Open

Waarom doe ik wat ik doe..?


In de regel weet ik dat heel erg goed. Maar soms… soms even niet. Sta ik op en snap ik het niet meer, twijfel aan alles – vooral aan mezelf -, ben ik kwijt waar ik heenga en hoe, en als ik het me herinner is de eerste gedachte die van de geselende: “hoe kóm je erbij, wie zit daar nou op te wachten, alsof jíj dat kunt.” En voor ik het weet hang ik boven een diepe zwarte afgrond met gevaarlijk zuigende werking.

Zo ook vanmorgen. Eenmaal beneden wat doelloos rommelend komt mijn jongste binnen. Hij, startende maar vanaf het begin af aan fullblown puber, kan in de regel zijn ruimte goed, direct en stevig claimen. Maar nu, terwijl hij op me afkomt, zie ik hem intuïtief scannen; oogjes knijpen, lijf houdt een seconde in. Dan laat hij alle spierspanning los, overbrugt met één soepele beweging de 2 meter tussen ons in en vlijt zich als vloeibaar warme chocolade tegen mij aan.


Even staan we zo, ik hou hem goed vast, adem hem op, drink hem in en voel hoe zijn woordeloze warmte van binnen iets beweegt in mijn verstarring.


“Ik wil even naar buiten, een stukje lopen.”


En daar waar hij normaal honend kan briesen dat het nog dónker is en ijskoud, voel ik hoe hij de druk van zijn armen iets verstevigd, kort maar bevestigend. Hij zegt niets en toch hoor ik: “Doe maar, mam.”

Ik ga. Mijn stappen kraken in de bevroren sneeuw en mijn adem maakt dikke, witte wolken. En terwijl ik loop maakt de zwarte afgrond plaats voor de pracht die wáár is.

Godzijdank. Met hart nu open kan ik het allemaal weer zien.

VR

Met het gloomy gevoel dat ‘betere-cijfers-maar-strengere-maatregelen’ en een avondklok oproept en de kennelijke dreiging van nog veel engere virusvarianten in aantocht, bereiden zij zich voor op een eventuele apocalyps. Eindelijk komen die talloze uren van intelligence verzamelen door vanachter hun beeldschermen doom-day films en series te analyseren, tot hun recht.

Dus met vernuftige technologie trainen zij nu onvermoeibaar hun eigen situational awareness, hunting skills, reactievermogen, ultieme ‘unagi’ en het optimaal ontspannen-alert zijn.

Het goede nieuws voor mij is dat wanneer het zover is, alle scenario’s klaarliggen, strategieën uitgedacht zijn en met een béétje mazzel de onneembare bunkers reeds gegraven en van noodrantsoenen voorzien.

Dat ik voor mijn eigen overlevingskansen eindelijk eens kan leunen op mijn tot in de puntjes voorbereide offspring, in plaats van andersom, geeft ook mij een ontspannen (en beduidend minder alert) gevoel van comfortabel vertrouwen.

Terwijl ik mijn krant opensla, ondertussen begeleid door de ranzige knaaggeluiden van opengereten zombies die aan hun in hun parallelle wereld virtueel gemaakte spijkerstokken hangen, slaak ik een zucht van tevredenheid: je kunt maar op je toekomst voorbereid zijn.

Tulband

07.40 uur. Middelste voegt zich bij me: “Goedemorgen, vriend”. … “Grrmmmpfff”, krijg ik terug. Prima, ik snap wat hij bedoelt.

Even later, wakkerder: “Mam, ik heb zo die wiskundetoets. Ik doe Teams op mijn eigen laptop maar ik moet in de laatste 5 minuten iets terugsturen uit Dropbox met de jouwe, oké?”

“Ja, ik heb daar rekening mee gehouden, neem maar mee.”

10 Minuten later loop ik naar boven, in kamerjas en met handdoek-tulband nog op mijn hoofd dat vol zit met wat ik nu zo moet doen en de timing waarin: 2 calls en een sessie die ik vooraf nog even extra wil doorlopen.

Wreed word ik uit mijn focus-bubbel getrokken door paniekerig gesis uit zijn kamer: “Máhmm! We beginnen zo maar jouw láp-tóp doet niets!”

Ik en niet werkende digitale apparaten zijn een slechte combi. Zeker nu op zo’n moment. Ik probeer iets, er gebeurt niets, dus op slag geïrriteerd ontlaad ik: “Sh*t, gdvr, ik krijg ‘m ook niet aan de praat!” En mopper hardop nog een paar ergere dingen.

Achter me: “Mama. je bent in beeld hoor..”

Met een ruk draai ik me om en staar met tulband en te korte kamerjas in het grijnzende gezicht van de wiskundeleraar. Dat van mijn zoon doet er niet voor onder.

Eén gedachte

Bij het krieken van de dag wakker worden door een schuifelend geluid op straat. ‘n Buurman die zijn hondje uitlaat. Ooit waren het er drie, nu nog maar eentje; zo’n heel laag bij de grond hangend, krompotig getrokken worsterig diertje met naar buiten uitstekende tandjes.

Ik zie het tafereel voor me en moet grinniken, voel een vlaagje heel frisse lucht langs mijn wang en hoor de eerste vogeltjes. Veel zijn al weggetrokken maar sommigen vullen met hun lieve gekwetter mijn oren nog en zullen dat steady blijven doen, ook in de kou.

In een flits realiseer ik me hoe gelukkig ik me voel, wat een goede maanden het zijn en hoe dit jaar een tijd zo lullig leek, maar nu niet meer.

Want het sluimerend grijs-kil en steeds zwaarder drukkend gevoel dat er was in mijn leven, heeft plaatsgemaakt voor verlichting en opluchting, het weer tot in mijn tenen adem kunnen halen, emotionele balans en – vrijheid. Slepend werd weer lichtvoetig, de ballast los en afgeworpen.

Ik wíst het al wel maar voelde het nog te vaak niet bewust zo. Vandaag, bij het krieken van de dag wél. Als in een flits die zekere gedachte en het gelukzalige gevoel dat door mijn hele systeem trekt en me als een warme deken bedekt.

Gevoel van zwaar of licht, verlies of kans, grijs of kleur; het verschil bestaat soms uit slechts één gedachte.

Jazéker wel boeit het!

Over twee weken wordt ze 18 en ben ik bezig met het maken van Haar Boek. Het boek met alle verhaaltjes die ik schreef over haar of waarin zij een rol speelt.

Natuurlijk ben ik te laat begonnen en is het een race tegen de klok om het niet alleen tijdig aan te leveren bij de drukker maar het ook zó aan te leveren dat het Echt Goed is: Foutloos, Mooi, Uniek.

Want ja, uitsteller als ik ben, ben ik helaas ook redelijk perfectionistisch, eerzuchtig en trots. Een combinatie die vaker voorkomt (want als je er niet aan begint kan het ook niet Fout of Middelmatig zijn) maar die uitermate narrig kan wringen.

Ergens afgelopen week kreeg ik het Spaans benauwd: “Ik krijg het niet af.” Deze stellige stem deed direct wat het vroeger zo vaak deed: als een fatalistisch zwaard sneed het de positieve energie van mijn actie en gemoed: “Laat maar, ik kan niet en het boeit ook niet.”

Met deze niet-helpende reflex smoorde ik ettelijke prestatie reeds in de kiem. Totdat ik daar schoon genoeg van had, erin dook en net zolang keek totdat ik haarscherp zag wat ik deed en waar dat uit voortkwam.

En dan komt nu het allerbeste nieuws en groot geluk: eenmaal zo bewust, blijf je het zien!

Zo ook nu. Dus ik riep terug: “Jazéker wel boeit het! Want ik boei en zij boeit helemaal! En het is sowieso Goed, want gemaakt van Liefde.”

En haar boek?

Da’s bijna af 😉

Asbest of -beter?

Leven met een leugen. Of leugens. Die welbewuste naar je omgeving toe en de meer verstopte, de subtiele vooral naar jezelf. Onderhuids woekerend sijpelt het als toxic waste door de gaten en kieren die er altijd zijn. Ongemerkt neemt het z’n plek en z’n prooi: een ieder die er in vast zit of niet op tijd vertrekt.

Schimmels en barsten in grond die verder verziekt. Aangekaart, besproken, gevraagd, gezegd. Maar als de spiegel te fel is of de ontvanger bijziend of onwillig, dan heeft het allemaal weinig zin en betekent blijven hetzelfde als erdoor in bezit genomen worden.

Machteloos, met een negatieve ondertoon in het totale gevoel, en zelf ook blind voor waar dat dan over ging, strompelend door zulk dor geworden landschap van dorst en droogte. Waar eerst lol, lucht, licht en liefde alles hadden laten bloeien, knaagden nu misprijzen, kilte, afstand en lillend rugspek de wortels kapot van wat ooit een mooie en juicy belofte was.

Zwaar in het hoofd, met zeurende buik, klemmende keel en een loodzware olifant op de borst.

Asbest, chemical waste, wat het ook is of hoe je het ook noemt, de belangrijkste les is deze: op vervuilde grond kun je -beter niet willen bouwen.

Ultimiss

Daar sta ik, midden op het veld, helemaal alleen. Wie er ook op mij afkomt, Ultimiss, het-edele-paard-van-zeer-goede-komaf in ieder geval niet.

Hm.

“Zie het niet als afwijzing, maar als aanmoediging om te zakken, weg uit je hoofd. Je hebt spanning en je energie is teveel naar buiten gericht. Een paard houdt van geaard; zen dus.”

Ik probeer het, ademen naar mn buik, 4 in, 6 uit en verdraaid, daar komt ze. Ze smakt en gaapt 2 of 3x uitgebreid. “Ze laat jouw energie los.” Ik gaap háár aan; for real?

Ze blijft schuin voor me staan, met opgeheven hoofd, net niet echt contact. “Ze spiegelt jou. Wat zou jij nu willen?”

Tsja, graag écht contact, dus ik beweeg naar haar toe en aai neus en hals. Ze leunt tegen m’n hand. Dit voelt fijn; warm, verbonden. Dan stapt ze naar voren, vol mijn zone in. Ik loop schrikkerig achteruit: “Niet naar achter bewegen, neem jouw plek in en behoud je ruimte!”

Ik vertel dat het me overweldigt, haar grote gestalte en heel sterke presence. Momenten van confrontatie met invasieve energie kort en langer geleden in mijn leven en mijn reactie daarop, komen voorbij.

Ze komt nog eens heel dichtbij, ik blijf staan en zij houdt haar hoofd boven het mijne, haar nabijheid nu als kalme troost. Ze buigt en legt haar neus in mijn nek; liefdevol, zonder franje. Ik voel ‘het is goed’ en dit ontroert me diep.

Dan is ze klaar. 6 minuten.

Over non-verbaal gesproken. Heel veel waarachtiger wordt iets niet.

Plek

Ik. BÈN. Er!!!!!!!!

Met een zwaai gaat de slaapkamerdeur open en springt jongste op zijn derde verjaardag naar binnen met wijd uitgespreide armen en zó’n stralend koppie dattie licht geeft.

Zelden heb ik iemand met zoveel vanzelfsprekend en vertrouwen zijn plek zien innemen, als hij op dat moment. Het staat op mijn netvlies gebrand en in mijn hart en geheugen gegrift. Zijn gevoel van er totaal en zonder ook maar enig excuus te mogen zijn en mijn gevoel van jubelend geluk hier deelgenoot van én mede-verantwoordelijke voor te zijn.

Je plek innemen. Naast, tussen en ten overstaan van anderen jouw eigen rechtmatige plek voelen en pakken.

Een thema waar ik mijn hele leven al mee knok, omdat het voor mij als kleintje níet vanzelfsprekend zo voelde, dat ik dat mocht. Ruim baan maken voor de ander; niet een te grote mond hebben; de beste was de goedste en de kleinste de liefste en beide was ik in ieder geval niet. Iets wat ik meenam door mijn leven; knokkend in samenwerkingen en relaties met anderen die juist meer ruimte innamen dan goed was voor een gezond evenwicht. Types die van hun kant zelf vanzelfsprekend de goedste waren of door ingeboren egoïsme niet erg gericht op -het gevoel van- een ander, niet gebakken om zelf intrinsiek te geven en clueless ten aanzien van het gegeven dat groot-gevers vaak niet zo vanzelfsprekend hun eigen ruimte claimen, laat staan pakken. Dat dit soms tot buikpijn aan toe moeilijk voor hen is.

Klein liet mij dat in die partnerschappen weer voelen en behoorlijk alleen, maar ergens ook veilig want bekend. Inspirerend vind ik dit type mensen op voorhand sowieso omdat ze iets doen dat ik meer zou moeten. Zit er voor mij iets wenselijks in die begeerlijke, arrogante manier van gewoon (in)nemen. Alleen in plaats van ‘standing ground’, deed ik te vaak zelf nog maar eens een stapje opzij, me boos maar ook angstvallig vasthoudend om niet over het randje te kukelen. Hek naar beneden, klauwtjes uit.

Een oneigenlijk gevoel van afhankelijkheid creërend waar niemand iets van zou begrijpen die mij zo, op eerste gezicht, kent.

Maar we hebben allemaal onze eigen verhalen en onder onze grootste kracht zit vaak ook onze diepste valkuil. Het een laat zich zien in de goede tijden, het ander als de boel begint te verschuiven.

Wat een feest is het dan, om van die glasheldere spiegels in eigen huis te hebben. Allemaal met hun eigen terugkoppeling van wat jij te leren hebt. Goed kijken moet je, en goed luisteren. Vooral naar je buik.

Deze kleinste spiegel hielp mij het op zijn derde verjaardag zo helder te voelen. Toen wist ik nog niet goed wat het precies was ik zag. Maar nu wel.

Los dus. Met de armen wijd er staan:

Ik. BÈN. Er.

Op mijn plek.

Opgave

De hele week al ploetert hij op wiskunde D. De dag voor de toets ontploft hij: “Waarom vólg ik dit k*tvak eigenlijk!?!” Uit z’n tenen komt het.

Ik moet hem het antwoord op zijn gelukkig retorische vraag schuldig blijven en laat hem even pruttelen en mopperen. Dan: “Waarom zou je het níet doen, als je het wel kunt?!”

Peinzende ogen.

“Ik kan het ‘soort van’, maar het kost me extreem veel moeite.”

“Ik snap je en zeg ook dat dát het argument niet mag zijn. Stoppen omdat iets móeite kost, neigt naar opgeven. Ik weet dat en heb daar spijt van (gehad). Dat is geen fijn gevoel.”

“Oké, maar het kost me zóveel moeite dat ik te weinig tijd overhou voor al die andere vakken die óók pittig zijn. Én ik wil helemaal geen studie doen waar Wiskunde D voor nodig is.”

Deze snap ik echt en krijg er weinig tussen. Ik hang in die ingewikkelde ouderschaps-spagaat van eigen verantwoordelijkheid en ruimte laten en stimuleren zonder sturend te zijn. 

Lieve vriend, het is helemaal jouw beslissing. Het enige dat ik belangrijk vind, is dat je er geen spijt van krijgt.”

2 Weken later:

“Mám, ik heb een 8,6 voor WisD!!”

“Ongelooflijk, dat is nog eens loon naar werk! En nu? Heb je al een beslissing genomen?

“Nog niet helemaal. Maar áls ik stop, weet ik nu dat het sowieso geen opgeven is. Want ik kán het dus heel goed.”

Het Héle-al

“Ik. Weet. Het. Niet.”

Gek werden en worden zij van dit antwoord dat ik ze dan toch gaf en geef.

Al op 1000-en vragen.

Soms om ze bewust te maken van hun eigen denkvermogen maar ook omdat ik vaak echt het antwoord niet wist:

“Mama, hoe kan het dat Dumbo kan vlíegen, want zijn oren zijn wel groot maar zijn lijf ook. Of zit daar hélium in, net zoals bij ballonnen?”

Of:

“Mam! Hoe-zo lijken wij als ik ons zó zie, zo groot, terwijl we in het ‘héle al’ maar piepklein zijn?” (Wappert met armen om dat héle al te duiden terwijl moeder iets murmelt over verhoudingen en hoopt dat het hier bij blijft, wat helaas niet zo is).

En nu, 10 jaar verder weet ik op de meeste van hun vragen het antwoord nog steeds niet. Noch op een heleboel vragen die ik zelf heb.

Over dingen die buiten mij liggen en over dingen die zich binnenin mij afspelen.

Waar ik in de loop der tijd wél ben achtergekomen is dat ons ‘weten’ zeer wordt overschat. En een schijnzekerheid oplevert waar je soms alleen nog maar meer van op je neus kijkt. 

Nee, dan het niet-weten.

Dát kunnen accepteren, levert vrijheid op en kracht. Precies wat nodig is om je te kunnen verhouden tot wat zich nú aandient. In.Dit.Exacte.Moment.

Dat leer ik zelf. Dagelijks.

Blóedirritant vinden zij het.

“Ik weet het, schatten.”, zeg ik ze dan.

;