloedhonden. Want zij roken bloed. Reken maar.

En Hans? Hans ziet er in mijn beeldend brein (ook door de Volkskrantfoto’s) uit als Haaitje Hans, zo eentje uit een Disney film. Meestal worden die aan het einde van de film uit “hun” zee weggejaagd…

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (2)

Schaap

Beste Bor de Bons,

Van functiewege zou ik je eigenlijk met ‘U’ aan moeten spreken. Maar in jouw geval pieker ik daar niet over. Daarvoor heb ik teveel sms-jes van bedenkelijke aard van je gekregen.

Geen zorg, het is zeker mijn bedoeling niet om jou met deze mail aan de publieke schandpaal te nagelen. Ik geef op geen enkele manier een hint over wie dit gaat, dat beloof ik je. Een heel beperkt aantal mensen zal misschien een vermoeden hebben, áls ze deze mail al lezen, want ik heb het er uiteindelijk maar met twee of drie mensen ooit over gehad.

Getrouwd met kinderen en grote politieke ambities, bekleedde je een belangrijke publieke positie. En zoals wel vaker bij mensen in dat soort schoenen: een narcistische persoonlijkheid voor wie het gevoel van macht en de grenzeloze ambitie gekanaliseerd moesten worden met spanning en seks. Kwam ik achter.

Ik kwam bij je aangewaaid om je te interviewen. Jonger dan jij en stralend want zwanger. Dat wist jij niet. En ik tóen ook nog niet want het was heel pril. Later vertelde men mij dat jij binnen “het wereldje” bekend stond als: ‘heeft-in-elk-stadje-een-ander-schatje. Op dat moment echter was mij dit volledig onbekend. Ik was geen insider in desbetreffend wereldje en de ‘verheven’ moraal die erbij hoort kwam niet eens in mij op.

Hormonaal bevattelijk trapte ik met beide voetjes in jouw dodelijk charmante manier van doen. Hoewel ik er tijdens het interviewgesprek geen seconde erg in had, naïef braaf-stralend schaap dat ik was, bleek ik geen partij voor jou. Dus toen ik later die avond je sms bericht ontving leek het erop dat ik rijp was voor de slachtbank.

Of ik nog in town was voor een drankje, want je had me nog láng niet alles verteld. En of ik je op dit nummer terug wilde teksten want dan zag je secretaresse het niet ..;)

Wát spannend. Overkwam mij dit? Vond die charmante, belangrijke meneer míj zo leuk? Wow…!!

Tegelijkertijd schoot er allerlei kramp in mijn bestaan. Want wat moest ik hiermee richting mijn partner die het zo druk en zwaar had in zijn eigen bestaan. Dit zou hij niet trekken. En wat zei het over mij dat ik ontvankelijk was voor de aandacht? Beschaamd hield ik mijn kaken angstvallig op elkaar. Wat moest ik hierover zeggen tegen wie dan ook? Kon ik dat maken, naar jou toe? Wat zou er dan gebeuren, jij zat op een bijzonder chantabele plek. Zo politiek bewust was ik wel.

Gelukkig klonk ergens in mijn achterhoofd het belletje van ‘gevaar’ waardoor ik me op afstand hield en ook het werkcontact digitaal bleef. Je probeerde en nodigde me voor van alles uit, met als klap op de vuurpijl een trip naar het Verre Oosten uit hoofde van je functie. Het gemak waarmee jij je voorstel deed en me liet weten hoe mijn aanwezigheid, ondanks de grootte van de groep die mee zou reizen, geen enkel probleem zou opleveren, deed mij helemaal de schellen van de ogen vallen.

Je zeer bewust van je positie en macht gedroeg jij je als een roofdier en waarschijnlijk vandaag de dag nog steeds. Maar ik vraag me af; waarom gedroeg/gedraag jij je niet gewoon naar je functie? Namelijk verantwoordelijk voor en respectvol naar de mensen die je vertegenwoordigt? Door jou was ik een illusie armer waar het jouw soort betreft. Treurig, banaal en laf was de nasmaak die ik had bij het ambt waarvan je zou willen, als burger zelfs zou mogen eísen, dat het respectabel en rechtschapen is.

Het moment dat jij doorhad dat ik niet hard-to-get speelde maar impossible-to-get wás, werd je onaardig, vilein en veegde mij met een klap van je roofdieren-klauw uit je bestaan. Wat prima was, want de kramp waarin ik zat was daarmee voorbij.

Stiekem hoop ik je nog eens tegen te komen, want tegenwoordig is dit schaapje allesbehalve naïef en lust jou, waardeloze wolf die volgens mij politiek ook geen deuk in een pakje boter slaat, inmiddels rauw.

Je bent gewaarschuwd,

A.

Mails die ik in mijn hoofd ooit schreef maar nooit verstuurde (1)

Kippig

Geachte vervelende oogarts,

Het is 30 jaar geleden dat ik voor u stond als bedremmelde 12-jarige bij wie zojuist door de schoolarts minder zicht was geconstateerd. In de eerste klas van de middelbare zat ik en deed ik mijn best mijn plekje te veroveren. Dodelijk onzeker tussen al die coole, knappe, superslimme types. Mijn tactiek was die van een grote mond maar in mijn hart voelde ik me erg klein. En na mijn bezoek aan u nog een heel stuk kleiner.

Het bericht dat ik naar u toe moest voor een serieuze meting want met zekerheid een bril, was voor mij al een mokerslag die mijn kleine wereldje van school en sport deed beven. En precies zo stond ik samen met mijn moeder te wachten, ik zal het nooit vergeten, net over de drempel van uw spreekkamer totdat u zo goed zou zijn ons in onze aanwezigheid te erkennen.

U was druk bezig iets op schrift te stellen, keek niet op of om en ik durfde bijna geen adem te halen in de hoop dat het zicht-probleem dan vanzelf zou verdwijnen. Eindelijk drukte u een punt op het papier en uw bril steviger op uw neus, hief het hoofd en nog voordat u ons aankeek zei u het, langzaam en nasaal snerpend.

“Zooooo, dus Alexa hier is KÍP-piggg …?!”

Het klonk als een beschuldigend pistoolschot. En toen de ‘ggg’ van KÍP-piggg wegstierf en uw hoofd recht op uw schouders stond zodat u ons aankeek, zag ik kleine, kwaaiig-priemende oogjes achter Heel. Dik. Glas. Het was alsof u míj de schuld van dat dikke glas gaf en voor straf me nu met hetzelfde ging opzadelen.

Ik zakte ter plekke door de grond. Was dat ook echt gebeurd en ik nooit meer boven gekomen was het voor mij prima geweest. Mijn moeders hand beefde van ingehouden woede en nog als we het erover hebben voel ik die emotie. Dus ik heb het me niet verbeeld.

Kippig… wat een belachelijk woord om te gebruiken. Ik vroeg me nadien wel eens af of u gráp-piggg probeerde te zijn maar dat kan bijna niet. Zó niet-grappig was het.

De rest van de meting kan ik mij niet herinneren maar wel dat ik twee dagen later met een brilletje met ook Best Dik Glas naar school moest, alsook naar paardrijden en de verschillende sportvelden waar ik zo door de week verkeerde. Overal schoten mij de tranen in de ogen want zag ik uw oogjes-achter-jampotglazen voor me en hoe verschrikkelijk dat eruit had gezien dus hoe ik er in mijn beleving nu ook uitzag. Met mijn paardrij cap erboven…

Ik hoop dat mijn tot op het bot geschokte blik u aan het denken heeft gezet, die middag. Maar ik denk het eigenlijk niet. U was namelijk al redelijk oud -dat zag ik dan toch wel- en u deed dit waarschijnlijk al 40 jaar en al 40 jaar zo. Zonder invoelend vermogen, in ieder geval niet naar een kind, noch vriendelijke uitstraling.

U snapte de impact van uw professionele positie en autoriteit volgens mij niet. Daarom wil ik u, waar u nu ook bent, met terugwerkende kracht laten weten wat zulk communicatief onvermogen kan doen.

Het kleine beetje gevoel van zekerheid dat ik bezat was na die middag geheel en al zoek en jarenlang heb ik me lelijk gevoeld en had ik een van mijlenver zichtbare, zwakke plek waarop ik makkelijk te pakken was: Want Die Bril. In een tijd waarin een bril allesbehalve cool was. Daarom ontwikkelde ik uit zelfbescherming een nog grotere snavel met nog scherpere en stoerdere praat, wat mij met grote zekerheid links en rechts niet in dank werd afgenomen. Maar kwetsbaar mocht en kon ik natuurlijk niet zijn, dat had ik bij u wel gezien en gevoeld. Dus waar ik gevaar rook, pikte ik erop los. Gelijk een kip naar korrels, bedenk ik nu.

Gelukkig kwamen er na niet al te lang lenzen. Maar het gevoel van lelijk en kwetsbaar dus met schild en grote bek is wel nog lang gebleven. Daarbij had ik inmiddels een reputatie op dat vlak en u weet: om te overleven in de jungle van jonge adolescentie moet je je wel kunnen weren. Misschien is dat wel hoe u uzelf hebt geleerd zich staande te houden: met op niet-grappige-manier-grappig-proberen-te-zijn …

Overigens is het heel goede nieuws dat ik 8 jaar geleden mijn ogen kon laten laseren waardoor ik nu een haviks-blik bezit. Dat is nog eens wat anders dan een kíp. Vindt u ook niet? Een havik kan tenminste vliegen!

Hoogachtend,
De niet-meer-kippige Alexa

Bye bye

Starfish graveyard

‘Verlaten worden is de derde grootste angst van de gemiddelde Nederlander’, hoorde ik op de radio. Ik vraag me af: is dit precíes wat het is of is het wat kort door de bocht gesteld?

Wanneer ik hierop kauw, komt mijn gevoel bij ‘verlaten worden’ naar boven. Hoe ik eens met straf op mijn kamer zat in mijn loei-grote ouderlijk huis en plotseling mijn ouders en broertjes allemaal zag vertrekken. Heel gek vond ik het – ik was pas 8 jaar – want niemand had iets gezegd en in de regel werden wij echt niet alleen gelaten op die leeftijd. Toen ik in huis wilde checken of het allemaal wel klopte, ging het alarm af en voelde ik me als een rat in de val. Afgesloten, oorverdovend lawaai en ik kon er niet uit want alles zat op slot. Kennelijk was ik heel stout geweest en was mijn lot navenant.

Die heeft er ingehakt.

De belangrijkste associatie met het verlaten worden is voor mij dat ik iets helemaal verkeerd heb gedaan en dus mijn verdiende loon krijg. Het is niet het verlaten worden wat ik vrees, het is de geseling van de gedachte aan verdiende straf. Een gedachte die pijn doet; misselijkmakend knijpend van binnen. Meestal ga ik dan om me heen meppen omdat het voelt alsof mijn leven ervan afhangt.

Dus daar, míjn waarheid over verlaten worden, uit een ver verleden maar waar ik nu nog last van heb. En met mij ook anderen. Ai …

Ik vermoed dat de meeste mensen niet zozeer verlatingsangst hebben maar dat het gaat om de associatie; een negatief gevoel dat onder het verlaten worden ligt. Alleen zijn. Niet leuk of goed genoeg zijn. Niet de moeite waard zijn. Zelf niet in staat zijn. Schaamte. Enzovoort. Heel naar, heel vervelend en soms zelfs heel destructief.

Grote gevoelens en diepe emoties kunnen worden getriggerd door op zichzelf relatief kleine of zelfs onbeduidende gebeurtenissen in het verleden die een enorme impact hadden én hebben.

En dan nu het goede nieuws! Verlaten worden of alleen zijn, bang zijn of je rot voelen; het zijn de situaties bij uitstek om met dit soort zelfkastijding af te rekenen. Een mogelijkheid om iets bij jezelf te herstellen en te groeien.

Je zult trouwens wel moeten want het is zwemmen of verzuipen. op je gezicht gaan jezelf oppakken en weer doorgaan. En nog eens en nog eens. Net zolang totdat je het ziet voor wat het is: een ongevaarlijke gedachte. Niets meer en niets minder. En van die gedachte kun je als je ‘m doorhebt, ter plekke afscheid nemen. Uit het raam wapperen en gedag zwaaien. Toedeloe!

Ik kan het weten want ik heb gewapperd, zwaai nog steeds en zal ook wel blijven zwaaien. Elke belemmerende gedachte die ik gedag zwaai, is er één minder. Het is de vrijheid die lonkt. Echte vrijheid, namelijk die van de ketenen waarin ik mezelf vasthoud.

Wil je nog beter nieuws? Als ik het kan, kun jij het ook.

Elementary

Elementary“Mama, gaan jullie nu weer bij elkaar wonen en zijn we dan weer sámen? Met z’n alle-maal?”

Grote lang gewimperde ogen kijken mij hoopvol aan.

“Nee liefje, dat gaan we niet.”

Een schaduw trekt over zijn gezicht, waterlanders wellen op en benemen ons even het zicht op elkaar. Ik dwing mezelf hem aan te blijven kijken. Wat ik zie grijpt als een koude klauw naar binnen, om mijn hart dat voelt als steen.

“Máh-ma!! Waaróm niet? Jullie hebben bijna helemaal geen ruzie gemaakt en het was echt superleuk. Dan kunnen we dus toch altijd allemaal samenzijn!!”

“Ik weet dat dat jouw liefste wens is en ik vind het heel erg dat ik die niet kan vervullen. We hebben met elkaar afgesproken dat we, als en zolang het kan, met z’n vijfjes op skivakantie gaan. Tuurlijk, wij willen ook dat zo’n week gezellig is samen. En dat lukt gelukkig. Maar we gaan niet meer met elkaar in één huis wonen. Je moet het maar zo zien dat papa en mama een beetje zijn zoals jullie drie met elkaar, als broer en zus. Dus niet meer als verliefd.”

Dikke, wanhopige tranen nu. Hij knijpt zijn ogen heel hard dicht en schudt zijn hoofdje heen en weer.

“Maar dan kán het juíst!? Wij maken best vaak ruzie maar we gaan toch óók niet allemaal ergens anders wonen!!??”

“Ach mannetje, ik vind het zo erg voor je dat je zo’n verdriet hebt. En ík weet helemaal niet hoe dit voelt want mijn papa en mama zijn wel nog bij elkaar. Maar jouw papa en ik niet meer. En dat blijft zo.”

Hij huilt nog even hartverscheurend hard in mijn armen en gaat dan met rood hoofdje en natte wangen liggen om te slapen. Mijn hart wordt heel warm.

“Gaat het weer een beetje, liefje?”

Zijn verdriet heeft hem uitgeput, hij vertrekt al richting dromenland maar mompelt nog:
“Ja mama. Je weet het toch; ik ben gewoon heel ge-vóelig…”.

Mijn hart wordt vloeibaar, loopt vol en dan over.