Eén gedachte

Bij het krieken van de dag wakker worden door een schuifelend geluid op straat. ‘n Buurman die zijn hondje uitlaat. Ooit waren het er drie, nu nog maar eentje; zo’n heel laag bij de grond hangend, krompotig getrokken worsterig diertje met naar buiten uitstekende tandjes.

Ik zie het tafereel voor me en moet grinniken, voel een vlaagje heel frisse lucht langs mijn wang en hoor de eerste vogeltjes. Veel zijn al weggetrokken maar sommigen vullen met hun lieve gekwetter mijn oren nog en zullen dat steady blijven doen, ook in de kou.

In een flits realiseer ik me hoe gelukkig ik me voel, wat een goede maanden het zijn en hoe dit jaar een tijd zo lullig leek, maar nu niet meer.

Want het sluimerend grijs-kil en steeds zwaarder drukkend gevoel dat er was in mijn leven, heeft plaatsgemaakt voor verlichting en opluchting, het weer tot in mijn tenen adem kunnen halen, emotionele balans en – vrijheid. Slepend werd weer lichtvoetig, de ballast los en afgeworpen.

Ik wíst het al wel maar voelde het nog te vaak niet bewust zo. Vandaag, bij het krieken van de dag wél. Als in een flits die zekere gedachte en het gelukzalige gevoel dat door mijn hele systeem trekt en me als een warme deken bedekt.

Gevoel van zwaar of licht, verlies of kans, grijs of kleur; het verschil bestaat soms uit slechts één gedachte.

Jazéker wel boeit het!

Over twee weken wordt ze 18 en ben ik bezig met het maken van Haar Boek. Het boek met alle verhaaltjes die ik schreef over haar of waarin zij een rol speelt.

Natuurlijk ben ik te laat begonnen en is het een race tegen de klok om het niet alleen tijdig aan te leveren bij de drukker maar het ook zó aan te leveren dat het Echt Goed is: Foutloos, Mooi, Uniek.

Want ja, uitsteller als ik ben, ben ik helaas ook redelijk perfectionistisch, eerzuchtig en trots. Een combinatie die vaker voorkomt (want als je er niet aan begint kan het ook niet Fout of Middelmatig zijn) maar die uitermate narrig kan wringen.

Ergens afgelopen week kreeg ik het Spaans benauwd: “Ik krijg het niet af.” Deze stellige stem deed direct wat het vroeger zo vaak deed: als een fatalistisch zwaard sneed het de positieve energie van mijn actie en gemoed: “Laat maar, ik kan niet en het boeit ook niet.”

Met deze niet-helpende reflex smoorde ik ettelijke prestatie reeds in de kiem. Totdat ik daar schoon genoeg van had, erin dook en net zolang keek totdat ik haarscherp zag wat ik deed en waar dat uit voortkwam.

En dan komt nu het allerbeste nieuws en groot geluk: eenmaal zo bewust, blijf je het zien!

Zo ook nu. Dus ik riep terug: “Jazéker wel boeit het! Want ik boei en zij boeit helemaal! En het is sowieso Goed, want gemaakt van Liefde.”

En haar boek?

Da’s bijna af 😉

Asbest of -beter?

Leven met een leugen. Of leugens. Die welbewuste naar je omgeving toe en de meer verstopte, de subtiele vooral naar jezelf. Onderhuids woekerend sijpelt het als toxic waste door de gaten en kieren die er altijd zijn. Ongemerkt neemt het z’n plek en z’n prooi: een ieder die er in vast zit of niet op tijd vertrekt.

Schimmels en barsten in grond die verder verziekt. Aangekaart, besproken, gevraagd, gezegd. Maar als de spiegel te fel is of de ontvanger bijziend of onwillig, dan heeft het allemaal weinig zin en betekent blijven hetzelfde als erdoor in bezit genomen worden.

Machteloos, met een negatieve ondertoon in het totale gevoel, en zelf ook blind voor waar dat dan over ging, strompelend door zulk dor geworden landschap van dorst en droogte. Waar eerst lol, lucht, licht en liefde alles hadden laten bloeien, knaagden nu misprijzen, kilte, afstand en lillend rugspek de wortels kapot van wat ooit een mooie en juicy belofte was.

Zwaar in het hoofd, met zeurende buik, klemmende keel en een loodzware olifant op de borst.

Asbest, chemical waste, wat het ook is of hoe je het ook noemt, de belangrijkste les is deze: op vervuilde grond kun je -beter niet willen bouwen.

Bedankt

Voor de zoveelste keer geeft hij zijn zoon een veeg uit de pan op een volume en met een inhoud die niet alleen buitenproportioneel hard is en wordt gebracht, maar in mijn ogen ook onnodig en daarmee extra slecht getimed gezien de setting van ’t moment: aan het begin van een leuke skiweek met onze 6 kinderen. We zijn er net en ik hou mijn hart nu al vast.

Ik zie hoe verwrongen zijn gezicht er uitziet, zijn naar beneden getrokken mondhoeken plus kin die daarbij naar voren steekt en voel zijn gefrustreerde misprijzen als een verstikkende deken over alles heen glijden. Ik zie angst in de blik van mijn jongste en het plaatje uit mijn verleden dat dit type uitbarstingen herkent, wordt weer onaangenaam geraakt; ik voel buikpijn en misselijkheid razendsnel opkomen en dat mijn luiken aan alle kanten potdicht gaan. Ik wil vluchten, weg van deze waardeloze energie. Maar omdat dat natuurlijk niet kan, trek ik me terug in mezelf, achter al die luiken. Onbereikbaar voor alles en iedereen. Ineffectief maar het is wat ik altijd deed om mezelf te redden: me verstoppen voor de furie terwijl ondertussen van binnen het gevoel van machteloze woede woekerde.

Wanneer ik 1,5 jaar later, als de relatie niet houdbaar is gebleken, terugkijk, is exact dít het moment geweest waarop ik het grotere besluit van “nee” nam. Het moment waarop iets in mij “stop” zei en besloot dat dit mij niet diende, na ruim drie jaar opeenvolgend gedoe van allerlei aard en dientengevolge te vaak het vertoon van giftig en destructieve energie.

Dit besluit was echter onbewust en heb ik vervolgens nog lange tijd genegeerd. Ik wilde niet meer maar bleef wel. Behoorlijk incongruent en voor mezelf als ik terugkijk op wat me deze tijd heeft gekost, maar moeilijk te begrijpen.

  1. Ik mag niet opgeven.
  2. Dit is wat ik waard ben.
  3. Ongeacht wat het mij kost, ik moet de boel fixen.
  4. Een 2e scheiding is extra pijnlijk voor de betrokken kinderen.
  5. Hoe shit iets ook is, ergens zit altijd een mooi verhaal verstopt.

De overtuigingen die mij op mijn plaats hielden en ervoor hebben gezorgd dat ik het stemmetje negeerde dat “loslaten” zei, ook al liet het zich best luid horen en kon ik wat ooit leuk was, allang niet meer vinden.

Het werd op ieder vlak ongemakkelijk tussen ons; ik ervoer steeds meer afstand, gereserveerdheid en een oppervlakkige, onoprechte respons en houding. Ik vroeg hem ernaar, met die machteloosheid in mijn hart maar soms ook hoopvol, want hij zei het niet te herkennen. Dus ik klampte me vast en dacht: “Ik mag niet opgeven, anders is het zielig voor 6 kinderen. Deze fase gaat voorbij en dan gaan we trouwen.” Want dat mooie verhaal hadden we elkaar ooit verteld en hij had me net nog gezegd wel 100.000 met me te willen worden. Ik probeerde het maar het voelde als sjorren aan een reeds overleden paard: zwaar, lomp en niet in beweging te krijgen. Dit maakte mij naast machteloos ook moedeloos en boos. Iets wat ik van mijn kant in mijn uitingen ook niet kon verstoppen. Een wirwar van waardeloze interactie, als een draaikolk die de boel maar 1 kant optrok: naar beneden.

In april dit jaar kreeg ik een opeenstapeling van klachten: moe, niet lekker, futloos, volle sinussen en een diepe hoest. Een negatieve Coronatest en 7 relatiegewijs jeu-loze weken later trok hij de stekker eruit. Want ineens had hij ingezien hoe het zat, dat hij al een paar maanden het idee had niet zichzelf te kunnen zijn, hoe dit hem een ongelukkig gevoel gaf en hij er niet meer naar uitzag tijd met mij samen door te brengen. Over hoe hij dit al best vaak had aangegeven, zich aanpaste aan wat ik hem teruggaf maar het bij mij dan niet terugzag.

Ik luisterde verwilderd, hoorde hem zeggen dat het kennelijk aan mij lag, zag dat hij nog altijd stekeblind was voor wat al die jaren bij hemzelf speelde, al lang voordat wij elkaar überhaupt kenden en de impact daarvan op alles en iedereen erom heen, en nam in een reflex vanuit de pijn die ik voelde alle schuld op me. Ik probeerde hem ervan te overtuigen dat we het konden fixen. Dat ík het kon fixen omdat ik het dan nu eindelijk begreep en mezelf dus zou fixen.

Achteraf is dit wat mij het meest pijnlijk trof: dat ik zo ver ga in het mezelf afwijzen.

Mijn Peruaanse schoonzus nam me de volgende dag stevig in haar armen, gaf me al haar liefde en zei: “The most important thing right now is that you let go of all your self blame, love.” Dit gebaar en deze zin was als een hele grote slok water in de diep-droge woestijn. Ik brak, stond het toe en ging met een gelukkig gevoel naar huis. Twee dagen na de breuk waren ook al mijn fysieke klachten als sneeuw voor de zon verdwenen.

Wat ik sindsdien aanga? Met radicale openhartigheid mijn eigen ineffectieve mechanismen verder ontleden. Werken aan de nog diepere lagen zodat ik mijn meest zuivere stem kan leren horen, boven al het valse gelispel in mijn hoofd uit. En mezelf ten diepste vergeven voor het geweld dat ik mijzelf aandeed door te blijven in iets wat mij op ieder niveau teveel kostte.

Ultimiss

Daar sta ik, midden op het veld, helemaal alleen. Wie er ook op mij afkomt, Ultimiss, het-edele-paard-van-zeer-goede-komaf in ieder geval niet.

Hm.

“Zie het niet als afwijzing, maar als aanmoediging om te zakken, weg uit je hoofd. Je hebt spanning en je energie is teveel naar buiten gericht. Een paard houdt van geaard; zen dus.”

Ik probeer het, ademen naar mn buik, 4 in, 6 uit en verdraaid, daar komt ze. Ze smakt en gaapt 2 of 3x uitgebreid. “Ze laat jouw energie los.” Ik gaap háár aan; for real?

Ze blijft schuin voor me staan, met opgeheven hoofd, net niet echt contact. “Ze spiegelt jou. Wat zou jij nu willen?”

Tsja, graag écht contact, dus ik beweeg naar haar toe en aai neus en hals. Ze leunt tegen m’n hand. Dit voelt fijn; warm, verbonden. Dan stapt ze naar voren, vol mijn zone in. Ik loop schrikkerig achteruit: “Niet naar achter bewegen, neem jouw plek in en behoud je ruimte!”

Ik vertel dat het me overweldigt, haar grote gestalte en heel sterke presence. Momenten van confrontatie met invasieve energie kort en langer geleden in mijn leven en mijn reactie daarop, komen voorbij.

Ze komt nog eens heel dichtbij, ik blijf staan en zij houdt haar hoofd boven het mijne, haar nabijheid nu als kalme troost. Ze buigt en legt haar neus in mijn nek; liefdevol, zonder franje. Ik voel ‘het is goed’ en dit ontroert me diep.

Dan is ze klaar. 6 minuten.

Over non-verbaal gesproken. Heel veel waarachtiger wordt iets niet.

Plek

Ik. BÈN. Er!!!!!!!!

Met een zwaai gaat de slaapkamerdeur open en springt jongste op zijn derde verjaardag naar binnen met wijd uitgespreide armen en zó’n stralend koppie dattie licht geeft.

Zelden heb ik iemand met zoveel vanzelfsprekend en vertrouwen zijn plek zien innemen, als hij op dat moment. Het staat op mijn netvlies gebrand en in mijn hart en geheugen gegrift. Zijn gevoel van er totaal en zonder ook maar enig excuus te mogen zijn en mijn gevoel van jubelend geluk hier deelgenoot van én mede-verantwoordelijke voor te zijn.

Je plek innemen. Naast, tussen en ten overstaan van anderen jouw eigen rechtmatige plek voelen en pakken.

Een thema waar ik mijn hele leven al mee knok, omdat het voor mij als kleintje níet vanzelfsprekend zo voelde, dat ik dat mocht. Ruim baan maken voor de ander; niet een te grote mond hebben; de beste was de goedste en de kleinste de liefste en beide was ik in ieder geval niet. Iets wat ik meenam door mijn leven; knokkend in samenwerkingen en relaties met anderen die juist meer ruimte innamen dan goed was voor een gezond evenwicht. Types die van hun kant zelf vanzelfsprekend de goedste waren of door ingeboren egoïsme niet erg gericht op -het gevoel van- een ander, niet gebakken om zelf intrinsiek te geven en clueless ten aanzien van het gegeven dat groot-gevers vaak niet zo vanzelfsprekend hun eigen ruimte claimen, laat staan pakken. Dat dit soms tot buikpijn aan toe moeilijk voor hen is.

Klein liet mij dat in die partnerschappen weer voelen en behoorlijk alleen, maar ergens ook veilig want bekend. Inspirerend vind ik dit type mensen op voorhand sowieso omdat ze iets doen dat ik meer zou moeten. Zit er voor mij iets wenselijks in die begeerlijke, arrogante manier van gewoon (in)nemen. Alleen in plaats van ‘standing ground’, deed ik te vaak zelf nog maar eens een stapje opzij, me boos maar ook angstvallig vasthoudend om niet over het randje te kukelen. Hek naar beneden, klauwtjes uit.

Een oneigenlijk gevoel van afhankelijkheid creërend waar niemand iets van zou begrijpen die mij zo, op eerste gezicht, kent.

Maar we hebben allemaal onze eigen verhalen en onder onze grootste kracht zit vaak ook onze diepste valkuil. Het een laat zich zien in de goede tijden, het ander als de boel begint te verschuiven.

Wat een feest is het dan, om van die glasheldere spiegels in eigen huis te hebben. Allemaal met hun eigen terugkoppeling van wat jij te leren hebt. Goed kijken moet je, en goed luisteren. Vooral naar je buik.

Deze kleinste spiegel hielp mij het op zijn derde verjaardag zo helder te voelen. Toen wist ik nog niet goed wat het precies was ik zag. Maar nu wel.

Los dus. Met de armen wijd er staan:

Ik. BÈN. Er.

Op mijn plek.

Opgave

De hele week al ploetert hij op wiskunde D. De dag voor de toets ontploft hij: “Waarom vólg ik dit k*tvak eigenlijk!?!” Uit z’n tenen komt het.

Ik moet hem het antwoord op zijn gelukkig retorische vraag schuldig blijven en laat hem even pruttelen en mopperen. Dan: “Waarom zou je het níet doen, als je het wel kunt?!”

Peinzende ogen.

“Ik kan het ‘soort van’, maar het kost me extreem veel moeite.”

“Ik snap je en zeg ook dat dát het argument niet mag zijn. Stoppen omdat iets móeite kost, neigt naar opgeven. Ik weet dat en heb daar spijt van (gehad). Dat is geen fijn gevoel.”

“Oké, maar het kost me zóveel moeite dat ik te weinig tijd overhou voor al die andere vakken die óók pittig zijn. Én ik wil helemaal geen studie doen waar Wiskunde D voor nodig is.”

Deze snap ik echt en krijg er weinig tussen. Ik hang in die ingewikkelde ouderschaps-spagaat van eigen verantwoordelijkheid en ruimte laten en stimuleren zonder sturend te zijn. 

Lieve vriend, het is helemaal jouw beslissing. Het enige dat ik belangrijk vind, is dat je er geen spijt van krijgt.”

2 Weken later:

“Mám, ik heb een 8,6 voor WisD!!”

“Ongelooflijk, dat is nog eens loon naar werk! En nu? Heb je al een beslissing genomen?

“Nog niet helemaal. Maar áls ik stop, weet ik nu dat het sowieso geen opgeven is. Want ik kán het dus heel goed.”

Het Héle-al

“Ik. Weet. Het. Niet.”

Gek werden en worden zij van dit antwoord dat ik ze dan toch gaf en geef.

Al op 1000-en vragen.

Soms om ze bewust te maken van hun eigen denkvermogen maar ook omdat ik vaak echt het antwoord niet wist:

“Mama, hoe kan het dat Dumbo kan vlíegen, want zijn oren zijn wel groot maar zijn lijf ook. Of zit daar hélium in, net zoals bij ballonnen?”

Of:

“Mam! Hoe-zo lijken wij als ik ons zó zie, zo groot, terwijl we in het ‘héle al’ maar piepklein zijn?” (Wappert met armen om dat héle al te duiden terwijl moeder iets murmelt over verhoudingen en hoopt dat het hier bij blijft, wat helaas niet zo is).

En nu, 10 jaar verder weet ik op de meeste van hun vragen het antwoord nog steeds niet. Noch op een heleboel vragen die ik zelf heb.

Over dingen die buiten mij liggen en over dingen die zich binnenin mij afspelen.

Waar ik in de loop der tijd wél ben achtergekomen is dat ons ‘weten’ zeer wordt overschat. En een schijnzekerheid oplevert waar je soms alleen nog maar meer van op je neus kijkt. 

Nee, dan het niet-weten.

Dát kunnen accepteren, levert vrijheid op en kracht. Precies wat nodig is om je te kunnen verhouden tot wat zich nú aandient. In.Dit.Exacte.Moment.

Dat leer ik zelf. Dagelijks.

Blóedirritant vinden zij het.

“Ik weet het, schatten.”, zeg ik ze dan.

;

Vloeibaar

We zitten in een warm restaurantje en vieren dat het weekend is, mijn 3tal en ik. Het zijn drukke tijden waardoor de balans is verschoven naar een groter appèl op hun zelfzorgend vermogen. Zij doen dat ongelooflijk goed en ik ben trots op ze. En ook hebben we nu behoefte aan elkaars nabijheid en samen-zijn. Even hergroeperen.


Ineens vraagt de jongste: “Mama? Ik vroeg me af hoe dat is voor jou als je alleen thuis bent en wij bij papa? Vind je het dan heel saai om alleen te eten?”


Zijn plotse, directe vraag slaat in als een bom.


Ik kan ze niet meteen aankijken; zo’n précair moment waarop de impact van mijn reactie bepalend kan zijn. Ik wil niet dat zij zich ooit schuldig voelen over iets dat met onze scheiding verband houdt. Maar ik wil ook eerlijk zijn. Dat heb ik ons beloofd.


Ik neem zijn vraag even mee naar binnen en tot mijn verrassing landt-ie, na de eerste schok, heel goed. Ik kijk op en ontmoet 3 paar verschillend vragende ogen. Die van jongste vloeibaar dwingend, middelste met een rustig willen weten en oudste lief en tegelijkertijd op haar hoede. Voor allen het antwoord van belang.


“Wat een lieve vraag. Mijn eerlijke antwoord is dat ik helemaal heel ben mèt jullie, maar ook alleen. Dus ook dan ben ik oprecht oké.”


4 Paar ogen ontspannen, de mijne nu vloeibaar.

Gewoon

Nogal wat posts en schrijfsels gaan over zaken als mindset, focus, geloof in jezelf en zelfvertrouwen.

Belangrijke topics waar het gaat om performance. Jouw performance. Als professional, ondernemer, mens.

So far so good.

Maar het valt me op dat deze topics vaak in combinatie gaan met het woordje ‘gewoon’: “Je moet ‘gewoon’ je focus houden. Het gaat ‘gewoon’ om mindset. ‘Gewoon’ een kwestie van zelfvertrouwen. Geloof ‘gewoon’ in jezelf!”

Als het allemaal zo ‘gewoon’ was, dan had niemand er verder last van. Het gaat vaak om diep ingesleten patronen. Gedachten en overtuigingen die zich ooit in het systeem gezet hebben. En het betreft meestal langgeleden verkozen gedrag. In combinatie met reflexgedrag dat bij jou hoort.

Kun je daaraan werken? Ja, zeker. Maar is dat even ‘gewoon’ en met quick fix? Nee, absoluut niet.

‘Gewoon’ zou het zijn, als we bleven doen wat we deden. Want in veel gevallen is het behoorlijk lastig om dit soort zaken te veranderen.

Het begint met de moed om met meedogenloos eerlijke blik naar jezelf te durven kijken. Vervolgens commitment, veel oefening en niet te vergeten; tijd.

Het goede nieuws is dat ieder piepklein stapje op dit vlak, je mijlenver kan brengen. Van binnen en daarmee ook naar buiten.

Daar is werkelijk niets ‘gewoons’ aan. Eerder is het buitengewoon.